“Petites
Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika
Deze
verhalen gaan over de achterkant van historische
gebeurtenissen, die door officiële
geschiedschrijvers zelden
vanuit de mens
zelf is verteld.
| 1519 Zelfs niet Eenzaam en Alleen | ||
|---|---|---|
![]() Vasco Núñez de Balboa ![]() Honden verscheuren Indianen ![]() Route Vasco Núñez de Balboa ![]() De ontdekking van de Stille Oceaan ![]() Pedrarias ![]() Isla del Rey ![]() Juan de Quevedo ![]() Pizarro |
Voor
de twaalfjarige Anayansi, de dochter van Chima, het hoofd van de
Caretastam aan de noordkust van Panama, waren de drie blanke bebaarde
mannen
heel grappig. Toen zich in het voorjaar van 1510 het gerucht
verspreidde dat er
drie vreemdelingen in de bossen ronddoolden had zij er bij haar vader
op
aangedrongen ze te vangen. Als nieuwsgierig meisje wilde zij wel eens
weten hoe
zij waren, hoe ze keken, wat zij aten, hoe ze spraken en of ze goede
jagers
waren. Van
de drie baardmannen, die zich als slaven van hoofdman Chima zeer vrij
konden bewegen, maakte Juan Alonso de meeste indruk op de indiaanse
prinses.
Hij was groot en sterk en hij leerde snel de taal dank zij de vrouw die
haar
vader voor hem had uitgezocht. Het was Anayansi opgevallen dat de
Spanjaarden
onderling altijd hard spraken met drukke gebaren alsof zij veel ruzie
maakten.
De indiaanse prinses had van de vrouwen van de drie Spanjaarden gehoord
dat zij
ongestraft de mannen recht in de ogen mochten kijken. Niemand in het
gebied van
Careta’s maakte zich druk toen op een dag een van de
Spanjaarden dood werd
aangetroffen. Wel liep iedereen uit toen Juan Alonso ruzie kreeg met de
andere
Spanjaard en hem met een zwaard verwondde. Chima was zo enthousiast
over de
vaardigheden van Juan Alonso dat hij hem prompt als veldheer van de
Caretastam
benoemde. Chima
had het gerucht gehoord van “een Blanke Chef” ofwel
een “Tibá
Blanco”; een man met buitengewone gaven, die door iedereen
bewonderd werd en
waaraan alle stammen zich onderwierpen. Deze “Tibá
Blanco” scheen rond te
zwerven in de bossen in de buurt van de streek Cueva, waarover Chima
zeggenschap had. Het stamhoofd van de Careta”s had zijn volk
verboden om met
Juan Alonso en zijn soortgenoot te praten over het gerucht van de “Tibá
Blanco”. De
spionnen van Chima hadden hem voorbereid op de komst van de “Tibá
Blanco”, die met honderddertig soldaten
op weg was naar zijn dorp. Begin mei 1511 ontving de hoofdman van de
Careta’s
Vasco Núñez de Balboa met alle egards. Juan
Alonso, die per toeval door de
Spanjaarden was gevonden, vertaalde de conversatie tussen de beide
heren. Op de
vraag van Vasco
Núñez de Balboa of hij
voedsel voor zijn troepen kon leveren zei Chima dat hij niets had omdat
hij in
oorlog was met het naburige stamhoofd Ponca. Juan Alonso vertelde de
Spaanse
commandant dat dit niet waar was en dat hij het dorp van Chima
‘s nachts moest
overvallen om werkelijk grip op deze stam te kunnen krijgen. Onder
het uitroepen van de Spaanse strijdkreet “Santiago”
is het indiaanse
dorp die nacht overvallen. De Careta’s waren zo verbluft over
de aanval dat de
meesten vluchtten. Juan Alonso leidde de Spanjaarden naar de
verblijfplaats van
Chima en zijn familie, die zich terstond overgaf. Alle indianen werden
afgevoerd naar een Spaans militair kamp in Darien. Vasco
Núñez de Balboa stond erop dat alle gevangenen
goed werden behandeld.
