|
De Genovees Christoffel Columbus stelde extreem
hoge eisen als
beloning voor het ontdekken
van Azië via een
westelijke
zeekoers. In de aanbieding had hij: de ontdekking van het legendarische
eiland
Antilia met de zeven
gouden steden plus de ontdekking van de
rechtstreekse
zeeweg naar Cipango (Japan) en Cathay (China).
Een paar eisen: de levenslange en erfelijke titel
van “Admiraal van de
Oceaan”, de titel van “Onderkoning en
Gouverneur”
over alle gebieden die hij zou
ontdekken, 10% van alle winsten tijdens het uitoefenen van zijn
admiraalschap,
eigen
rechtspraak bij geschillen in de nieuwe gebieden plus het recht
om voor
het achtste deel in elke vloot te investeren
in ruil voor het achtste
deel van
de winsten.
Deze extreme eisen veroorzaakten een discussie
tussen de Spaanse
vorsten. Koning Ferdinand van Aragón vond ze
veel te ver
gaan. Koningin Isabel
van Castilië was onder de indruk van deze
“macho” uit Genua, die het verbaal
allemaal
zo goed kon brengen. Zij was zo gecharmeerd van de
ideeën van deze
zelfverzekerde avonturier dat zij een deel van
haar juwelen beleende om
Columbus op weg te helpen. Haar echtgenoot Ferdinand zweeg en stemde
dus toe.
Christoffel Columbus was ervan overtuigd dat
Azië via de westelijk
zeeroute veel sneller te bereiken was dan via
de oostelijke weg. Hij
was 100%
zeker van zijn zaak en daarom stelde hij zulke hoge eisen. Volgens de
geschiedenisschrijvers uit de 16de eeuw was
Columbus niet uit op het
ontdekken van nieuwe gebieden.
Hij ging op weg naar wat hij in zijn
hoofd had
en als de werkelijkheid anders was dan voerde hij net zolang
argumenten
aan
totdat de zaak sociaal en cultureel in zijn hoofd
“klopte”. Als autodidactisch
zakenman
van de nieuwe gebieden had hij het devies: “Spreken
is Zilver en
Zwijgen is Goud”.
Het verblijf van Columbus op Madeira en de Azoren,
waar hij via zijn
huwelijk met de adellijke Felipa Perestrella
e Moniz, toegang kreeg tot alle
belangrijke Portugese scheepvaartautoriteiten, heeft een grote invloed
op zijn
denken over de bereikbaarheid van Azië gehad. Hij hoorde van
drie generaties
dat er soms vreemd bewerkte
houten afbeeldingen uit het westen
aanspoelden. Ook
hoorde hij dat er soms lijken waren aangespoeld van
mensen die noch op
Europeanen of Afrikanen leken.
Fernando,
de oudste zoon van Columbus, heeft toegegeven dat zijn vader in 1480
gesproken
heeft met een
Spanjaard uit Huelva, die
een schip had dat Altante heette. Deze kapitein, die goederen vervoerde
tussen
Huelva en de Canarische Eilanden werd op een dag in 1478 door een storm
overvallen en 17 dagen later
leed hij schipbreuk op het eiland dat
Christoffel
Columbus later Española – nu Haiti en de
Dominicaanse
Republiek- zou noemen.
Deze man, waarvan Fernando geen naam noemt, leed twee jaar later met zijn
schip
opnieuw schipbreuk en
spoelde met vijf
man meer dood dan levend aan op het eilandje Porto Santo.
Deze zeeman,
die aan
syfilis leed en die praktisch in de armen van Columbus is gestorven,
zou zijn
logboek,
zijn landkaarten en zijn vaarroutes aan zijn
stervensbegeleider hebben
gegeven.
De
admiraal heeft deze
documenten altijd geheim gehouden.
Pas vanaf 1535 maken de geschiedschrijvers melding
van “een onbekende
zeeloods”, die Columbus verteld
moet hebben hoe hij naar en
van Azië moest zeilen
en waarop hij moest letten. Pas in 1609 wordt aan
deze onbekende loods
een naam
gegeven: Inca Garcilosa de la Vega noemt hem in zijn
“Comentarios
Reales” Alonso Sánchez de
Huelva en hij vertelt dat hij deze naam in zijn jeugd heeft gehoord van
Spaanse
veroveraars. Sindsdien is een discussie over het bestaan van Alonso
Sánchez de
Huelva
opgelaaid die nog steeds voortduurt.
Als geen ander van zijn tijd had Columbus door
zijn 19-jarige ervaring
als zeeman in dienst van Genua
en van Portugal, waarbij hij als
uitersten
Guinee en IJsland aandeed, inzicht in de passaatwinden op de
Atlantische
Oceaan. De kennis van de oostelijke passaatwinden op de breedte van de
Canarische
eilanden had hij opgedaan op zijn reizen langs de westkust
van
Afrika.
