
Jamaica

Het schiereiland Yucatan

Francisco Fernández de Cordoba

William Hickling Prescott

Jean Fréderic Waldeck

Bernal Díaz del Castillo
|
De
orkaan trof met een ongekend geweld de karveel,
die op 1 maart 1511 uit de Spaanse kolonie
Darién, Panama, was vertrokken naar
Santo Domingo. Het schip, dat onder meer een
aanzienlijke hoeveelheid
gouden
dukaten voor de Spaanse koning aan boord had, verdween
in
de golven
voor de
kust van Jamaica maar zestien man en twee vrouwen konden zich
in een
roeiboot
redden. Onder
leiding van de Spaanse
landrechter Juan de Valdivia
dobberden ze 13 dagen lang op zee. Vijf
mannen
stierven van de dorst, de honger en aan de
brandende zon. Hun lijken
werden in
zee gegooid. Op de
veertiende dag zagen
zij in de
verte
land. Met uiterste
krachtsinspanning roeiden zij naar de kust, waar zij in de monding
van
een
riviertje landden. Na twee weken dronken
ze voor het
eerst
weer zoet water,
sloegen
hun ogen naar de hemel als teken van dank en vielen allen op
het strand
in een diepe slaap.
Hun
diepe slaap op het strand van Mayathan, het
huidige Mayatlán, Belize, werd wreed verstoord door
het
geschreeuw van
beschilderde indianen in oorlogstooi. Voor het stamhoofd was het
aanspoelen van
de
dertien Spanjaarden de aanleiding om een groot feest voor zijn
onderdanen te
houden. Juan de Valdivia
en zes andere mannen werden met messteken in
de borst
voor de ogen van hun landgenoten gedood,
hun vlees geroosterd en
verorberd door
de feestende meute. De twee Spaanse vrouwen moesten
dagelijks
maïs malen en
overleden aan uitputting. De vier overgebleven mannen werden elk in een
kooi
gezet om vetgemest te worden. Gonzalo Guerrero en Jerónimo
de Aguilar, die er
alles voor over hadden
om niet op de feestdis terecht te komen van de
Heer van
Mayathan, braken uit hun “gevangenissen”
en
ontsnapten. Ieder volgde zijn eigen
weg en zij zouden elkaar nog één keer
ontmoeten.
Ook daarna ging ieder zijn
eigen weg.
Gonzalo
Guerrero en Jerónimo de Aguilar raakten in
de vergetelheid. De Spaanse veroveraar Francisco
Fernández
de Córdoba, die in
1517 op de kust van Yucatán landde, moest wegens de felle
aanvallen
van de
indianen uitwijken naar Campeche. Daar hoorde hij voor het eerst dat de
lokale
bevolking de
Spanjaarden aansprak met
“Castiláns”, verwijzend naar de twee,
die
al zes jaar als slaaf op Yucatán
woonden.
Fernández de Córdoba deed niets met
dit gegeven. Twee jaar later zou Hernán
Cortés,
de veroveraar van Mexico, met
wisselend succes een onderzoek naar zijn landgenoten doen.
Overigens
gaf Francisco Fernández de Córdoba wel
de naam aan dit schiereiland van Mexico.
Zijn soldaten vroegen aan de
indianen
door middel van gebaren en ook verbaal in het Spaans steeds
hoe
dit
land
heette. Telkens
antwoordden de
inboorlingen: “Tectetan*”, wat betekende:
“Ik begrijp u niet”,
ofwel “Wat zegt
u?” Na herhaaldelijke malen Tectetan” van
verschillende personen te hebben
gehoord,
dat in de Spaanse oren als “Yucatán
klonk, was Francisco Fernández de
Córdoba ervan overtuigd dat
hij en zijn manschappen in het
land Yucatán waren.
*
William Hickling Prescott (1796-1859) “History of the
Conquest of Mexico”.
Over de naam
Yucatán
verschillen de geschiedschrijvers van mening.
Jean
Fréderic Waldeck (1766-1875)
heeft het in zijn “Voyage Pittoresque” in de
negentiende eeuw over de indianen
die op de vraag van
de Spanjaarden reageerden met “Ouyouckatan!”
Dit betekende:
“Moet je nou eens horen naar wat zij
zeggen!”
Hiervan maakten de Spanjaarden later Yucatán.
De soldaatschrijver
Bernal Díaz del Castillo (1495-1584), die met
Hernán Cortés meereisde, beweert
dat de naam Yucatán is ontstaan uit
het Mayawoord tlatel, het stukje
aarde waarin men op
het Mexicaanse schiereiland
de cassaveplant teelde. De Spanjaarden leerden de
cassaveplant kennen
op Cuba,
waar deze yuca werd genoemd. Het
aanvankelijk in de Spaanse soldatengeest opgeslagen Yacatlatel
verbasterde spoedig tot
Yucatán.
|