Op een moment sprak Chima de Spaanse commandant rechtsstreeks aan: “Waarom
houd je mij gevangen? Ik heb je
niets gedaan, noch ben ik uit op wraak. Als je graan wilt hebben, zoals
je
eerder hebt gevraagd, laat mij dan vrij. Ik beloof je dat mijn mensen
hun
velden zullen bewerken en dat het jou en jouw volgelingen aan niets zal
ontbreken. Laten wij een vriendschapsverdrag sluiten en als garantie
bied ik je
mijn dochter als vrouw aan. Zij is eerlijk en zij zal je trouw dienen.
Laat ons
vrienden worden! De
Spaanse commandant zag de voordelen van een alliantie snel in. Zonder
het stamhoofd te laten merken dat zijn hart in zijn keel klopte door
zijn verliefdheid
op zijn dochter antwoordde hij: “Laat
het
zo zijn zoals u zegt!”. Vasco
Núñez de Balboa ging ermee akkoord om Chima in
zijn strijd tegen
naburige stammen te steunen. Chima en zijn familie werden gedoopt: Het
stamhoofd van de Careta’s kreeg de doopnaam
“Fernando”, zo genoemd naar de
Spaanse koning. De dochter van Chima kreeg de naam Anayansi en voelde
zich op
een bijzondere manier gelukkig. Als lievelingsdochter van haar vader
had zij
het hoogste bereikt wat zij kon: zij was uitgehuwelijkt aan de
“Tibá Blanco”. Na
het doopfeest van de familie van Chima gingen alle Careta’s
terug naar
hun dorp, behalve Anayansi: zij begon aan de grootste liefde van haar
leven. Anayansi
leerde Vasco Núñez de Balboa dat het tijdsbesef
van de indianen
heel anders werd beleefd dan door zijn volk. Volgens de indiaanse
interpretatie
hield men zich correct aan een afspraak als men de overeengekomen
belofte
vervulde; dit kon rustig vier dagen later geschieden dan dat de
buitenlanders
in gedachten hadden. Instant tijdsoplossingen bestonden voor de
inheemsen niet.
Ook leerde de indiaanse prinses de Spanjaard dat hij zich elke dag
-liefst twee
maal- moest wassen in plaats van er stinkend bij te lopen. Vasco
Núñez de Balboa bracht Anayansi de Spaanse humor
bij: soms kinderlijk
lachen om niks, soms lachen om een understatement. Gelaten hoorde
Anayansi aan
als hij probeerde uit te leggen hoe het temperament van de Spanjaarden
een
natuurlijk iets was. Zij begreep niets van het individualisme van de
vreemdelingen dat dikwijls belangrijker scheen te zijn dan de
gemeenschappelijke doelstelling van de groep Spanjaarden. Anayansi
moest heel
erg wennen aan de Spaanse bloedhond Leoncico, de trouwe metgezel van
haar
minnaar Vasco Núñez de Balboa: zij vond het beest
een veel te groot huisdier
dat in tegenstelling tot de Amerikaanse honden kon blaffen. De
liefde tussen Anayansi en Vasco Núñez de Balboa
bleef niet onopgemerkt
en ontwikkelde zich tot een diepe kameraadschap. Zij wees haar Spaanse
man erop
met wie hij wel of niet bondgenootschappen kon sluiten. Hij op zijn
beurt
vertelde haar
zoveel mogelijk hoe zijn
expedities waren verlopen. Bisschop Bartolomé de las Casas,
de beschermer van
de indianen, vond deze Spaanse veroveraar een gematigd mens. De
geestelijke
schreef over Anayansi: “Zij hield
ontzettend veel van Vasco Núñez en zij beminde
hem zeer”. Anayansi
luisterde ademloos naar het verhaal van Vasco
Núñez de Balboa toen
hij het machtige stamhoofd Comogre had bezocht. De gemeenschap van
Comogre
woonde in grote hutten van honderdvijftig bij tachtig voet, die voor de
Spanjaarden van buiten op kleine kathedralen leken. Een grote indruk
maakte het
grote paleis van Comogre, waar in een kamer de mummies stonden van de
voorvaderen van het stamhoofd. De mummies droegen op de katoenen
wikkels gouden
borstplaten, gouden kettingen en edelstenen. Hoogtepunt van het bezoek
van de
Spanjaarden aan Comogre was het geschenk van het stamhoofd. Na een
uitgebreide
maaltijd kregen zij zeventig slaven en een groot aantal gouden beeldjes
van
mannen, vrouwen en dieren zoals jaguars en vogels. De