Zijn reizen naar Engeland en IJsland leerden hem
dat op deze breedte er
westenwinden waaiden die
hem weer naar Europa konden terugbrengen. Om
deze
redenen koos hij de Canarische eilanden als
vertrekpunt. Op zijn eerste
reis
liet hij de oorspronkelijke driemaster Niña met latijnzeilen
ombouwen
tot een
viermaster waarbij de nieuwe fokkenmast en de grote mast vierkante
zeilen
kregen om sneller
voor de wind te kunnen varen.
Een enkele andere zeeman
van zijn tijd had een inzicht in de
passaatwinden. Columbus zweeg hierover
want anders zouden zijn
bemanningsleden
tijdens de lange reis wel eens eerder naar huis terug willen.
Vlak voor het vertrek van de Canarische Eilanden
riep Columbus de
kapiteins van de schepen Pinta en
Niña bijeen en waarschuwde
hij dat er op ruim 3.000
km.
ten westen van de Canarische archipel
gevaarlijke riffen en eilandjes
“De
Ingang naar Azië” vormden. Martín Alonso
Pinzón, kapitein van de
Pinta,
en zijn broer Vicente Yánez Pinzón,
kapitein van de
Niña, waren stom
verbaasd. De gebroeders Pinzón,
die volgens Franse en
Engelse bronnen onder
leiding van de Franse zeevaarder Jean Cousin uit Dieppe
in 1488
Brazilië hadden
ontdekt, vroegen Columbus hoe hij dit wist. De admiraal, die wist dat
de
gebroeders Pinzón in “Azië”
waren geweest en daar zijn voordeel mee wilde doen,
haalde zijn schouders
op en zweeg.
“De Ingang naar Azië”
werd op de eerste reis niet aangedaan omdat
Columbus te noordelijk voer.
Op de tweede reis leidde Columbus vlotjes
zijn
vloot in november 1493 langs en tussen de riffen en eilandjes
naar
Cuba. Hij
noemde deze riffen en eilanden “De Archipel van de 11.000
Maagden”, die de nu
de
Maagdeneilanden worden genoemd. De bemanning was hoogst verbaasd
over zijn
vakkundige kennis van
dit gebied en begon hem te zien als een zeeman
met
profetische kennis.
Op de vraag van enkelen of hij hier eerder was
geweest
glimlachte Columbus zwijgend.
Het dagboek van Columbus meldt op 13 december 1492
over een expeditie
die een dag tevoren een
gebied op Española onderzocht:
“Ze zagen zelf twee
jonge vrouwen die net zo blank waren als in Spanje”.
Tijdens
de tweede en derde
reis werden ook blanken onder de indianen gezien. Op de tweede reis zag
een
boogschutter op jacht in het zuiden van Cuba drie blanke mannen met
baarden,
die een soort witte pij aanhadden.
De Spanjaard dacht eerst dat het
paters
waren van de Orde van de Heilige Drievuldigheid maar toen zij op
hem af
kwamen
vluchtte hij in paniek. Tijdens de derde reis van Columbus werden
blanken
gerapporteerd die op de Venezolaanse kust Paria woonden. Hierover
melden de
kroniekschrijvers:
“Het waren allervriendelijkste mensen die
ons ontvingen
alsof zij ons al van vroeger kenden”.
Columbus heeft deze verhalen over blanke indianen
altijd zwijgzaam
aangehoord.
Na de ontdekking van Guanahaní op 12
oktober 1492 nam Columbus een
aantal indianen van dat eiland mee
en hij ondervroeg hen tot uit en
treuren
over een berg die Montecristi heette. Hij legde geduldig uit dat deze
berg een
conische vorm had alsof het een liggende dromedaris was en dat er
vlakbij een
goudmijn moest
zijn. De indianen noemden deze streek Cibao en Columbus
redeneerde dat dit in hun taal Cipango, dus Japan,
moest zijn. Groot
was
Columbus’ vreugde toen hij op 4 januari 1493 de berg
Montecristi zag van het
eiland dat
hij Española zou noemen. Toen wat later de
goudmijn werd ontdekt was
hij ervan overtuigd dat hij in Japan was.
De bemanningsleden vroegen Columbus hoe hij aan de
informatie kwam van
de berg Montecristi in de vorm
van een liggende dromedaris en de
goudmijn in de
buurt. De admiraal keek peinzend voor zich uit en deed
alsof hij van
niets
wist.
Op een strategische plaats op Española,
waar Columbus vermoedde dat er
een voorraad mineralen in de
grond zat, gaf de admiraal zijn mannen de
opdracht
de versterking “Santo Tomás” te bouwen.
Bij het aanleggen van de fundering werd
een “strooien nest” met vier stenen kanonkogels
gevonden.
Deze kogels konden zo
gebruikt worden voor de tien middeleeuwse bombarda kanonnen van
Columbus’
lievelingsschip La Niña.
De zeevaarder uit Genua deed alsof hij zeer
verbaasd was maar zweeg
hierover in alle talen.
Het eiland Guadalupe, dat op 4 november 1493 werd
ontdekt, leverde voor
de Spanjaarden een grote verrassing op.
In een dorpje werd een ijzeren
stoofpot
gevonden waarin een menselijke nek lag te koken.
De indiaanse bewoners
kenden
geen metalen.
