“Petites Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika 

door Peter Hattink*
peterhattink@yahoo.es

 Deze “Petites Histoires” zijn anecdotische verhalen in hun historische context. Zij geven een inzicht  in het denken  
en het handelen van de volkeren van Amerika, de nieuwkomers en hun nakomelingen op dit continent. 

De officiële geschiedenis is veelal geschreven in het belang van de staat. 
Deze verhalen gaan over de achterkant van historische gebeurtenissen, die door officiële 
geschiedschrijvers  zelden vanuit de mens zelf is verteld.
 
 

1478 De eerste Spaanse ontdekker van Amerika  

Antilia Cipango
 Antilia, Cipango, Cathay

Columbus Piombo
 Christoffel Columbus 

 Fernando de Aragon
Ferdinand van Aragón

 Isabel Castilia
Isabel van Castilië 

Reizen Columus voor 1492
Reizen Columbus voor 1492

passaat winden
Passaatwinden

Niña oorspronkelijk
 De originele Niña


Niña omgebouwd
 de omgebouwde Niña
 
 Martin Alonso Pinzon
Martín Alonso Pinzón

 Vicente Yanez Pinzon
Vicente Yañez Pinzón

Blanke indianen
Blanke indianen

diego Columbus
Diego Columbus

 Inca Garcillaso de la Vega
Inca Garcilaso de la Vega

Blanke indianen
 Alonso Sánchez de Huelva

standbeeld Alonso Sanchez
Alonso Sánchez de Huelva
                                   

De Genovees Christoffel Columbus stelde extreem hoge eisen  als beloning voor het  ontdekken van Azië via een 
westelijke zeekoers. In de aanbieding had hij: de ontdekking van het legendarische eiland Antilia met de zeven 
gouden steden plus de ontdekking van de rechtstreekse zeeweg naar Cipango (Japan) en Cathay (China).

Een paar eisen: de levenslange en erfelijke titel van “Admiraal van de Oceaan”, de titel van “Onderkoning en Gouverneur” 
over alle gebieden die hij zou ontdekken, 10% van alle winsten tijdens het uitoefenen van zijn admiraalschap, eigen 
rechtspraak bij geschillen in de nieuwe gebieden plus het recht om voor het achtste deel in elke vloot te investeren 
in ruil voor het achtste deel van de winsten.

Deze extreme eisen veroorzaakten een discussie tussen de Spaanse vorsten. Koning Ferdinand van Aragón vond ze 
veel te ver gaan. Koningin Isabel van Castilië was onder de indruk van deze “macho” uit Genua, die het verbaal allemaal 
zo goed kon brengen. Zij was zo gecharmeerd van de ideeën van deze zelfverzekerde avonturier dat zij een deel van 
haar juwelen beleende om Columbus op weg te helpen. Haar echtgenoot Ferdinand zweeg en stemde dus toe.

Christoffel Columbus was ervan overtuigd dat Azië via de westelijk zeeroute veel sneller te bereiken was dan via 
de oostelijke weg. Hij was 100% zeker van zijn zaak en daarom stelde hij zulke hoge eisen. Volgens de 
geschiedenisschrijvers uit de 16de eeuw was Columbus niet uit op het ontdekken van nieuwe gebieden. 
Hij ging op weg naar wat hij in zijn hoofd had en als de werkelijkheid anders was dan voerde hij net zolang 
argumenten aan totdat de zaak sociaal en cultureel in zijn hoofd “klopte”. Als autodidactisch zakenman 
van de nieuwe gebieden had hij het devies: “Spreken is Zilver en Zwijgen is Goud”.

Het verblijf van Columbus op Madeira en de Azoren, waar hij via zijn huwelijk met de adellijke Felipa Perestrella 
e Moniz, toegang kreeg tot alle belangrijke Portugese scheepvaartautoriteiten, heeft een grote invloed op zijn 
denken over de bereikbaarheid van Azië gehad. Hij hoorde van drie generaties dat er soms vreemd bewerkte 
houten afbeeldingen uit het westen aanspoelden. Ook hoorde hij dat er soms lijken waren aangespoeld van 
mensen die noch op Europeanen of Afrikanen leken.

