“Petites Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika 

door Peter Hattink*
peterhattink@yahoo.es

 Deze “Petites Histoires” zijn anecdotische verhalen in hun historische context. Zij geven een inzicht  in het denken  
en het handelen van de volkeren van Amerika, de nieuwkomers en hun nakomelingen op dit continent. 

De officiële geschiedenis is veelal geschreven in het belang van de staat. 
Deze verhalen gaan over de achterkant van historische gebeurtenissen, die door officiële 
geschiedschrijvers  zelden vanuit de mens zelf is verteld.
 
 

1531 Oude Godinnen, Nieuwe Maagden


 Virgen del Carmen cadiz
 Virgen del Carmen






 Asherah
 Asherar-yam






Tonantzin
Tonantzin






Macehualli
 Macehualli






Ahuitzotl
Ahuitzotl





Huitzilopochtli
 Huitzillopochtli
 





 Mensenoffers
Mensenoffers
voor Huitzillopochtli

 




Nicanmopohua
 Nican Mopohua




 Juan Diego
 Juan Diego






 Juan de Zumarraga
Bisschop Juan de Zumarraga



 


Juan Diego
Juan Diego






Quetzalcoatl
 Quetzalcoatl






Mensenoffers Mexico
Mensenoffers 
voor Quetzalcoatl





Virgen Guadalupe Extremadura
Virgen de Guadalupe van Extremadura
 





 Virgen de Guadalupe
Virgen de Guadalupe van Mexico




In Spanje wordt het je niet in dank afgenomen als je beweert  dat de “Virgen del Carmen”, de beschermvrouwe van de vissers en zeevaarders, de christelijke versie is van Asherar-yam, de Godin van de Zee uit het Midden-Oosten. Asherar-yam kwam vanaf de vijfde eeuw voor Christus vanuit de Fenicisch noord-Afrikaanse kolonie Carthago onder de naam Tanit Spanje binnen via de havenplaatsen Málaga en Cadiz, die eveneens kolonies van de Feniciërs waren. De Iberiërs aanbaden haar beeltenis en smeekten om goede visvangsten. In tal van Spaanse havensteden wordt jaarlijks nog steeds de “Virgen del Carmen” op 16 juli langs de zee op de schouders van vissers gedragen in de hoop op een voorspoedig en veilig visjaar. 

In Mexico kijkt men niet verrast op als je zegt dat de “Virgen de Guadalupe”, de beschermvrouwe van México, de katholieke uitgave is van Tonantzin, de Azteekse moeder-godin uit Tepeyac. De Azteken vereerden haar en vroegen om haar bemiddeling bij de goden voor aardbevings- en stormvrije seizoenen en voor goede oogsten. Aangezien de “Virgen de Guadalupe” de eerste indiaanse Maagd uit de Amerikaanse geschiedenis is, groeide zij uit tot de Patrones van heel Latijns Amerika. Uit alle uithoeken van  Mexico en ook uit andere landen komen op 12 december jaarlijks ongeveer drie miljoen pelgrims bijeen om haar in het voormalige Tepeyac, thans een wijk van Mexico-stad, eer te betuigen en om haar een gunst af te smeken.                                                       
   

 
De Azteek Cuauhtlatoa was al als kind altijd gefascineerd geweest door godsdienstige riten. De Azteekse keizers stonden volgens hem heel dichtbij de goden. Als macehualli -een ongeschoolde man van eenvoudige afkomst- was hij gewend het gezag te gehoorzamen. Hij was leergierig: hij kon zowel Spaans lezen als schrijven. 

Cuauhtlatoa werd in 1474 geboren in de wijk Tlayacac in het dorpje Cuautitlán, vlakbij Technotitlán, nu het centrum van Mexico-stad. Geheel in Azteekse stijl kreeg hij van zijn ouders de naam: “Hij die spreekt als een arend”. Cuauhtlatoa groeide op in roerige tijden: op twaalfjarige leeftijd maakte hij mee dat keizer Axayácatl vergiftigd werd. Hij was nauwelijks dertien jaar toen keizer Ahuízotl de grootste tempel, gewijd aan de oorlogszuchtige zonnegod Huitzillopochtli, officieel  inhuldigde. Een onvergetelijke indruk maakte op hem de inwijdingsceremonie van deze tempel, waarbij in vier dagen zeventigduizend mensen -allen krijgsgevangenen- werden geofferd.  

