“Petites
Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika
Deze
verhalen gaan over de achterkant van historische
gebeurtenissen, die door officiële
geschiedschrijvers zelden
vanuit de mens
zelf is verteld.
1531 Oude Godinnen, Nieuwe Maagden |
||
|---|---|---|
![]() Virgen del Carmen ![]() Asherar-yam ![]() Tonantzin ![]() Macehualli ![]() Ahuitzotl ![]() Huitzillopochtli ![]() Mensenoffers voor Huitzillopochtli ![]() Nican Mopohua ![]() Juan Diego ![]() Bisschop Juan de Zumarraga ![]() Juan Diego ![]() Quetzalcoatl ![]() Mensenoffers voor Quetzalcoatl ![]() Virgen de Guadalupe van Extremadura ![]() Virgen de Guadalupe van Mexico |
In
Spanje wordt het je niet in dank afgenomen als je beweert dat de “Virgen
del Carmen”, de beschermvrouwe
van de vissers en zeevaarders, de christelijke versie is van
Asherar-yam, de
Godin van de Zee uit het Midden-Oosten. Asherar-yam kwam vanaf de
vijfde eeuw
voor Christus vanuit de Fenicisch noord-Afrikaanse kolonie Carthago
onder de
naam Tanit Spanje binnen via de havenplaatsen Málaga en
Cadiz, die eveneens
kolonies van de Feniciërs waren. De Iberiërs aanbaden
haar beeltenis en
smeekten om goede visvangsten. In tal van Spaanse havensteden wordt
jaarlijks
nog steeds de “Virgen del Carmen” op 16 juli langs
de zee op de schouders van
vissers gedragen in de hoop op een voorspoedig en veilig visjaar. In
Mexico kijkt men niet verrast op als je zegt dat de “Virgen
de
Guadalupe”, de beschermvrouwe van México, de
katholieke uitgave is van
Tonantzin, de Azteekse moeder-godin uit Tepeyac. De Azteken vereerden
haar en
vroegen om haar bemiddeling bij de goden voor aardbevings- en
stormvrije
seizoenen en voor goede oogsten. Aangezien de “Virgen de
Guadalupe” de eerste
indiaanse Maagd uit de Amerikaanse geschiedenis is, groeide zij uit tot
de
Patrones van heel Latijns Amerika. Uit alle uithoeken van Mexico en ook uit andere
landen komen op 12
december jaarlijks ongeveer drie miljoen pelgrims bijeen om haar in het
voormalige Tepeyac, thans een wijk van Mexico-stad, eer te betuigen en
om haar
een gunst af te smeken. Cuauhtlatoa
werd in 1474 geboren in de wijk Tlayacac in het dorpje
Cuautitlán, vlakbij Technotitlán, nu het centrum
van Mexico-stad. Geheel in
Azteekse stijl kreeg hij van zijn ouders de naam: “Hij die
spreekt als een
arend”. Cuauhtlatoa groeide op in roerige tijden: op
twaalfjarige leeftijd
maakte hij mee dat keizer Axayácatl vergiftigd werd. Hij was
nauwelijks dertien
jaar toen keizer Ahuízotl de grootste tempel, gewijd aan de
oorlogszuchtige
zonnegod Huitzillopochtli, officieel
inhuldigde. Een onvergetelijke indruk maakte op hem
de
inwijdingsceremonie van deze tempel, waarbij in vier dagen
zeventigduizend
mensen -allen krijgsgevangenen- werden geofferd. Net
zoals de mensen van zijn stand -op slaaf na de laagste trap in de
maatschappij- leefde Cuauhtlatoa een onopvallend leven. Hij was
getrouwd met
een vrouw die jonger was dan hij en zij
had hem geen kinderen geschonken. Zij leefden in een
hut op het
platteland als keuterboertjes. Soms vlocht Cuauhtlatoa slaapmatten die
hij zelf
aan de man bracht. Beiden
waren erg onder de indruk geraakt van de twaalf missionarissen, die
in 1524 in Mexico waren aangekomen en overal de nieuwe godsdienst
verkondigden.