Fernando, de oudste zoon van Columbus, heeft toegegeven dat zijn vader in 1480 gesproken heeft met een 
Spanjaard uit Huelva, die een schip had dat Altante heette. Deze kapitein, die goederen vervoerde tussen 
Huelva en de Canarische Eilanden werd op een dag in 1478 door een storm overvallen en 17 dagen later 
leed hij schipbreuk op het eiland dat Christoffel Columbus later Española – nu Haiti en de Dominicaanse 
Republiek- zou noemen. Deze man, waarvan Fernando geen naam noemt, leed twee jaar later met zijn 
schip opnieuw schipbreuk  en spoelde met vijf man meer dood dan levend aan op het eilandje Porto Santo. 
Deze zeeman, die aan syfilis leed en die praktisch in de armen van Columbus is gestorven, zou zijn logboek, 
zijn landkaarten en zijn vaarroutes aan zijn stervensbegeleider hebben gegeven. 
De admiraal heeft deze documenten altijd geheim gehouden.    

Pas vanaf 1535 maken de geschiedschrijvers melding van “een onbekende zeeloods”, die Columbus verteld 
moet hebben hoe hij naar en van Azië moest zeilen en waarop hij moest letten. Pas in 1609 wordt aan 
deze onbekende loods een naam gegeven: Inca Garcilosa de la Vega noemt hem in zijn “Comentarios 
Reales” Alonso Sánchez de Huelva en hij vertelt dat hij deze naam in zijn jeugd heeft gehoord van 
Spaanse veroveraars. Sindsdien is een discussie over het bestaan van Alonso Sánchez de Huelva 
opgelaaid die nog steeds voortduurt.

Als geen ander van zijn tijd had Columbus door zijn 19-jarige ervaring als zeeman in dienst van Genua 
en van Portugal, waarbij hij als uitersten Guinee en IJsland aandeed, inzicht in de passaatwinden op de 
Atlantische Oceaan. De kennis van de oostelijke passaatwinden op de breedte van de Canarische 
eilanden had hij opgedaan op zijn reizen langs de westkust van Afrika.

Zijn reizen naar Engeland en IJsland leerden hem dat op deze breedte er westenwinden waaiden die 
hem weer naar Europa konden terugbrengen. Om deze redenen koos hij de Canarische eilanden als 
vertrekpunt. Op zijn eerste reis liet hij de oorspronkelijke driemaster Niña met latijnzeilen ombouwen 
tot een viermaster waarbij de nieuwe fokkenmast en de grote mast vierkante zeilen kregen om sneller 
voor de wind te kunnen varen.   

Een enkele andere zeeman van zijn tijd had een inzicht in de passaatwinden. Columbus zweeg hierover 
want anders zouden zijn bemanningsleden tijdens de lange reis wel eens eerder naar huis terug willen.

Vlak voor het vertrek van de Canarische Eilanden riep Columbus de kapiteins van de schepen Pinta en 
Niña bijeen en waarschuwde hij dat er op ruim 3.000 km. ten westen van de Canarische archipel 
gevaarlijke riffen en eilandjes “De Ingang naar Azië” vormden. Martín Alonso Pinzón, kapitein van  de Pinta, 
en zijn broer Vicente Yánez Pinzón, kapitein van  de Niña, waren stom verbaasd. De gebroeders Pinzón, 
die volgens Franse en Engelse bronnen onder leiding van de Franse zeevaarder Jean Cousin uit Dieppe 
in 1488 Brazilië hadden ontdekt, vroegen Columbus hoe hij dit wist. De admiraal, die wist dat de 
gebroeders Pinzón in “Azië” waren geweest en daar zijn voordeel mee wilde doen, haalde zijn schouders
op en zweeg.