Spanjaarden toonden geen enkele belangstelling voor de slaven. Tegen
alle regels van wellevendheid in begonnen zij onmiddellijk op hun
meegebrachte
weegschaaltjes het goud te wegen. Op bevel van Vasco
Núñez de Balboa zetten zij
de voorgeschreven belastingbijdrage -het vijfde deel van het totale
gewicht-
apart voor de Spaanse koning. Daarna begon een enorme ruzie over de
verdeling
van de gouden beeldjes. De ruzie liep zo hoog op dat Ponquiaco, de
oudste van
de zeven zonen van Comogre, ingreep: “Wat
is dit, Christenen? Maken jullie
ruzie om zo’n onbenulligheid? Als jullie zo dol zijn op goud
dat jullie alle
moeite doen om het in handen te krijgen en jullie de vreedzame mensen
van dit
land hiervoor afmatten en jullie, ondanks al het werk dat jullie
hebben, jullie
eigen land verlaten, zal ik jullie een gebied laten zien waar jullie
wens in
vervulling gaat. Wil dit allemaal lukken dan moeten jullie wel met meer
mannen
zijn dan nu want jullie krijgen te maken met machtige vorsten, die hun
land tot
het uiterste zullen verdedigen. Een van de eersten, die jullie op deze
weg
zullen vinden is koning Tubanamá, wiens grondgebied -vanaf
hier zes zonnen
gaans- een overvloed heeft van dit goud, dat jullie als rijkdom
interpreteren!”, riep
Ponquiaco geirriteerd uit. Vasco
Núñez de Balboa en zijn mannen luisterden
gefascineerd naar de
vertaling van Juan Alonso. Na enig aandringen van de Spanjaarden
vertelde
Panquiaco dat hij hun zou vergezellen naar een grote zee in het zuiden,
die grensde
aan een groot rijk dat op een afstand van “zes
zonnen” -zes dagen reizen- lag .
Ook vertelde de zoon van het stamhoofd dat de mensen van dat rijk boten
hadden
met zeilen en roeiriemen, die min of meer leken op de schepen van de
Spanjaarden. Vasco Núñez de Balboa legde Anayansi
uit dat hij niet zou rusten
voordat hij dat rijk zou hebben bezocht aan de
“Zuidzee”. Anayansi,
die het vertrouwen genoot van andere indiaanse vrouwen die met
Spanjaarden leefden, voelde zich heel gelukkig met Vasco
Núñez de Balboa. Een
jaar nadat zij haar minnaar had leren kennen vond zij hem nog steeds
attent en
zij verheugde zich altijd op zijn terugkomst van een expeditie.
Plotseling kwam
in juni 1512 haar broer, die in dienst was van het stamhoofd
Cémaco, op bezoek.
Aandachtig luisterde zij naar zijn boodschap:
“Allerliefste
zus, luister goed naar
wat ik je nu ga zeggen en hou het voor je want zoniet, dan raken wij
onze
vrijheid en ons leven kwijt. Hou je mond als je voor jezelf en voor
onze gehele
natie het beste wilt. Je hebt al gezien hoe slecht die christenen zijn.
Besef
dat de heren van dit land het besluit hebben genomen er niet langer
onder te
lijden. De vijf heren Cémaco, Abibeiba, Abraiba, Abenamachei
en Dabaibe hebben
afgesproken dat zij op een dag korte metten met hun zullen maken. De
aanval zal
geschieden over water en land en hiervoor worden honderd
kano’s en vijfduizend
man ingezet, die voorzien
van knuppels.
Om te troep te kunnen voeden zijn er veel levensmiddelen opgeslagen in
het dorp
Tichirí. De
broer van Anayansi keek haar doordringend aan, pakte haar vast en sprak
tot slot: Daarom,
lief zusje, moet je, zodra je
gewaarschuwd wordt, je verstoppen en goed op jezelf passen want in het
onoverzichtelijke oorlogsgeweld kijken de strijdende partijen niet of je vrouw bent en word je
onherroepelijk gedood
of mishandeld.” De
verliefde Anayansi vertelde Vasco Núñez de Balboa
het verhaal van haar
broer. Onmiddellijk liet de Spanjaard hem komen, zette hem onder druk
en
verplichtte hij hem alles op te biechten. Zo snel als hij kon ging
Vasco Núñez
de Balboa met zeventig man naar het dorp van Cémaco en nam
hij de adjudant van
het opstandige stamhoofd en een aantal krijgers gevangen. Daarna begaf
hij zich
naar Tichirí, waar de indiaanse legers zich zouden
verzamelen voor de aanval.