Ze waren zo enthousiast over de nieuwe verhalen dat zij zich in 1525
lieten
dopen. Hij kreeg de doopnamen Juan Diego en hij liet zich vanaf die
tijd
officieel Juan Diego Cuauhtlatoatzin noemen. Hij vond dat -sinds hij
christen
was- hij nu iets meer aanzien genoot en hij voerde dus de deftig
klinkende
aanspreektitel “tzin” achter zijn oorspronkelijke
naam. Zijn vrouw ging nu door
het leven als María Lucía. Beiden leefden
gelukkig totdat María Lucía in 1529
aan hevige koortsen overleed. Vanaf die tijd woonde Juan Diego in
Tulpetlac bij
zijn oom, die ook christen was geworden en Juan Bernardino als
doopnamen had
gekregen Het
nu volgende verhaal is gebaseerd op “Nican Mopohua”
van de van de
erudiete Azteek Antonio Valeriano, die dit -vermoedelijk met een
speciaal
gevormde werkgroep- in de Azteekse taal Nahuátl optekende
tussen 1540 en 1580. De
zevenenvijftig jarige Juan Diego was op de koude zaterdagmorgen van 9
december 1531 op weg naar de kerk in
Tlatilolco-Tenochtitlán, waar hij van de
franciscanen godsdienstonderricht zou krijgen. De zon kwam op toen hij
langs de
heuvel Tepeyac liep. Op deze heuvel van ongeveer honderd meter hoog
hadden de
Spanjaarden tien jaar eerder de tempel van de Azteekse moedergodin
Tonantzin
verwoest. Juan Diego hoorde een ongekend mooi gezang van vogels dat van
de top
van de heuvel scheen af te komen. Hij klom naar boven en opeens werd
het stil.
Het was alsof de natuur het prachtige gezang van de vogels met een
indrukwekkende stilte beantwoordde. Plotseling hoorde hij een lieflijk
zachte
stem, die doordringend de volgende woorden sprak: “Lieve
kleine Juan Diego”. Op
het horen van zijn naam rende hij naar de top van de heuvel. Daar zag
hij een prachtige vrouw van ongeveer vijftien jaar oud, schitterend
gekleed als
iemand uit een zeer voorname familie. Zij straalde een prachtig licht
uit
waardoor de rotsen in de buurt leken op fonkelende edelstenen. De dame
keek
Juan Diego vriendelijk aan en zei net zoals een Azteekse in
Nahuátl: “Jantje,
mijn liefste zoon, waar ga je
heen?” Verrast
omdat zij hem in zijn taal aansprak antwoordde hij: “Lieve
Vrouw, ik ga naar Mexico naar de
wijk Tlatilolco. Ik ga daar naar de mis om de dingen te leren die de
priesters
ons vertellen”. De
mooie vrouw lachte tegen hem en zei: “Juan
Diego, mijn liefste zoon, je moet
goed weten dat ik de Maagd Maria ben, de moeder van God. Het is mijn
wens dat
op deze plaats voor mij een kerk wordt opgericht Ik wil hier de moeder
zijn van
alle indianen om vanaf hier dicht bij hen te zijn, hun
beden aan te horen en al hun verzoeken op een
gulle wijze te honoreren.” De
Azteek was een en al aandacht toen zij hem de opdracht gaf: “Ga naar het
paleis van de bisschop van
Mexico. Zeg hem dat ik je gestuurd heb. Vertel hem wat je gezien hebt.
Zeg hem
dat ik wil dat er
een kerk op deze
plaats gebouwd wordt. Je kunt er zeker van zijn dat ik je zal belonen
voor alle
moeilijkheden en ongemakken die je op deze missie zult ondervinden. Nu
je mijn
opdracht kent, beste Juan, leg je hart en al je vermogen in de
vervulling van
mijn wil!”