Net zoals de mensen van zijn stand -op slaaf na de laagste trap in de maatschappij- leefde Cuauhtlatoa een onopvallend leven. Hij was getrouwd met een vrouw die jonger was dan hij en zij  had hem geen kinderen geschonken. Zij leefden in een hut op het platteland als keuterboertjes. Soms vlocht Cuauhtlatoa slaapmatten die hij zelf aan de man bracht. 

Beiden waren erg onder de indruk geraakt van de twaalf missionarissen, die in 1524 in Mexico waren aangekomen en overal de nieuwe godsdienst verkondigden. Ze waren zo enthousiast over de nieuwe verhalen dat zij zich in 1525 lieten dopen. Hij kreeg de doopnamen Juan Diego en hij liet zich vanaf die tijd officieel Juan Diego Cuauhtlatoatzin noemen. Hij vond dat -sinds hij christen was- hij nu iets meer aanzien genoot en hij voerde dus de deftig klinkende aanspreektitel “tzin” achter zijn oorspronkelijke naam. Zijn vrouw ging nu door het leven als María Lucía. Beiden leefden gelukkig totdat María Lucía in 1529 aan hevige koortsen overleed. Vanaf die tijd woonde Juan Diego in Tulpetlac bij zijn oom, die ook christen was geworden en Juan Bernardino als doopnamen had gekregen 

Het nu volgende verhaal is gebaseerd op “Nican Mopohua” van de van de erudiete Azteek Antonio Valeriano, die dit -vermoedelijk met een speciaal gevormde werkgroep- in de Azteekse taal Nahuátl optekende tussen 1540 en 1580. 

De zevenenvijftig jarige Juan Diego was op de koude zaterdagmorgen van 9 december 1531 op weg naar de kerk in Tlatilolco-Tenochtitlán, waar hij van de franciscanen godsdienstonderricht zou krijgen. De zon kwam op toen hij langs de heuvel Tepeyac liep. Op deze heuvel van ongeveer honderd meter hoog hadden de Spanjaarden tien jaar eerder de tempel van de Azteekse moedergodin Tonantzin verwoest. Juan Diego hoorde een ongekend mooi gezang van vogels dat van de top van de heuvel scheen af te komen. Hij klom naar boven en opeens werd het stil. Het was alsof de natuur het prachtige gezang van de vogels met een indrukwekkende stilte beantwoordde. Plotseling hoorde hij een lieflijk zachte stem, die doordringend de volgende woorden sprak: “Lieve kleine Juan Diego”. 

Op het horen van zijn naam rende hij naar de top van de heuvel. Daar zag hij een prachtige vrouw van ongeveer vijftien jaar oud, schitterend gekleed als iemand uit een zeer voorname familie. Zij straalde een prachtig licht uit waardoor de rotsen in de buurt leken op fonkelende edelstenen. De dame keek Juan Diego vriendelijk aan en zei net zoals een Azteekse in Nahuátl:

“Jantje, mijn liefste zoon, waar ga je heen?”

Verrast omdat zij hem in zijn taal aansprak antwoordde hij:

“Lieve Vrouw, ik ga naar Mexico naar de wijk Tlatilolco. Ik ga daar naar de mis om de dingen te leren die de priesters ons vertellen”.

De mooie vrouw lachte tegen hem en zei:

“Juan Diego, mijn liefste zoon, je moet goed weten dat ik de Maagd Maria ben, de moeder van God. Het is mijn wens dat op deze plaats voor mij een kerk wordt opgericht Ik wil hier de moeder zijn van alle indianen om vanaf hier dicht bij hen te zijn, hun  beden aan te horen en al hun verzoeken op een gulle wijze te honoreren.”

De Azteek was een en al aandacht toen zij hem de opdracht gaf:

 “Ga naar het paleis van de bisschop van Mexico. Zeg hem dat ik je gestuurd heb. Vertel hem wat je gezien hebt. Zeg hem dat ik  wil dat er een kerk op deze plaats gebouwd wordt. Je kunt er zeker van zijn dat ik je zal belonen voor alle moeilijkheden en ongemakken die je op deze missie zult ondervinden. Nu je mijn opdracht kent, beste Juan, leg je hart en al je vermogen in de vervulling van mijn wil!”   

Hij knielde -overdonderd door haar aanwezigheid- en zei met het hoofd voorover gebogen:

“Jawel Mevrouw, ik ben uw dienaar en ik zal alles doen wat u mij opdraagt!” 