Hij liet de coördinator van de opstand en vier andere
indiaanse leiders
fusilleren en nam hij alle levensmiddelen, die daar lagen opgeslagen,
in
beslag. Met deze bliksemactie vestigde Vasco
Núñez de Balboa de indruk dat de
“Tibá Blanco” helderziend was. “Liefde
overwint alles”,
moet Anayansi hebben gedacht toen zij een paar maanden
later de Spaanse samenzwering tegen haar man Vasco
Núñez de Balboa ontdekte. De
honderdzestig Spanjaarden in het stadje Santa María de la
Antigua hadden gebrek
aan voedsel en de vijanden van Vasco Núñez de
Balboa vonden dit de gelegenheid
om hem als gouverneur af te zetten. De samenzwering stond onder leiding
van
Diego del Corral, die met vier anderen Bartolomé Hurtado, de
boezemvriend van
de gouverneur, wilden ontvoeren om hem uit te horen over Vasco
Núñez de Balboa.
De gouverneur verraste de samenzweerders door plotseling een van hen in
de
gevangenis te laten werpen. Deze kwam weer vrij op voorwaarde dat hij
en zijn
andere vier kornuiten zich onvoorwaardelijk onder het gezag van de
gouverneur
zouden stellen. Natuurlijk zijn er nooit bewijzen gevonden dat Aanyansi
haar
man Vasco Núñez de Balboa heeft gewaarschuwd voor
deze samenzwering. Nooit
heeft Anayansi erop gezinspeeld dat zij en haar indiaanse zusters, die
met Spanjaarden
leefden, soms elkaar’ geheimen deelden. In Panama is men
ervan overtuigd dat
Elvira, de indiaanse minnares van
Diego
del Corral, Anayansi op tijd heeft gealarmeerd om een burgeroorlog
tussen
Spanjaarden en indianen te voorkomen. Vasco
Núñez de Balboa bleef er bij zijn indiaanse
prinses op hameren dat
hij met Ponquiaco naar het gouden rijk zou gaan dat op een afstand lag
van zes
dagen varen over de voor hem nieuwe
zee.
Hij vroeg zich af of dat rijk Japan of China zou zijn. Op 1 september
1513 vertrok
hij vanuit het gebied van zijn schoonvader Chima met ongeveer
honderdtachtig
man en een groot aantal inheemsen naar het zuiden. Zoals afgesproken
wees
Ponquiaco hem de weg. Aanayansi
heeft nooit waardering op kunnen brengen voor het verhaal van
haar minnaar over de vijftig “mannelijke hoeren”,
die hij in de streek Cuareca
liet ombrengen. Op weg naar de “Zuidzee” voerde hij
oorlog in Cuareca, het
gebied van het stamhoofd Torecha, dat hem niet wilde doorlaten. De
veldslag was
een gemakkelijke overwinning en de Spanjaarden namen hierbij de broer
van
Torecha gevangen, die tot hun grote ontsteltenis vrouwenkleren aan had.