Hij
knielde -overdonderd door haar aanwezigheid- en zei met het hoofd
voorover gebogen: “Jawel
Mevrouw, ik ben uw dienaar en ik
zal alles doen wat u mij opdraagt!” Zo
snel zijn voeten hem konden dragen begaf hij zich naar het paleis
van bisschop Juan
de Zumárraga. Hij
verzocht de bedienden hem aan te kondigen. Na urenlang wachten ontving
de
bisschop hem. Hij vertelde in geuren en kleuren wat hem op de heuvel
van
Tepeyac was overkomen en wat de boodschap van de mooie vrouw was. Na
enig
nadenken zei de bisschop: “Kom nog maar eens
terug, mijn zoon; wij
moeten het dan eens rustiger bespreken. Ik wil alles heel nauwkeurig
weten en
natuurlijk zal ik rekening houden met de intentie waarmee je bent
gekomen.” Juan Diego voelde zich een mislukkeling nu de bisschop hem zo had afgewezen. Meer dan ooit voelde hij zich een macehualli, een onbetekenend mannetje. Hij ging dezelfde dag nog naar de top van de heuvel Tepeyac in de hoop haar te ontmoeten. Tot zijn grote vreugde stond de voorname dame hem op te wachten.
De
mooie mevrouw keek hem vol begrip aan en zei op een warme toon: “Oh
mijn lieve zoon: Er zijn in de
wereld een hoop personen, die heel veel in hun mars hebben en die maar
al te
graag dit verzoek zouden willen uitvoeren. Voor mij is het
allerbelangrijkst
dat jij, de meest nederige van mijn dienaren, deze opdracht uitvoert.
Daarom
verzoek ik je morgen naar de bisschop terug te gaan en je moet hem
nogmaals
zeggen dat Ik, de Moeder van God, wil dat er op deze plaats voor mij
een kerk
gebouwd wordt.” Juan
Diego beloofde haar opnieuw naar de bisschop te gaan. Wederom
duurde het uren voordat de bisschop hem wilde ontvangen. Het
onderhoud met de geestelijke leider leek meer op een verhoor van een
krijgsgevangene dan op een conversatie op niveau over een bijzondere
gebeurtenis. Bisschop Juan de Zumárraga vroeg honderduit:
Hij wilde alles tot
in de details weten. Juan Diego knielde voor hem, voelde het wantrouwen
en
probeerde, dikwijls met tranen in de ogen, alles zo goed mogelijk uit
te
leggen. De
katholieke leider, die ervan overtuigd was dat de indiaan hem met de
oude Azteekse moedergodin Tonantzin een rad voor ogen probeerde te
draaien,
maakte resoluut een einde aan het gesprek: Hij eiste van Juan Diego dat hij een
bijzonder teken nodig
had om te kunnen geloven dat deze “Mevrouw” dit
vanuit de hemel had gezonden.
De Azteek, die zijn mooie dame op de heuvel van Tepeyac beslist niet
wilde
teleurstellen, vergat zijn schroom voor het gezag en hij vroeg de
bisschop op
de man af: “Eerwaarde, zeg
mij welk teken u wilt zodat ik
dat kan vragen aan de Mevrouw uit de Hemel, die mij hierheen heeft
gezonden. De
bisschop hield zich even in en antwoordde: “Laat
de Dame de beslissing zelf
nemen!” Daarna
werd Juan Diego het bisschoppelijke paleis uitgezet. Bisschop
Juan de Zumárraga stuurde een paar vertrouwelingen achter
Juan
Diego aan die hem verslag moesten uitbrengen over wat deze
macehualli uitspookte. De
mannen volgden de Azteek op de voet tot zij hem bij een ravijn kwijt
raakten.