Zo snel zijn voeten hem konden dragen begaf hij zich naar het paleis van  bisschop Juan de Zumárraga. Hij verzocht de bedienden hem aan te kondigen. Na urenlang wachten ontving de bisschop hem. Hij vertelde in geuren en kleuren wat hem op de heuvel van Tepeyac was overkomen en wat de boodschap van de mooie vrouw was. Na enig nadenken zei de bisschop:

 “Kom nog maar eens terug, mijn zoon; wij moeten het dan eens rustiger bespreken. Ik wil alles heel nauwkeurig weten en natuurlijk zal ik rekening houden met de intentie waarmee je bent gekomen.” 

Juan Diego voelde zich een mislukkeling nu de bisschop hem zo had afgewezen. Meer dan ooit voelde hij zich een macehualli, een onbetekenend mannetje. Hij ging dezelfde dag nog naar de top van de heuvel Tepeyac in de hoop haar te ontmoeten. Tot zijn grote vreugde stond de voorname dame hem op te wachten.  


“O Lieve Mevrouw. Ik heb uw boodschap overgebracht aan de bisschop, maar hij geloofde er niet veel van. Uit het antwoord dat hij mij gaf leidde ik af dat hij dacht dat het een idee van mij was dat U wilt dat er hier een kerk voor U gebouwd wordt! En dat terwijl het Uw uitdrukkelijke wens is! Daarom vraag ik u om deze opdracht aan een invloedrijke persoon te geven zodat aan uw boodschap geloof wordt gehecht, want ik ben maar een onbelangrijk iemand. Vergeef mij als ik u hiermee verdriet doe, lieve Mevrouw”,
sprak Juan Diego triest. 

De mooie mevrouw keek hem vol begrip aan en zei op een warme toon:

“Oh mijn lieve zoon: Er zijn in de wereld een hoop personen, die heel veel in hun mars hebben en die maar al te graag dit verzoek zouden willen uitvoeren. Voor mij is het allerbelangrijkst dat jij, de meest nederige van mijn dienaren, deze opdracht uitvoert. Daarom verzoek ik je morgen naar de bisschop terug te gaan en je moet hem nogmaals zeggen dat Ik, de Moeder van God, wil dat er op deze plaats voor mij een kerk gebouwd wordt.”

Juan Diego beloofde haar opnieuw naar de bisschop te gaan. 

Wederom duurde het uren voordat de bisschop hem wilde ontvangen. Het onderhoud met de geestelijke leider leek meer op een verhoor van een krijgsgevangene dan op een conversatie op niveau over een bijzondere gebeurtenis. Bisschop Juan de Zumárraga vroeg honderduit: Hij wilde alles tot in de details weten. Juan Diego knielde voor hem, voelde het wantrouwen en probeerde, dikwijls met tranen in de ogen, alles zo goed mogelijk uit te leggen.

De katholieke leider, die ervan overtuigd was dat de indiaan hem met de oude Azteekse moedergodin Tonantzin een rad voor ogen probeerde te draaien, maakte resoluut een einde aan het gesprek: Hij eiste van  Juan Diego dat hij een bijzonder teken nodig had om te kunnen geloven dat deze “Mevrouw” dit vanuit de hemel had gezonden. De Azteek, die zijn mooie dame op de heuvel van Tepeyac beslist niet wilde teleurstellen, vergat zijn schroom voor het gezag en hij vroeg de bisschop op de man af:

 “Eerwaarde, zeg mij welk teken u wilt zodat ik dat kan vragen aan de Mevrouw uit de Hemel, die mij hierheen heeft gezonden.

De bisschop hield zich even in en antwoordde:

“Laat de Dame de beslissing zelf nemen!”

Daarna werd Juan Diego het bisschoppelijke paleis uitgezet. 