Vasco
Núñez de Balboa haalde uit de andere gevangenen
nog negenenveertig
homosexuelen, die allen vrouwenkleren droegen en die zonder enige
schaamte voor
hun geaardheid uitkwamen. Als macho van zijn tijd,
geïndoctrineerd door de kerk
dat homosexualiteit een afgrijselijke zonde was, liet de Spaanse
commandant
deze vijftig indianen levend door de bloedhonden verscheuren en liet
hij hun
stoffelijke resten verbranden. Wel
kon Anayansi meeleven met de emotie die zich van Vasco
Núñez de Balboa
meester maakte toen hij vanaf een bergkam op de ochtend van 25
september 1513
samen met zijn hond Leoncico voor het eerst de
“Zuidzee” zag. Enthousiast vertelde
hij haar: “Ik zag die immense zee,
knielde neer, dankte God en daarna riep ik mijn mensen. Toen zij allen
de
Zuidzee zagen vertelde ik hen: Daar zien jullie, mijn beste vrienden,
wat velen
hebben gewenst. Laten wij God danken, die ons zoveel goeds en zoveel
eer heeft
gegeven. Laten wij hem genadig vragen ons te helpen zodat hij ons helpt
en
begeleidt bij de verovering van het land en de zee, die wij net hebben
ontdekt
en die nooit gezien zijn door christenen. Dat hij ons moge steunen bij
de
verkondiging van het heilige evangelie en de doop. Met de hulp van God
zullen
jullie de rijkste Spanjaarden worden die de Indiën hebben
doorkruist. Jullie
zullen de onderdanen, die de koning ooit een dienst bewezen,
overtreffen en
jullie zullen de eer te beurt vallen dat het aan jullie te danken is
wat men
hier ontdekt, verovert en bekeert tot ons katholiek geloof. Hierna
gaven mijn
mannen mij een omhelzing en hieven wij onder leiding van pater
Andrés de Vera
ontroerd het ‘Te Deum Laudamos’ en het
‘Te Dominum Confetimur’ aan ” Vasco
Núñez de Balboa pauzeerde en keek zijn geliefde
aan. “Ben
je nog in die nieuwe zee
geweest?”,
vroeg Anayansi. “Jazeker..
Pas op 29 september
bereikten wij de Zuidzee. Ik wandelde tot mijn knieën in het
water en toen heb
deze zee op plechtige wijze in bezit genomen voor onze vorsten. Daarna
proefden
wij hoe zout het water was”. De
indiaanse jaloezie en eerzucht onder mannen kennende had Anayansi niet
veel moeite met het begrijpen van de rivaliteit tussen Vasco
Núñez de Balboa en
de in 1514 aangekomen nieuwe kapitein-generaal en gouverneur van het
Vasteland
van Amerika, Pedro Arias Dávila, kortweg Pedrarias genoemd.
De reden van
Pedrarias’ ongelooflijke haat tegen
Núñez de Balboa was dat hij er zelf op uit
was geschiedenis te maken door een nieuwe zee te ontdekken en hij er
bij zijn
aankomst te Panamá achter kwam dat Vasco
Núñez de Balboa dit al had gedaan.
Daarnaast verfoeide de nieuwe gouverneur van het Vastland
Núñez de Balboa om
zijn succes als pionier, zijn oplossingsgerichte manier van handelen en
het
respect dat hij genoot bij de inlandse bevolking. Van het begin af aan
wist
Pedrarias via juridische kunstgrepen de bewegingsvrijheid te belemmeren
van de
ontdekker van de Stille Oceaan. Een extra doorn in het oog van
Pedrarias was
dat Koning Ferdinand op een gegeven moment Núñez
de Balboa tot gouverneur van
“Het Nieuwe Land Coíba en Panama” had
benoemd. Als
wraak op spraakmakend particuliere goudzendingen van Vasco
Núñez de
Balboa naar de Spaanse vorst zou Pedrarias laten zien dat expedities,
gefinancierd door de Spaanse koning, ook iets in hun mars konden
hebben. De
gouverneur van het Vasteland benoemde in april 1515 zijn neef Gaspar de
Morales
als expeditieleider met als tweede man Francisco Pizarro, de latere
veroveraar
van Peru. Met tachtig man zouden ze de kust en de eilanden van de net
ontdekte
Zuidzee afstropen. Uiteraard vertelde Pedrarias niet dat deze expeditie
plaats
zou vinden in het gebied dat nu onder het gouverneurschap van
Núñez de Balboa
viel. De
tocht van noord naar zuid over land werd een massaslachting onder de
indianen. Het door Vasco Núñez de Balboa genoemde
“Isla Rica”, het “Rijke
Eiland”, werd op geheime instructie van Pedrarias omgedoopt
tot “Isla de las
Flores”, alsof het om een ander eiland ging. Toé,
het stamhoofd van “Isla
Rica”, dat tegenwoordig “Isla del Rey”
heet, moest in mei
1515 zijn leven afkopen met een groot
aantal parels, waaronder een heel bijzondere: “La
Peregrina”, een peervormige
parel van 31 karaat, helemaal gaaf en prachtig van kleur. Anayansi
was woedend toen zij hoorde dat bijna alle twintig bevriende
stamhoofden omgekomen waren door de wrede acties van gouverneur
Pedrarias en
zijn trawanten. Zij was heel verdrietig toen zij hoorden dat
Toé, het stamhoofd
van “Isla Rica” en de grote vriend van haar minnaar
Vasco Núñez de Balboa, naar
het vasteland was gevlucht omdat hij op zijn eiland een nieuwe invasie
van de
Spanjaarden vreesde. Anayansi was ontroostbaar toen zij begin 1516
hoorde dat
haar vader was omgekomen bij een van de Spaanse acties in zijn gebied. Vasco
Núñez de Balboa besefte dat zijn initiatieven
steeds werden geremd
door gouverneur generaal Pedrarias. Met een aantal vrienden richtte hij
in
januari 1516 de “Maatschappij van de Zuidzee” op,
die tot doel had het
“Goudland” te veroveren en te exploiteren. Hij
stuurde zijn beste vriend
kapitein Andrés de Garabito naar Cuba om manschappen te
zoeken voor zijn
veroveringstocht. In een recordtijd verzamende Garabito zestig man.