“De Ingang naar Azië” werd op de eerste reis niet aangedaan omdat Columbus te noordelijk voer. 
Op de tweede reis leidde Columbus vlotjes zijn vloot in november 1493 langs en tussen de riffen en eilandjes 
naar Cuba. Hij noemde deze riffen en eilanden “De Archipel van de 11.000 Maagden”, die de nu de 
Maagdeneilanden worden genoemd. De bemanning was hoogst verbaasd over zijn vakkundige kennis van 
dit gebied en begon hem te zien als een zeeman met profetische kennis. 
Op de vraag van enkelen of hij hier eerder was geweest glimlachte Columbus zwijgend.

Het dagboek van Columbus meldt op 13 december 1492 over een expeditie die een dag tevoren een 
gebied op Española onderzocht: “Ze zagen zelf twee jonge vrouwen die net zo blank waren als in Spanje”. 
Tijdens de tweede en derde reis werden ook blanken onder de indianen gezien. Op de tweede reis zag een 
boogschutter op jacht in het zuiden van Cuba drie blanke mannen met baarden, die een soort witte pij aanhadden. 
De Spanjaard dacht eerst dat het paters waren van de Orde van de Heilige Drievuldigheid maar toen zij op 
hem af kwamen vluchtte hij in paniek. Tijdens de derde reis van Columbus werden blanken 
gerapporteerd die op de Venezolaanse kust Paria woonden. Hierover melden de kroniekschrijvers:
“Het waren allervriendelijkste mensen die ons ontvingen alsof zij ons al van vroeger kenden”.

Columbus heeft deze verhalen over blanke indianen altijd zwijgzaam aangehoord.

Na de ontdekking van Guanahaní op 12 oktober 1492 nam Columbus een aantal indianen van dat eiland mee 
en hij ondervroeg hen tot uit en treuren over een berg die Montecristi heette. Hij legde geduldig uit dat deze 
berg een conische vorm had alsof het een liggende dromedaris was en dat er vlakbij een goudmijn moest 
zijn. De indianen noemden deze streek Cibao en Columbus redeneerde dat dit in hun taal Cipango, dus Japan, 
moest zijn. Groot was Columbus’ vreugde toen hij op 4 januari 1493 de berg Montecristi zag van het eiland dat 
hij Española zou noemen. Toen wat later de goudmijn werd ontdekt was hij ervan overtuigd dat hij in Japan was.

De bemanningsleden vroegen Columbus hoe hij aan de informatie kwam van de berg Montecristi in de vorm 
van een liggende dromedaris en de goudmijn in de buurt. De admiraal keek peinzend voor zich uit en deed 
alsof hij van niets wist.

Op een strategische plaats op Española, waar Columbus vermoedde dat er een voorraad mineralen in de 
grond zat, gaf de admiraal zijn mannen de opdracht de versterking “Santo Tomás” te bouwen. 
Bij het aanleggen van de fundering werd een “strooien nest” met vier stenen kanonkogels gevonden. 
Deze kogels konden zo gebruikt worden voor de tien middeleeuwse bombarda kanonnen van Columbus’ 
lievelingsschip La Niña.

De zeevaarder uit Genua deed alsof hij zeer verbaasd was maar zweeg hierover in alle talen.

Het eiland Guadalupe, dat op 4 november 1493 werd ontdekt, leverde voor de Spanjaarden een grote verrassing op. 
In een dorpje werd een ijzeren stoofpot gevonden waarin een menselijke nek lag te koken. 
De indiaanse bewoners kenden geen metalen.

Op de vraag van sommige bemanningsleden of de stoofpot uit Spanje afkomstig kon zijn gaf Columbus geen antwoord.