Juan Diego ging naar dezelfde plaats waar hij de voorname dame steeds
had
ontmoet. Ook nu stond zij hem op te wachten. Hij vertelde haar het
onaangename
gesprek met de bisschop en legde uit dat de geestelijke leider een
speciaal
teken van haar verwachtte omdat deze hem niet geloofde. Met een
glimlach
antwoordde zij: “Kom morgen op
deze plaats terug en ik zak je
iets geven waardoor er geen twijfel meer heerst over wat je zegt. Je
zult zien
dat de bisschop tevreden zal zijn. Weet, mijn lieve zoon, dat ik je zal
belonen
voor het werk en voor jouw inspanningen die je je voor mij hebt
getroost. Ga nu
maar; morgen wacht ik hier op je” Bij
zijn thuiskomst wachtte Juan Diego een onaangename verrassing: zijn oom
Juan Bernardino was ernstig ziek. Hij ging onmiddellijk een dokter
halen. De
arts constateerde dat de patiënt waarschijnlijk niet meer
geholpen kon worden.
Juan Bernardino vroeg Juan Diego de volgende dag zo snel mogelijk naar
Tlatilolco te gaan om een priester te halen voor de toediening van de
laatste
sacramenten. Bij
het ochtendgloren op dinsdag 12 december 1531 ging Juan Diego zo snel
mogelijk naar Tlatilolco om een priester te halen. Met bevend hart
besefte hij
dat hij zich die dag niet aan zijn afspraak met de voorname dame zou
kunnen
houden, want hij wilde niet dat zijn oom Juan Bernardino zou overlijden
zonder
de sacramenten voor de stervenden te hebben ontvangen. In de hoop dat
hij de
“Mevrouw van de Hemel” niet zou tegenkomen nam hij,
langs de andere kant van de
heuvel Tepeyac, de kortste weg naar Tlatilolco. Tot
zijn schrik zag hij haar de heuvel afdalen en zij liep recht naar hem
toe. “Lieve
zoon”, sprak
zij, “ waar
ga je heen?” Juan
Diego maakte een buiging en vertelde dat hij haar vandaag verdriet zou
aandoen door zich niet aan de afspraak te houden omdat hij zo snel
mogelijk een
priester moest halen voor zijn doodzieke oom, die op sterven lag. Met
pijn in
het hart beloofde hij haar plechtig een andere dag terug te komen om
haar
boodschap aan de bisschop over te brengen. “Luister goed Juan
Diego, lieve zoon van mij.
Wees niet bezorgd! Je moet niet bang zijn voor deze ziekte! Ben ik niet
jouw
moeder die je in bescherming neemt? Ben je niet mijn boodschapper op
wie ik
vertrouw? Voel je niet triest of bezwaard omdat je mijn boodschapper
bent. Maak
je geen zorgen over de ziekte van je oom, want hij gaat er niet aan
dood. Hij
is al beter”, reageerde
zij. Juan
Diego keek haar vol blijdschap aan, knielde en zei op nederige toon: “Moeder, zeg mij
wat ik moet doen en ik zal je
gehoorzamen!” “Ga
naar de top van de heuvel. Je zult
daar bloemen zien. Pluk ze en rol ze in jouw cape! Breng ze dan
onmiddellijk
naar beneden en ik zal je zeggen wat je ermee moet doen!” Hij
ging naar de top van de heuvel en zag wonderlijke rode, gele en witte
bloemen, die hij nog nooit gezien had. Één voor
één plukte hij ze voorzichtig,
rolde ze voorzichtig in zijn tilma
-een
ordinaire cape van magueyvezels*-
en bracht ze naar de “Mevrouw uit de
Hemel”
aan de voet van de heuvel. “Breng
ze naar de bisschop! Dit is het
teken dat hij verwacht. Als hij deze bloemen ziet zal hij je
geloven!”
”, sprak zij vriendelijk. Juan
Diego nam afscheid en begaf zich tevreden over zijn “uit de
hemel
ontvangen teken” op weg naar het bisschoppelijke paleis. De
bedienden van de bisschop waren onuitstaanbaar: Zij lieten Juan Diego
uren wachten. Tot drie keer toe probeerden zij de
“schat” uit zijn tilma
te grijpen. Daarbij veranderden de
prachtige bloemen in geschilderde of geborduurde op de boerencape van
Juan
Diego. Tenslotte gingen de verbaasde bediendes de bisschop vertellen
wat zij
gezien hadden. Hierop ontving de Spaanse geestelijke leider de Azteek
koeltjes. Juan
Diego stapte zelfverzekerd op de geestelijke af en zei: “Eerwaarde.