Pedrarias
was woedend toen hij ontdekte dat Vasco Núñez de
Balboa zonder zijn toestemming
zestig man uit Cuba had laten overkomen: hij liet hem onmiddellijk
arresteren. Het
personeel van gouverneur Pedrarias was al gewend aan de rare gewoontes
van hun baas zoals de Spaanse doodskist, die hij in zijn ambtswoning
had staan.
Men geloofde het bizarre verhaal dat Pedrarias eens in Spanje in coma
was
geraakt zodat men dacht dat hij was overleden. Tijdens de mis voor zijn
zielenrust kwam hij weer tot leven en stapte hij moeizaam uit zijn
kist.
Dankbaar voor zijn “wederopstanding” sleepte hij
zijn doodskist naar elke
nieuwe woning mee. De bouw van een kooi op de patio om een gevangene in
te
zetten was voor het huispersoneel van Pedrarias een complete
verrassing. De
kooi was bestemd voor de populaire Vasco Núñez de
Balboa, want de gouverneur
van het Vasteland was bang dat vrienden en sympathisanten hem uit de
gevangenis
zouden bevrijden. De
minnares van Vasco Núñez de Balboa wist dat
bisschop Juan de Quevedo
altijd opkwam voor haar man als gouverneur Pedrarias hem lastig viel.
Zij heeft
nooit geweten dat de geestelijke leider als poging tot verzoening van
de twee
kemphanen Pedrarias in februari 1516 voorstelde een van zijn dochters
uit te
huwen aan Vasco Núñez de Balboa. De gouverneur
van het Vasteland had moeite met
het voorstel, maar hij ging er op in omdat zijn echtgenote Vasco
Núñez de
Balboa een zeer geschikte kandidaat vond voor een strategische
familiealliantie. Na de vrijlating uit zijn kooi bood Pedrarias zijn
rivaal
-“met excuses voor zijn vergissing”- een soort
wurgcontract aan, waarin het
functioneren van Vasco Núñez de Balboa als
gouverneur van Coíba en Panama
afhankelijk werd gesteld voor het huwelijk met zijn oudste dochter
Maria
Peñalosa, die van niets wist en in Spanje in een klooster
zat. Anayansi heeft
nooit geweten dat haar Spaanse man werd uitgehuwelijkt. Vasco
Núñez de Balboa vond het huwelijkscontract met
Maria de Peñalosa een
erkenning van zijn verdiensten jegens Spanje maar hij vond deze
overeenkomst
geen reden om zijn indiaanse geliefde aan de kant te zetten.