Cristoffel Columbus gaf zijn broer Diego in december 1493 de opdracht om een paar eilanden voor de kust van 
Venezuela en de kust van het vasteland zelf te onderzoeken. De admiraal gaf Diego precieze aanwijzingen 
hoe hij moest varen en dat hij goed moest uitkijken naar parelgronden. Diego kwam een paar maanden 
later zo overladen met parels terug dat Christoffel Columbus eind 1494 voor een korte tijd zelf naar dit gebied 
ging en daar een grote hoeveelheid zelf insloeg. Deze laatste reis heeft Columbus nooit gerapporteerd en 
de Spaanse vorsten waren zeer ontstemd toen dit verhaal via bemanningsleden uitlekte.    

Toen Jamaica in 1494 in zicht kwam om ontdekt te worden sprak Columbus de volgende woorden:
“Mijne heren, ik wil jullie nu meenemen naar de plaats van waaruit een van de drie koningen is vertrokken 
om Christus te vereren. Deze plaats heet Saba”. De bemanning hoorde van de inwoners dat het eiland 
Soba werd genoemd. Hierop antwoordde Columbus dat zij de naam niet goed uitspraken en dat Saba de 
correcte naam was. 

De wetenschappers zijn het er nog steeds niet over eens of Christoffel Columbus in de 15de eeuw de 
eerste Europeaan is geweest die Amerika heeft ontdekt. Op Cuba bestond in die tijd onder de Taino’s 
een legende dat er lange blanken met baarden, goden, afkomstig uit de zee, het eiland hebben bezocht. 
Het lijkt onwaarschijnlijk dat de blanken, die op de reizen van Columbus in Amerika zijn gezien, 
nazaten waren van Alonso Sánchez de Huelva en zijn bemanning want de oudsten zouden niet ouder 
zijn geweest dan pubers. De vondst van de stenen kanonkogels op Española en van de ijzeren stoofpot 
op Guadalupe duiden op de aanwezigheid van mensen uit het Iberische Schiereiland. 

Columbus heeft geen gebruik kunnen maken van de kennis van de gebroeders Pinzón over de zeeweg 
naar “Brazilië”, want Martín Alonso Pinzón, kapitein van de Pinta, ontpopte zich tijdens de reis als 
een rivaal van de admiraal, die zelf met de eer van de ontdekking van Azië wilde opstrijken.. 
Op 6 oktober 1492 stelde   Martín Alonso Pinzón Columbus voor om vanaf die dag  Z.W.t.W te sturen 
omdat men dan eerder in Japan aan zou komen. Columbus bleef de westelijke koers volgen en de 
gebroeders Pinzón kwamen in opstand: zij dreigden met een muiterij. Columbus, die geen ruzie 
wilde, onderhandelde en de gebroeders Pinzón, die naar huis wilden, hielden zich gedeisd. 
Varend voor de kust van Cuba op 21 november 1492 ging Martín Alonso Pinzón zonder toestemming 
van Columbus ervan door omdat hij van een indiaan had gehoord dat Japan, waar het goud voor het 
oprapen lag, vlakbij was. Op 6 januari 1493 voegde Martín Alonso Pinzón zich weer bij Columbus 
op het eiland Española en maakte excuses. Tot grote verbijstering van Columbus hadden alle 
bemanningsleden van Martin Alonso goudklompjes bij zich. Christoffel beklaagde zich hierover in zijn 
logboek, slikte en zweeg.

De plaats van de Maagdeneilanden, de plaats en naam van de Montecristi op Española plus de 
goudmijn in de buurt, de parelgronden in Venezuela en de anekdote op het eiland Saba duiden 
op voorkennis van Columbus. Die kennis zou dan afkomstig moeten zijn van Alonso Sánchez de Huelva.