Bisschop Juan de Zumárraga stuurde een paar vertrouwelingen achter Juan Diego aan die hem verslag moesten uitbrengen over wat deze macehualli uitspookte. De mannen volgden de Azteek op de voet tot zij hem bij een ravijn kwijt raakten. Juan Diego ging naar dezelfde plaats waar hij de voorname dame steeds had ontmoet. Ook nu stond zij hem op te wachten. Hij vertelde haar het onaangename gesprek met de bisschop en legde uit dat de geestelijke leider een speciaal teken van haar verwachtte omdat deze hem niet geloofde. Met een glimlach antwoordde zij:

 “Kom morgen op deze plaats terug en ik zak je iets geven waardoor er geen twijfel meer heerst over wat je zegt. Je zult zien dat de bisschop tevreden zal zijn. Weet, mijn lieve zoon, dat ik je zal belonen voor het werk en voor jouw inspanningen die je je voor mij hebt getroost. Ga nu maar; morgen wacht ik hier op je”

Bij zijn thuiskomst wachtte Juan Diego een onaangename verrassing: zijn oom Juan Bernardino was ernstig ziek. Hij ging onmiddellijk een dokter halen. De arts constateerde dat de patiënt waarschijnlijk niet meer geholpen kon worden. Juan Bernardino vroeg Juan Diego de volgende dag zo snel mogelijk naar Tlatilolco te gaan om een priester te halen voor de toediening van de laatste sacramenten.
 

Bij het ochtendgloren op dinsdag 12 december 1531 ging Juan Diego zo snel mogelijk naar Tlatilolco om een priester te halen. Met bevend hart besefte hij dat hij zich die dag niet aan zijn afspraak met de voorname dame zou kunnen houden, want hij wilde niet dat zijn oom Juan Bernardino zou overlijden zonder de sacramenten voor de stervenden te hebben ontvangen. In de hoop dat hij de “Mevrouw van de Hemel” niet zou tegenkomen nam hij, langs de andere kant van de heuvel Tepeyac, de kortste weg naar Tlatilolco.

Tot zijn schrik zag hij haar de heuvel afdalen en zij liep recht naar hem toe.

 “Lieve zoon”, sprak zij, “ waar ga je heen?”

Juan Diego maakte een buiging en vertelde dat hij haar vandaag verdriet zou aandoen door zich niet aan de afspraak te houden omdat hij zo snel mogelijk een priester moest halen voor zijn doodzieke oom, die op sterven lag. Met pijn in het hart beloofde hij haar plechtig een andere dag terug te komen om haar boodschap aan de bisschop over te brengen.

 “Luister goed Juan Diego, lieve zoon van mij. Wees niet bezorgd! Je moet niet bang zijn voor deze ziekte! Ben ik niet jouw moeder die je in bescherming neemt? Ben je niet mijn boodschapper op wie ik vertrouw? Voel je niet triest of bezwaard omdat je mijn boodschapper bent. Maak je geen zorgen over de ziekte van je oom, want hij gaat er niet aan dood. Hij is al beter”, reageerde zij.

Juan Diego keek haar vol blijdschap aan, knielde en zei op nederige toon:

 “Moeder, zeg mij wat ik moet doen en ik zal je gehoorzamen!”

“Ga naar de top van de heuvel. Je zult daar bloemen zien. Pluk ze en rol ze in jouw cape! Breng ze dan onmiddellijk naar beneden en ik zal je zeggen wat je ermee moet doen!”

Hij ging naar de top van de heuvel en zag wonderlijke rode, gele en witte bloemen, die hij nog nooit gezien had. Één voor één plukte hij ze voorzichtig, rolde ze voorzichtig in zijn  tilma  -een ordinaire cape van magueyvezels*-  en bracht ze naar de “Mevrouw uit de Hemel” aan de voet van de heuvel. 

“Breng ze naar de bisschop! Dit is het teken dat hij verwacht. Als hij deze bloemen ziet zal hij je geloven!” ”, sprak zij vriendelijk.

Juan Diego nam afscheid en begaf zich tevreden over zijn “uit de hemel ontvangen teken” op weg naar het bisschoppelijke paleis. 

De bedienden van de bisschop waren onuitstaanbaar: Zij lieten Juan Diego uren wachten. Tot drie keer toe probeerden zij de “schat” uit zijn tilma te grijpen. Daarbij veranderden de prachtige bloemen in geschilderde of geborduurde op de boerencape van Juan Diego. Tenslotte gingen de verbaasde bediendes de bisschop vertellen wat zij gezien hadden. Hierop ontving de Spaanse geestelijke leider de Azteek koeltjes. 

Juan Diego stapte zelfverzekerd op de geestelijke af en zei:

“Eerwaarde. Ik heb gedaan wat u mij vroeg. Ik hen aan de Vrouw uit de Hemel een teken gevraagd. Zij aanvaarde mijn verzoek. Zij stuurde mij naar de top van de heuvel en zij droeg mij op enkele bloemen te plukken en zij zei dat ik ze bij u moest brengen. Ik hoop dat u in de bloemen het teken ziet dat u mij gevraagd heeft.” 

