Hatuey,
het Taíno-stamhoofd van de streek Guahaba (nu
Haïti), had
schoon genoeg van de Spaanse bezetter.
Hij had met lede ogen gezien hoe
de
belastingen - goud en voedsel- jaarlijks hoger werden. Met de
aangekondigde verhoging
van de belastingen in 1511 was voor hem de maat vol. Hij nam het
besluit met
zijn familie en met zijn stam te emigreren naar de streek van zijn
vriend Guam
op Cuba; een eiland waarvoor de Spanjaarden wegens gebrek
aan goud nog
niet
veel belangstelling hadden getoond. Als ervaren kanoër kende
hij de kusten van
Hispañola
en van Cuba als geen ander. Begin 1511 vertrok hij
in snelle
Taínokano’s met ongeveer vierhonderd onderdanen.
Guam
ontving Hatuey en zijn volk gastvrij op zijn land in het oosten van
Cuba. Met verbazing luisterde Guam en zijn stamleden naar de verhalen
van
Hatuey over de slechtheid van de Spanjaarden. Hatuey merkte dat
veel
van de
Taíno’s op Cuba nauwelijks konden geloven wat hij
zei. Daarom liet hij een mand
vol goud en juwelen
zien waarbij hij zei:
“Hier
zien jullie de god van de
christenen. Laten wij -als jullie het goed vinden- eromheen
dansen.
Misschien
zal dit in goede aarde bij de god van de christenen vallen waardoor hij
ze (de
Spanjaarden)
opdraagt
ons niet lastig te vallen”.
Hierop
antwoordden Guam en zijn stamleden enthousiast: “Prima,
prima!”
Zij dansten om de mand tot zij er
bijna bij neervielen. Hatuey voerde
de show
naar een climax met de volgende woorden:
“Kijk eens; als wij deze mand
houden zullen zij ons doden om hem af te pakken. Laten wij hem in
de
rivier
gooien!”
Zo
belandde de mand met goud en juwelen in de dichtstbijzijnde rivier.
Hatuey
en zijn volk leefden vredig aan de kust op oost-Cuba tot dat
begin oktober 1511 kapitein Diego
Velásquez op oost-Cuba
landde en de stad Baracoa stichtte. Hierop
trok Hatuey met zijn volk de bergen van
de Sierra Maestra in om de
Spanjaarden
van daaruit te belagen. De Taíno’s probeerden de
Spaanse indringers
bijna drie maanden lang met guerrillatactieken te verdrijven
totdat een van hen in
Spaanse
handen viel.
De gedetineerde, die bij zijn verhoor afschuwelijk
gemarteld werd,
sloeg door. Kort daarop werd Hatuey in
zijn kamp door de Spanjaarden
overmeesterd en als gevangene afgevoerd. Kapitein Velásquez,
die een
voorbeeld wilde stellen, veroordeelde Hatuey wegens opstand
tegen het Spaanse
gezag tot
de brandstapel:
een straf die totnogtoe alleen was gebruikt tegen
ketters.
Het
doodvonnis van Hatuey werd op 2 februari 1512 voltrokken in het
Spaanse legerkamp te Yara, een
gehuchtje vlakbij Bayamo. Het indiaanse
stamhoofd stond al met de handen op de rug vastgebonden tegen
een paal
op de
brandstapel toen de Spaanse priester Estéban Olmedo hem
probeerde de beginselen
van
het christelijke geloof uit te leggen. De geestelijke zei dat het
beetje
tijd dat de beulen hem nog gaven
genoeg was om -als hij alles zou
geloven- hij
naar de hemel zou gaan, waar er eeuwige glorie en rust zou
zijn.
De
franciscaan
wees er op dat -als hij dit niet zou geloven- hij naar de hel zou gaan
om voor
eeuwig
martelingen en straffen te ondergaan. Hatuey, die nog nooit iets
over
deze mogelijkheden had gehoord,
vroeg de priester of christenen naar de
hemel
gingen. Hierop antwoordde de geestelijke van ja,
waarbij hij aantekende
dat
alleen de goede christenen naar de hemel konden gaan.
Hierop reageerde
het
stamhoofd onmiddellijk door te zeggen dat hij beslist niet naar de
hemel wilde,
maar naar de hel omdat hij niet bij de Spanjaarden wilde zitten en ook
niet
zulke wrede mensen
om zich heen zou willen hebben.
Met
tranen in de ogen zag de franciscaan Estéban Olmedo het
trotse
stamhoofd Hatuey in de vlammen
omkomen. Hij trok het zich zo aan dat hij per
eerste gelegenheid terugkeerde naar Spanje.
De
geestelijke Bartolomé de las Casas, de eerste verdediger van
de
Mensenrechten in de Spaanse kolonie,
die het geval Hatuey in 1552
beschreef in
zijn boek: “Brevísima Relación de la
Destrucción de las Indias*”,
voorzag deze
geschiedenis van het volgende cynische commentaar: “Dit is de roem en de eer die
God en
ons geloof hebben gewonnen met de
christenen die naar de Indieën zijn gegaan”.
De moed
van stamhoofd Hatuey, de eerste nationale held van Cuba, schiep
in de zestiende eeuw de legende
van “Het Licht van
Yara”. Volgens de verbale
overlevering verscheen er zolang Cuba een kolonie was
elke nacht boven
Yara een
licht als symbool van de kracht van verzet. De Cubaanse
landeigenaar
Carlos
Manuel de Céspedes gebruikte deze mythe voor zijn
“Schreeuw van Yara”, het
startsein op
10 oktober 1868 van een tienjarige oorlog tegen de
Spanjaarden. In
deze oorlog, bevrijdde
Carlos
Manuel de
Céspedes al zijn slaven en riep met behulp van de
“Grito de Yara” om de
onafhankelijkheid
van Cuba.
Voor
veel Cubanen hebben Fidel Castro, zijn broer Raul en Ernesto Che
Guevara, gevoelsmatig
iets gemeen met het dappere stamhoofd Hatuey. Net
zoals
de indiaanse leider begonnen zij
-bijna vierhonderdvijftig jaar later-
vanuit
hun versterkingen in de bergen van de Sierra Maestra
de strijd tegen
hun
vijand.
*
De
vertaling van dit boek verscheen voor het eerst te Antwerpen in 1578
onder de
titel “Kort Relaas van
de Verwoestingen
van
de West
Indiën”. In Amsterdam werd dit
een jaar later herdrukt onder de titel “Spieghel der
Spaensche Tirannye in
West
Indiën. Dit boek,
dat ook in het Engels
en Frans is vertaald, groeide in de zestiende eeuw uit tot het
belangrijkste
propagandamiddel
tegen Spanje en
schiep de
“Spaanse Zwarte Legende”.
|