“Petites Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika 

door Peter Hattink*
peterhattink@yahoo.es

 Deze “Petites Histoires” zijn anecdotische verhalen in hun historische context. Zij geven een inzicht  in het denken  
en het handelen van de volkeren van Amerika, de nieuwkomers en hun nakomelingen op dit continent. 

De officiële geschiedenis is veelal geschreven in het belang van de staat. 
Deze verhalen gaan over de achterkant van historische gebeurtenissen, die door officiële 
geschiedschrijvers  zelden vanuit de mens zelf is verteld.
 
 

1530 Priesters hebben geen Bezittingen, noch Dochters


 

 

Na zijn ontsnapping uit de vetmestingskooi van Heer van Mayathan kwam Jerónimo de Aguilar, de student theologie uit Écija, als slaaf terecht bij het stamhoofd Aquincuz bij het dorpje Tulúm. Aquincuz, die het stamhoofd van Mayathan niet welgezind was, behandelde Jerónimo de Aguilar goed. Hij begon zich juist min of meer tevreden in zijn lot te schikken toen zijn meester Aquincuz plotseling overleed. Zijn gekozen opvolger Taxmar liet Jerónimo de Aguilar de eerste tijd verschrikkelijke taken verrichten. 

          De priester putte de kracht om alles vol te houden uit zijn geloof. Elke dag las hij de gebeden uit zijn brevier, waardoor hij automatisch de telling van de dagen bijhield. Daarnaast probeerde hij door zo braaf mogelijk alles uit te voeren wat hem werd opgedragen de sympathie te winnen van het stamhoofd. 

Het gevoel van nederigheid dat de Aguilar tentoonspreidde irriteerde Aquincuz in het begin mateloos. Het stamhoofd, dat met veel genoegen zag hoe zijn slaaf de taal van de Maya’s meester werd, kon het soms niet laten Jerónimo de Aguilar te sarren. Ook begreep Aquincuz niet waarom de Aguilar nooit zijn oog liet vallen op een van de prachtige welwillende jonge meisjes van zijn stam. Er waren er genoeg die in waren voor een exotisch avontuurtje met de blanke man, die af en toe “het haar op zijn gezicht eraf haalde”. 

Opnieuw wilde het stamhoofd de nederigheid van zijn slaaf Jerónimo de Aguilar uitproberen. Op een dag hadden de krijgers op de patio van het paleis van Aquincuz een hond hoog in een boom vastgebonden. Zij vermaakten zich door pijlen uit hun bogen in de de hond te schieten. Het tafereel overziende zei het stamhoofd tot Aguilar: “Wat denk je? Kijk eens wat een trefzekere schoten, die precies terechtkomen waar ze horen! Wat vind je ervan? Zouden zij even trefzeker zijn als ze jou daar zouden vastbinden in plaats van dat hondje?”
 

Aguilar, niet op zijn mondje gevallen, zei: “Slaaf ben ik van u, heer en u kunt over mij volgens uw wil beschikken, maar ik denk niet dat het in de goedheid van uw hart past een slaaf te willen verliezen die zich met zo’n sterke bereidwilligheid zou opofferen voor alles wat zij hem zouden opdragen”.
 

Dit gevatte antwoord van Jerónimo de Aguilar vertederde het stamhoofd. Aquincuz was ook erg onder de indruk over het resultaat van de volgende test: Aguilar kreeg het bevel met het mooiste meisje van de stam de nacht aan de kust door te brengen om daarna ‘s ochtends vroeg te gaan vissen. Tegen het middaguur van de volgende dag werden zij terugverwacht.


De veertienjarige dorpsschone voelde zich vereerd met de opdracht van haar stamhoofd Jerónimo de Aguilar te mogen verleiden. Vanuit haar hangmat probeerde zij hem eerst met woorden te strikken. Toen dat niet lukte deed zij haar best met verleidende bewegingen in het maanlicht. Tenslotte werd zij boos en riep zij tegen Jerónimo dat hij helemaal geen man was. Daarop ontwikkelde zich een diepzinnig gesprek waarbij Jerónimo de Aguilar vertelde dat hij voor priester was gaan studeren nadat zijn verloofde in Spanje was overleden.

Op deze manier zou hij -door haar trouw te blijven- haar altijd blijven eren”, legde hij uit.