Hij spreidde zijn tilma open en bisschop Juan de Zamárraga zag Castiliaanse rozen op de vloer vallen en op de cape verscheen een prachtige afbeelding van de donkere “Mevrouw uit de Hemel”, gekleed als een voorname dame uit een notabele familie. 

De bisschop -onder de indruk van dit wonder- knielde en aanschouwde de afbeelding in prachtige kleuren en de pas geplukte rozen, die in de winter onmogelijk konden bloeien. Ook Juan Diego knielde en keek verrukt naar zijn “Mevrouw uit de Hemel” op de binnenkant van zijn tilma. Beiden hingen de cape met de afbeelding op aan de muur van de gebedskamer van de bisschop. Deze prachtige tilma uit 1531 is te zien achter glas in de basiliek van de “Virgen de Guadalupe” te Mexico-stad die op de plaatst staat waar vroeger de tempel stond van de Azteekse moedergodin Tonantzin. 

Juan Diego werd naar het huis van zijn oom begeleid door een aantal bedienden van de bisschop, die wilden zien of Juan Bernardino zich van zijn ziekte had hersteld. Bij zijn thuiskomst verklaarde zijn oom, die helemaal beter was, dat de “Mevrouw uit de Hemel” aan hem was verschenen. Zij had hem gezegd dat Juan Diego bij de bisschop was en dat de afbeelding op de tilma voor altijd de “Virgen Santa María de Guadalupe” genoemd moest worden. Ook bisschop Juan de Zumárraga ging naar het huis van Juan Bernardino en toonde hem de cape van zijn neef. 

De interpretatie van de naam “Guadalupe” was in die tijd voor de Azteken en Spanjaarden volkomen verschillend al zorgde de boodschap ervan dat beide partijen naar elkaar toe groeiden. 

Juan Bernardino, de oom van Juan Diego Cuauhtlatoatzin, verstond en sprak geen Spaans.

Men gelooft dat de Maagd, die alleen maar in de Azteekse taal Nahuátl sprak, tegen hem gezegd heeft dat zij voor altijd “Coatlaxopeuh” genoemd wilde worden.

In het Azteeks betekent  “coat” slang, “la” de en “xopeuh” verpletteren.

In deze context betekent “Coatlaxopeuh”: ”Zij die de slang verplettert”.

Voor de Azteken betekende dit dat zij een einde wilde maken aan de oude godsdienst van “Quetzalcoatl”, de geverderde slang, die jaarlijks twintigduizend mensenoffers eiste. De Spanjaarden vonden dat “Coatlaxopeuh”, dat uitgesproken wordt als “Guatlasupe”, heel erg leek op “Guadalupe”, de naam van de Maagd uit het Spaanse Extremadura, die zo door Christoffel Columbus werd vereerd. 

Voor bisschop Juan de Zumárraga was het glashelder dat er een wonder was geschied toen hij de Azteekse betekenis van Guadalupe hoorde. Hij was er vast van overtuigd dat zij de Spaanse Maagd van Guadalupe was, die naar Mexico was gekomen om de inheemse bevolking bij te staan. Dat zij een donkere huidskleur had vond hij heel normaal: In de middeleeuwen hadden alle houten gepolychromeerde Mariabeelden een donkere huidskleur omdat de kunstenaars het gezicht en de handen insmeerden met bitumen**. De reden hiervan was de bekende passage uit het Hooglied***, dat tot ver na de middeleeuwen heel populair was en dikwijls in de kerk werd gezongen.

                                                                “Donker van huid ben ik,
                                                                     doch bekoorlijk,
                                                                dochters van Jeruzalem,
                                                                 als de tenten van Kedar,
                                                              als de gordijnen van Salomo.
                                                        Let er niet op, dat mijn huid donker is,
                                                             omdat de zon mij verbrand heeft.”
 