Integendeel: mede
op aandringen van Anayansi verzon hij een list
om het “Goudland aan de Zuidzee”
op een “afstand van zes zonnen” te
veroveren en hiermee de Spaanse vorst te plezieren. Als directeur van
de Maatschappij
van de Zuidzee en als gouverneur van “Het Nieuwe Land
Coíba en Panama” verzocht
hij begin 1517 zijn
“schoonvader” om een
bijdrage voor een inspectietocht in zijn gebied. Tot
Núñez de Balboa´s grote
verbazing honoreerde de gouverneur van het Vasteland zijn verzoek met
een
geldsom plus tweehonderd soldaten en dertig Afrikaanse slaven. Als
basis voor de voorbereidingen van zijn titanentocht koos Vasco
Núñez de
Balboa het havenstadje Acla aan de Atlantische Oceaan. Zijn geliefde
Anayansi
kwam daar bij hem
inwonen. Andrés de
Garabito, de beste vriend van Vasco Núñez de
Balboa, werd hopeloos verliefd op
haar. Bij een
hartstochtelijke poging om
haar te versieren, waarbij hij zijn vriendschap met Vasco
Núñez de Balboa
volkomen vergat, liep een blauwtje. De zich zeer beledigd voelend
indiaanse
prinses stuurde de hond Leoncico op haar belager af. Later heeft
Anayansi het
voorval uitgebreid aan haar minnaar verteld. Andrés
de Garabito reageerde impulsief door onmiddellijk Leoncico te
vergiftigen. Hij kon niet accepteren dat een hond “die
getraind was om indianen
in het gareel te houden of te verscheuren” door een indiaanse
was ingezet om
een Spanjaard onder controle te houden. De
donderpreek van Vasco Núñez de Balboa, waarin hij
stelde dat echte
vrienden nooit elkaars
vrouwen lastig
vallen, laat staan elkaars honden afmaken, bracht hem op de rand van
razernij.
Uiterlijk liet hij in zijn gedrag niets merken, maar stiekem nam hij
wraak.
Woedend over zijn gezichtsverlies schreef hij een brief aan gouverneur
Pedrarias waarin hij vertelde dat Vasco Núñez de
Balboa met de nieuwe expeditie
naar het “Goudland” diens gezag onderuit wilde
halen. In dezelfde brief
waarschuwde hij dat de gezaghebber op zijn hoede moest zijn voor zijn
schoonzoon, die zijn indiaanse liefje Anayansi bleef beminnen en haar
in huis
had genomen. Núñez
de Balboa had van de vader van Anayansi geleerd dat een bepaalde
houtsoort aan de “Noordzee” veel beter was dan de
houtsoorten aan de “Zuidzee”.
Daarom liet hij aan de Atlantische Oceaan hout kappen voor de
constructie van
twee schepen. De tocht naar de “Zuidzee”, waarbij
over land twee complete
schepen plus inhoud werden vervoerd, duurde vier maanden en kostte meer
dan 500
indianen het leven. Eind 1518 was het zover: Vasco
Núñez de Balboa stond op het
punt uit te varen naar het “Goudland” toen hij een
brief kreeg van zijn
“schoonvader”, die hem terugriep
voor
zakelijke belangen. In de mening dat het om iets belangrijks ging legde
hij
gehoorzaam zijn expeditie stil en ging hij met vier vrienden te voet
naar Acla,
het stadje waar de gouverneur generaal hem had ontboden. De lasterbrief
van
Andrés de Garabito over Vasco Núñez de
Balboa was koren op de molen van de
achterdochtige Pedrarias: hij zou de indiaanse naam van het stadje Acla
eer aan
doen: Acla betekent in de lokale taal “Menselijke
Botten”, zo genoemd naar de
onderlinge moordpartijen van de indianen. Als
een “brave schoonzoon” kwam Vasco
Núñez de Balboa zijn oude vriend
Francisco Pizarro, die ook bij de ontdekking van de Stille Oceaan was
geweest,
in Acla tegen. Tot zijn grote verbazing arresteerden de metgezellen van
de
zwijgzame Pizarro hem. Op zijn indringende vraag: ”Wat is dit Francisco Pizarro? Schamen jullie je
niet om mij zo te
ontvangen?” bleef
de laatste het
antwoord schuldig. Hij voerde alleen maar de orders uit van Pedrarias
in de
hoop er beter van te worden. De
sluwe gouverneur Pedrarias maakte slim gebruik van de wetskennis van
Gaspar de Espinoza, de enige rechtsgeleerde in Panama. Deze jurist
stond
onvoorwaardelijk achter Pedrarias en zorgde ervoor dat zijn baas legaal
voor
het proces gedekt werd. Briefschrijver Andrés de Garabito
zou volgens
instructies van advocaat Espinoza door Núñez de
Balboa gedwongen zijn geweest
met vier anderen samen te zweren tegen de gouverneur generaal. Omdat
Garabito
zo voorbeeldig meewerkte in het proces tegen Vasco
Núñez de Balboa zou hij
vrijgesproken worden.