Het indiaanse meisje voelde heel erg met Jerónimo mee, zei dat ze het begreep en huilde tranen met tuiten.

Na deze proef had Aquincuz zoveel respect voor zijn slaaf Jerónimo de Aguilar dat hij hem opnam in zijn familie. Omdat Aguilar zo diplomatiek en diskreet kon optreden mocht hij voortaan de familiegeschillen van het stamhoofd bijleggen. Ondanks zijn goede positie op de indiaanse maatschappelijke ladder bleef Jerónimo de Aguilar hopen op een terugkeer naar de Spaanse gelederen.
 

Plotseling  kwam een hem wildvreemde indiaan begin maart 1519 uit het niets en begroette Jerónimo de Aguilar. Hij haalde een rolletje perkament uit zijn haar en overhandigde dit samen met een groot aantal groene glazen kralen aan de verbaasde witte slaaf. Het bleek een brief te zijn van Hernán Cortés, waarin hij alle Spanjaarden in indiaanse handen opriep met hem mee te gaan om deze streken te koloniseren. Nauwelijks was Aguilar van zijn verbazing bekomen toen een tweede vreemde indiaan  hem begroette en hem een soortgelijk rolletje perkament uit zijn haar gaf. Hierop stond: 

“Mijne Heren en Broeders, 

Hier in Cozumel heb ik gehoord dat jullie in handen zijn van een stamhoofd dat jullie gevangen houdt; ik verzoek jullie meteen hier naar Cozumel te komen, en daarvoor stuur ik jullie een schip met soldaten voor het geval jullie dat nodig zouden hebben en (ik zend jullie) ruilwaar om aan die indianen te geven waarbij jullie zijn; en ik laat het schip acht dagen op jullie wachten; komt zo snel mogelijk; jullie zullen met egards behandeld en beloond worden; Ik ben hier op het eiland met vijfhonderd soldaten en elf schepen. Hiermee ga ik, als God het wil, naar een dorp dat Tabasco of Champotón heet” 
Getekend: Hernán Cortés.
 

Jerónimo de Aguilar was door het dolle heen. Hij rende met een gedeelte van de groene kralen naar zijn stamhoofd Aquincuz, gaf hem de “glazen schat”, legde uit wat er aan de hand was en vroeg toestemming om te vertrekken. Aquincuz, die de groene kralen zag als een soort jade -het hoogste goed in de Mayamaatschappij-, zei dat hij geen enkele reden had om dit verzoek van zijn slaaf te weigeren. De Aguilar dankte zijn stamhoofd voor zijn welwillendheid en nam onmiddellijk het besluit om zijn schipbreukelingenmaatje Gonzalo Guerrero te waarschuwen. Na een tocht van twee dagen vond hij Gonzalo Guerrero, die inmiddels een hoge positie had verworven in de stam van Chetumal. Aguilar probeerde Guerrero over te halen zich aan te sluiten bij de Spanjaarden maar deze, die volledig geïntegreerd was in zijn Mayastam, weigerde. Teleurgesteld snelde Jerónimo de Aguilar naar de kust van Yucatán om zo snel mogelijk een kano te nemen naar Cozumel. Tot zijn grote ontsteltenis ontdekte hij op het eiland dat de Spanjaarden al waren vertrokken.
 

Volkomen depressief keerde Jerónimo de Aguilar terug naar zijn stamhoofd, dat hem liefdevol opnam. Een paar dagen later waren er geruchten dat de Spanjaarden op Cozumel waren teruggekeerd omdat een van de schepen water maakte en daar gerepareerd moest worden. Met de moed der wanhoop charterde Aguilar tegen de betaling van de overgebleven kralen zes indianen en een kano voor de overtocht naar Cozumel.
 