Het verhaal van Juan Diego en “Zijn Mevrouw uit de Hemel” verspreidde zich als een lopend vuurtje en werd de katalysator van de bekering voor de Azteken. De franciscaan Toribio de Motolina schreef de Paus in 1536 dat er ruim vier  miljoen indianen waren bekeerd. Voor dit hoge aantal bekeringen -stel dat men 7 dagen in de week doopte, dan waren er per dag minstens tweeduizend personen aan de beurt- moesten de paters zich organisatorisch aanpassen: de dopelingen werden in rijen opgesteld en alle kinderen stonden vooraan. De paters stonden in de menigte verspreid: tijdens de plechtigheid kreeg iedereen water over het hoofd gegoten en maar een paar mensen kregen het doopzout toegediend want er was niet genoeg voor iedereen. De heilige oliën, die indertijd bij de doop gebruikt werden, kreeg niemand want zij waren niet voorradig.   

De symboliek van de “Virgen de Guadalupe” sprak voor de Azteken en voor de Spanjaarden geheel verschillende boekdelen. De Azteken, die de “Virgen de Guadalupe” tot omstreeks 1560 met Tonantzin bleven aanspreken, zagen haar als een moedergodin en als een rechtstreekse bemiddelaarster tussen God en henzelf omdat zij in de Azteekse taal Nahuátl had gesproken. Anders gezegd: de indianen hadden de Spanjaarden, die het Azteekse godenstelsel hadden vernietigd,  niet meer nodig om met de nieuwe God te communiceren. Dat de “Virgen de Guadalupe” een bemiddelaarster was bewees de halve maan waarop zij stond: Voor de inheemsen waren maangodinnen sinds mensenheugenis altijd bemiddelaarsters geweest. De Spanjaarden -met hun achtergrond van eeuwenlange strijd tegen de Islam- zagen deze zwarte halve maan waarop zij stond als het overwonnen kwaad dat elke andere godsdienst met zich meebracht.

De afbeelding van de “Virgen de Guadalupe” sloot naadloos aan op de manier waarop de Azteken de hemellichamen interpreteerden: de Maagd stond op de halve maan; zij werd gesteund door de stralen van de zon terwijl er sterrenbeelden op haar mantel stonden: met andere woorden: de oorlog tussen de oude goden, die de hemellichamen vertegenwoordigden, was voorbij; de zon hoefde zijn eeuwigdurende nachtelijke strijd -het overwinnen van de maan en de sterren om de volgende dag vanuit het oosten weer op te kunnen rijzen- niet meer uit te voeren. 

De indianen zagen haar turkooizen mantel als groen, de kleur van de vruchtbaarheid van het land. De Spanjaarden, gewend aan de blauwe mantels van de Maagden uit Europa, zagen het turkoois als blauw. Zowel de Azteken en de Spanjaarden waren het erover eens dat de “Vergen de Guadalupe” in verwachting was: de Spanjaarden zagen dit aan het hermelijnen biesje waarmee de hals en de mouwen van de jurk van de Maagd waren afgezet; de indianen zagen het aan de donkere soort strik op de buik van de Maagd, het traditionele teken van een Azteekse vrouw in verwachting. 

Alle indianen zagen in de “Virgen de Guadalupe” een eigen Maagd omdat zij -naast het spreken in Nahuátl een donkere huidskleur had. Gemengde gehuwden -Spaanse mannen en Azteekse vrouwen- zagen, anticiperend op de vermenging die Mexico zijn sociale cohesie en eigen identiteit zou geven, in deze Maagd hun eigen mestieze moeder Gods. 

Bisschop Juan de Zumárraga  moest wel blijven denken dat de “Virgen de Guadalupe” de door de Mexicaanse zon bruin verbrande Spaanse Maagd uit Extremadura was, want hij kon met zijn achtergrond onmogelijk op het idee komen dat zij een indiaanse zou kunnen zijn. Als conservatief Europese aartsvader kon hij ook niet bevatten dat zij een mesties meisje zou kunnen zijn.
 

Mestieze meisjes van vijftien jaar en ouder bestonden in het Mexico van 1531 nog niet.

*   Maguey: bastvezel van de plant agave cantala. Uit de agave, die in Mexico in 300 soorten voorkomt, worden de
    alcoholische dranken pulque, mezcal en tequila bereid.

**   Eigenlijk was het insmeren van het gelaat en de handen met bitumen van de gepolychromeerde houten Mariabeelden
      in de middeleeuwen een praktische bescherming tegen houtworm en andere insecten.  

***  Hooglied, 1ste hoofdstuk vers 5 en 6

 

Mensenoffer   Isla del rey 
Mensenoffers voor  Huitzillopochtli                                            en voor Quetzalcoatl

 copyright Peter Hattink De verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.

terug naar Petites Histoires

Terug naar de voorpagina