Tegen
de avond van een mooie dag in januari 1519 had een zwijgzame menigte
zich op het plein van Acla verzameld. Een woordvoerder las het door
gouverneur
Pedrarias gedicteerde vonnis voor: “Dit
is de rechtspraak die onze koning beveelt en die Pedrarias, zijn
plaatsvervanger, oplegt aan deze lieden omdat zij verraders zijn, die
op
onrechtmatige wijze zich landerijen hebben toegeëigend, die
tot de Kroon
behoren”. Vasco
Núñez de Balboa, de eerste van de vijf ter dood
veroordeelden, liep
trots naar voren en protesteerde luid en duidelijk: “Deze
aantijging is een valse leugen.
Nooit heb ik in mijn gedrag laten leiden door een dergelijke gedachte
en nooit
heb ik er bij stil
gestaan dat men dit
van mij zou kunnen denken. Van
het begin af aan is het mijn
streven geweest om de koning met de inzet van al mijn vermogens als
trouw
onderdaan te dienen.” Zwijgend
en met een blik op oneindig besteeg de tweeënveertig jarige
Vasco
Núñez de Balboa het schavot. Met afwijzing van
alle hulp legde hij op een
waardige manier zijn hoofd op het blok. Pedrarias keek heimelijk en
genietend
toe door de spijlen van de wand van een hut op nog geen drie meter
afstand van
het schavot. Met een doffe klap deed de beul zijn werk. Het hoofd van
Vasco
Núñez de Balboa rolde over het plein. Als
voorbeeld van hoe landverraad gestraft moest worden liet Pedrarias het
hoofd van Vasco Núñez de Balboa dagenlang op een
staak in het centrum van Acla
staan. Anayansi
bleef in een moeilijke tweestrijd achter. De omgang met Vasco
Núñez Balboa had haar teveel veranderd om nog
langer onder de indianen te
leven, maar zij was niet Spaans genoeg geworden om zich onder de
kolonisten
thuis te voelen. Het liefste was zij als weduwe eenzaam en helemaal
alleen
achtergebleven. Kort
nadat het hoofd van Vasco Núñez de Balboa van het
centrale pleintje in
Acla was verwijderd werd er ‘s avonds op de deur geklopt van
Anayansi´s kleine
woning in Acla. Met alle respect verzochten de Spaanse soldaten haar
dwingend
mee te gaan. Kapitein
Andrés de Garabito had de mooie indiaanse prinses voor zich
opgeëist. Francisco
Pizarro heeft later de droom van Vasco Núñez de
Balboa
gerealiseerd. Hij
was het die het “Goudland” Peru heeft ontdekt en
veroverd. |
| Het
stamhoofd Toé op het Panamese eiland “Isla de las
Perlas”, moest in
1515 “La Peregrina” de bijzondere parel van 31
karaat, in ruil voor het behoud
van zijn leven gedwongen afgeven aan de Spanjaard Gaspar de Morales,
neef van
Pedrarias, de gouverneur van het Vasteland (Panama). Dit juweel werd
onmiddellijk opgekocht door Pedro del Puerto, een Panamese handelaar.
Deze
koopman, die er een forse prijs voor had betaald, kon er ‘s
nachts niet van
slapen en verkocht de parel voor inkoopprijs de volgende dag door aan
Isabel de
Bobadilla, de echtgenote van gouverneur Pedrarias. Zij verkocht -met de
bedoeling de Spaanse keizer gunstig te stemmen voor een promotie van
haar
echtgenoot- op haar beurt deze parel aan Isabel van Portugal, de vrouw
van
keizer Karel V. Zijn zoon Philips II schonk “La
Peregrina” als
huwelijksgeschenk aan Maria Tudor van Engeland. Na een lange zwerftocht
door de
Spaanse koningshuizen kwam deze parel in de negentiende eeuw in handen
van de
familie Napoleon, die deze in Londen doorverkocht aan de adellijk
Engelse
familie Hamilton. De “Peregrina” is in 1969 door de
Amerikaanse filmster
Richard Burton voor U.S. $ 37.000 gekocht als geschenk voor zijn
echtgenote
Elizabeth Taylor. De parel kreeg de naam “La Peregrina”, “de Zwerfster”, pas in de zeventiende eeuw omdat deze van de ene naar de andere koninklijke hals in Spanje zwierf.
![]() Isabel de Portugal Maria Tudor Elizabeth Taylor |
De
verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar
overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.