Op de vraag van sommige bemanningsleden of de
stoofpot uit Spanje
afkomstig kon zijn gaf Columbus geen antwoord.
Cristoffel Columbus gaf zijn broer Diego in
december 1493 de opdracht om
een paar eilanden voor de kust van
Venezuela en de kust van het
vasteland zelf
te onderzoeken. De admiraal gaf Diego precieze aanwijzingen
hoe hij
moest varen
en dat hij goed moest uitkijken naar parelgronden. Diego kwam een paar
maanden
later zo overladen met parels terug dat Christoffel Columbus eind 1494
voor een
korte tijd zelf naar dit gebied
ging en daar een grote hoeveelheid zelf
insloeg. Deze laatste reis heeft Columbus nooit gerapporteerd en
de
Spaanse
vorsten waren zeer ontstemd toen dit verhaal via bemanningsleden
uitlekte.
Toen
Jamaica in 1494
in zicht kwam om ontdekt te worden sprak
Columbus de volgende woorden:
“Mijne heren, ik wil jullie nu
meenemen naar de
plaats van waaruit een van de drie koningen is vertrokken
om Christus
te
vereren. Deze plaats heet Saba”. De bemanning hoorde van de
inwoners dat het
eiland
Soba werd genoemd. Hierop antwoordde Columbus dat zij de naam
niet goed
uitspraken en dat Saba de
correcte naam was.
De wetenschappers zijn het er nog steeds niet over
eens of Christoffel
Columbus in de 15de eeuw de
eerste Europeaan is
geweest die Amerika
heeft ontdekt. Op Cuba bestond in die tijd onder de Taino’s
een legende dat er
lange blanken met baarden, goden, afkomstig uit de zee, het eiland
hebben
bezocht.
Het lijkt onwaarschijnlijk dat de blanken, die op de reizen
van
Columbus in Amerika zijn gezien,
nazaten waren van Alonso
Sánchez de Huelva en
zijn bemanning want de oudsten zouden niet ouder
zijn geweest dan
pubers. De
vondst van de stenen kanonkogels op Española en van de
ijzeren stoofpot
op Guadalupe
duiden op de aanwezigheid van mensen uit het Iberische Schiereiland.
Columbus heeft geen gebruik kunnen maken van de
kennis van de gebroeders
Pinzón over de zeeweg
naar
“Brazilië”, want Martín Alonso
Pinzón, kapitein van
de Pinta, ontpopte zich tijdens de reis als
een rivaal van de admiraal,
die
zelf met de eer van de ontdekking van Azië wilde opstrijken..
Op 6 oktober 1492
stelde Martín
Alonso Pinzón Columbus
voor om vanaf die dag Z.W.t.W
te sturen
omdat men dan eerder in Japan aan zou komen. Columbus bleef de
westelijke koers
volgen en de
gebroeders Pinzón kwamen in opstand: zij
dreigden met een
muiterij. Columbus, die geen ruzie
wilde, onderhandelde en de
gebroeders
Pinzón, die naar huis wilden, hielden zich gedeisd.
Varend
voor de kust van Cuba
op 21 november 1492 ging Martín Alonso Pinzón
zonder toestemming
van Columbus
ervan door omdat hij van een indiaan had gehoord dat Japan, waar het
goud voor
het
oprapen lag, vlakbij was. Op 6 januari 1493 voegde
Martín Alonso Pinzón
zich weer bij Columbus
op het eiland Española en maakte
excuses. Tot grote
verbijstering van Columbus hadden alle
bemanningsleden van Martin
Alonso
goudklompjes bij zich. Christoffel beklaagde zich hierover in zijn
logboek,
slikte en zweeg.
De plaats van de Maagdeneilanden, de plaats en
naam van de Montecristi
op Española plus de
goudmijn in de buurt, de parelgronden in
Venezuela en de
anekdote op het eiland Saba duiden
op voorkennis van Columbus. Die
kennis zou
dan afkomstig moeten zijn van Alonso Sánchez de Huelva.
Het schip Atlante
van Alonso
Sánchez de Huelva had 20 bemanningsleden toen het schipbreuk
leed in
1478 op de
noordkust van Española. De Spanjaarden werden als goden
behandeld omdat zij
blank waren,
langer waren dan de indianen en omdat zij baarden hadden. Aan vrouwen hadden de Spanjaarden geen
gebrek. De
voor hen goedaardige vorm van syfilis, waaraan de inheemse bevolking
leed, was
op den
duur fataal voor de Europeanen. De indiaanse mannen hielpen
bijna twee
jaar lang bij het repareren
van het schip. Alonso Sánchez de
Huelva tekende kaarten van de omgeving
en schreef de vaarroutes op
die de indianen hem
vertelden.
Voor de bewoners van de zuid-Spaanse stad Huelva
is hun stadsgenoot
Alonso Sánchez de Huelva de
eerste Europeaan die Amerika
heeft ontdekt. Zij eren
hem met een standbeeld in de stad, een
onderwijsinstelling plus een
park zijn
naar hem genoemd en de reddingsboot in de haven draagt zijn naam.
:
|