Het schip  Atlante van Alonso Sánchez de Huelva had 20 bemanningsleden toen het schipbreuk leed in 
1478 op de noordkust van Española. De Spanjaarden werden als goden behandeld omdat zij blank waren, 
langer waren dan de indianen en omdat zij baarden hadden. 
Aan vrouwen hadden de Spanjaarden geen 
gebrek. De voor hen goedaardige vorm van syfilis, waaraan de inheemse bevolking leed, was op den 
duur fataal voor de Europeanen. De indiaanse mannen hielpen bijna twee jaar lang bij het repareren 
van het schip.
Alonso Sánchez de Huelva tekende kaarten van de omgeving  en schreef de vaarroutes op 
die de indianen hem vertelden.
  

Voor de bewoners van de zuid-Spaanse stad Huelva is hun stadsgenoot Alonso Sánchez de Huelva de 
eerste Europeaan die Amerika heeft ontdekt. Zij eren hem met een standbeeld in de stad, een 
onderwijsinstelling plus een park zijn naar hem genoemd en de reddingsboot in de haven draagt zijn naam.

     


 dibola
           Cibola

jan II van Portugal
Koning Jan II van   Portugal

Vlaming kreeg voor Columbus kans Amerika te ontdekken

Voordat Christoffel Columbus de Spaanse vorsten voor zijn reis op kosten van de Spaanse staat 
benaderde had hij het geprobeerd bij Jan II, de koning van Portugal. In die tijd was Portugal weer 
in de greep van de “Legende van Cibola” uit de achtste eeuw. Volgens deze legende zouden door 
de komst van de islam zeven bisschoppen met met leden van hun congregaties vanuit Lissabon 
zijn vertrokken naar een eiland in het westen waar zij op “Antilia” zeven steden van goud stichtten.

Koning Jan II van Portugal  luisterde aandachtig naar het verhaal van Columbus maar wees in 1484 
de eisen af. De Portugese vorst vond Columbus een arrogante zeevaarder en knoopte de 
informatie over de westwaartse zeeweg naar Azië in zijn oren. De Portugese vorst gaf in 1486
de Vlaming Ferdinand van Olmen, in Portugal
Fernão d’ Ulmo genoemd, de kans om via het 
westen Antilia te ontdekken op onder meer de volgende condities: “Hij zou kapitein worden 
van alle door hem ontdekte landen, met alle inkomsten en rechten, inclusief de strafrechtspraak 
met de macht tot het veroordelen tot de wurgpaal en het opleggen van andere straffen’. 
Na juni 1487 is Ferdinand van Olmen uit de geschiedenis verdwenen: óf hij leed na zijn vertrek 
uit de Azoren schipbreuk óf hij is niet vertrokken.

      :

Fransman ontdekte Amerika voor Columbus

De Fransen zijn er nooit in geslaagd om Jean Cousin uit Dieppe op de wereldranglijst van 
de Europese ontdekkers van Amerika te krijgen.

Jean Cousin voer in 1488 met een Normandisch schip via de Azoren naar Afrika. Op deze boot 
monsterden de Spaanse gebroeders Vicente Yañez en Martin Alonso Pinzón aan als 
stuurlui/vertalers. Bij de Azoren dreef een storm het schip naar de kust van Brazilie. 
Bij terugkomst in 1489 wilden noch Spanje, noch Portugal het verhaal geloven. 
De documenten over deze Franse ontdekking van Amerika zijn verloren gegaan toen in 
1694 een  Nederlandse en Engelse vloot het oude stadsgedeelte van Dieppe vernietigde.

 
           


 Pedro Alvarez Cabral
 Pedro Álvarez Cabral

Spanjaard ontdekte Brazilië

Vast staat dat de Spanjaard Vicente Yánez Pinzón op 26 januari 1500 voet heeft gezet in 
Brazilië. Ondanks zijn ontdekking kon Pinzón deze niet voor Spanje opeisen omdat 
dit gebied volgens het Verdrag van Tordesillas toebehoorde aan Portugal.

De Portugezen leren dat Brazilië op 22 april 1500 is ontdekt door de Portugees 
Pedro Álvarez Cabral. 

   

 copyright Peter Hattink De verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.

terug naar Petites Histoires

Terug naar de voorpagina