De Spaanse zeeman Andrés de Tapia zag aan het strand van Cozumel een kano met zeven indianen aankomen en stuurde meteen een bode naar Hernán Cortés om te vertellen dat er niets bijzonders was aan dit gezelschap. Pas toen Jerónimo de Aguilar aan land was gesprongen en in moeizaam Spaans de woorden “God, de Heilige Maagd en Sevilla” uitriep,  vroeg  of het woensdag was en of hij zich onder christenen bevond, realiseerde Tapia zich dat hij een Spanjaard was. Toen Andrés de Tapia bevestigde dat hij in een christelijk gezelschap was beland dankte Aguilar God en daarna omhelsden de  twee Spanjaarden elkaar geëmotioneerd. Een soldaat in de buurt snelde op Cortés af om het nieuws van de gevonden Spanjaard te vertellen. Hernán Cortés, die alleen maar zeven indianen zag, vroeg geërgerd waar de gevonden Spanjaard was. Hierop begroette Aguilar hem op indiaanse wijze: Hij ging op zijn hurken zitten, raakte met zijn rechterhand de grond en daarna zijn voorhoofd en zei: “Ik ben (de Spanjaard)”.
 

Hernán Cortés hoorde Jerónimo de Aguilar helemaal uit. Uitgebreid bracht Aguilar verslag uit van zijn vroegere schipbreukelingenmaatje Gonzalo Guerrero, die niet alleen getatoeëerd was, maar ook zijn oren had doorboord en een piercing in zijn onderlip had. De toekomstige veroveraar van Mexico reageerde boos op het feit dat Guerrero bewust gekozen had om bij de Maya’s te blijven. Cortés, die het belang van een Mayasprekende Spanjaard in zijn gelederen scherp inzag, was verbaasd dat Jerónimo de Aguilar zo weinig wist van de geschiedenis en de steden in Yucatán. Aguilar zei dat hij als slaaf bijna nooit zijn dorp had mogen verlaten.
 

Jerónimo de Aguilar, die noch bij de Spanjaarden, nog bij de indianen erg geliefd is geworden, heeft een enorm belangrijke rol bij de verovering van Mexico gespeeld. Hij was de eerste tolk/vertaler Spaans-Maya van Hernán Cortés. Nog diezelfde maand leerde hij in Malinche kennen, de eerste tolk/vertaler Maya-Nuátl, de taal van de Azteken. Tijdens de verovering van Mexico leerde Hernán Cortés nooit de waarheid kennen uit de eerste hand over het gebied dat hij aan het koloniseren was. Aanvankelijk vertaalde Malinche het Azteeks in het Maya voor Jerónimo de Aguilar, die de berichten op zijn beurt weer in het Spaans doorgaf aan Hernán Cortés. Malinche leerde heel snel Spaans, mede omdat zij een affaire had met de Spaanse conquistador. Jerónimo de Aguilar, die bijna tien jaar met Malinche optrok, leerde van haar het Azteeks.
 

Jerónimo de Aguilar is door de Spanjaarden in de officiële geschiedenis altijd beschreven als een student theologie of priester, die omwille van zijn geloof nooit een vrouw heeft aangeraakt. Amerikaanse bronnen spreken daar heel anders over. 

De “Crónicas de la Conquista de México de Chac-Xulub-Chen”, Mexico, meldt dat Jerónimo de Aguilar sinds 1517 samenleefde met de dochter van Ah Naum Ah Pot, de cacique* van Cozumel. De Argentijnse journalist/schrijver Ricardo Herren zegt dat de Aguilar na de verovering van Mexico-stad trouwde met een Spaanse en daar later aan siphilis is overleden. Volgens de “Diccionario Porrua”, Mexico, werd Aguilar sinds 1526 grootgrondbezitter in de Vallei van Mexico. Hij bleek toen al lang geen priester meer te zijn en hij was getrouwd met de indiaanse Elvira Toznenetzin. Samen kregen zij twee dochters, waarvan Luisa trouwde met Cristóbal de Oria, een officier in het Spaanse leger.
 

Jerónimo de Aguilar, van wie de geboortedatum onbekend is gebleven, is vermoedelijk omstreeks 1530 in Mexico-stad overleden. Aangezien hij officieel de priesterlijke status had kon hij onmogelijk over bezittingen of erfgenamen beschikken. Al zijn goederen vervielen aan de staat. 

* Cacique: Stamhoofd; een verspaanst woord uit de Tainotaal.

   


   Tulum     Cozumel     Jerónimo de Aguilar

Tulum                                                                 Cozumel                                                             Jerónimo de Aguilar  vertaalt

 copyright Peter Hattink De verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.

terug naar Petites Histoires

Terug naar de voorpagina