Ik heb gedaan wat u mij
vroeg. Ik hen aan de Vrouw uit de Hemel een teken gevraagd. Zij
aanvaarde mijn
verzoek. Zij stuurde mij naar de top van de heuvel en zij droeg mij op
enkele
bloemen te plukken en zij zei dat ik ze bij u moest brengen. Ik hoop
dat u in
de bloemen het teken ziet dat u mij gevraagd heeft.” Hij
spreidde zijn tilma open en
bisschop Juan de Zamárraga zag Castiliaanse rozen op de
vloer vallen en op de
cape verscheen een prachtige afbeelding van de donkere
“Mevrouw uit de Hemel”,
gekleed als een voorname dame uit een notabele familie. De
bisschop -onder de indruk van dit wonder- knielde en aanschouwde de
afbeelding in prachtige kleuren en de pas geplukte rozen, die in de
winter
onmogelijk konden bloeien. Ook Juan Diego knielde en keek verrukt naar
zijn
“Mevrouw uit de Hemel” op de binnenkant van zijn tilma. Beiden hingen de cape met de
afbeelding op aan de muur van
de gebedskamer van de bisschop. Deze prachtige tilma
uit 1531 is te zien
achter glas in de basiliek van de “Virgen de
Guadalupe” te Mexico-stad die op
de plaatst staat waar vroeger de tempel stond van de Azteekse
moedergodin
Tonantzin. Juan
Diego werd naar het huis van zijn oom begeleid door een aantal
bedienden van de bisschop, die wilden zien of Juan Bernardino zich van
zijn
ziekte had hersteld. Bij zijn thuiskomst verklaarde zijn oom, die
helemaal
beter was, dat de “Mevrouw uit de Hemel” aan hem
was verschenen. Zij had hem
gezegd dat Juan Diego bij de bisschop was en dat de afbeelding op de tilma voor altijd de “Virgen
Santa María
de Guadalupe” genoemd moest worden. Ook bisschop Juan de
Zumárraga ging naar
het huis van Juan Bernardino en toonde hem de cape van zijn neef. De
interpretatie van de naam “Guadalupe” was in die
tijd voor de Azteken en
Spanjaarden volkomen verschillend al zorgde de boodschap ervan dat
beide
partijen naar elkaar toe groeiden. Juan
Bernardino, de oom van Juan Diego Cuauhtlatoatzin, verstond en sprak
geen Spaans. Men
gelooft dat de Maagd, die alleen maar in de Azteekse taal
Nahuátl
sprak, tegen hem gezegd heeft dat zij voor altijd “Coatlaxopeuh”
genoemd wilde worden. In
het Azteeks betekent
“coat” slang, “la” de en
“xopeuh” verpletteren. In
deze context betekent “Coatlaxopeuh”:
”Zij die de slang verplettert”. Voor
de Azteken betekende dit dat zij een einde wilde maken aan de oude
godsdienst van “Quetzalcoatl”,
de
geverderde slang, die jaarlijks twintigduizend mensenoffers eiste. De
Spanjaarden vonden dat “Coatlaxopeuh”,
dat
uitgesproken wordt als
“Guatlasupe”, heel
erg leek op “Guadalupe”,
de naam van
de Maagd uit het Spaanse Extremadura, die zo door Christoffel Columbus
werd
vereerd. Voor
bisschop Juan de Zumárraga was het glashelder dat er een
wonder was geschied
toen hij de Azteekse betekenis van Guadalupe hoorde. Hij was er vast
van
overtuigd dat zij de Spaanse Maagd van Guadalupe was, die naar Mexico
was
gekomen om de inheemse bevolking bij te staan. Dat zij een donkere
huidskleur
had vond hij heel normaal: In de middeleeuwen hadden alle houten
gepolychromeerde Mariabeelden een donkere huidskleur omdat de
kunstenaars het
gezicht en de handen insmeerden met bitumen**. De reden hiervan was de
bekende
passage uit het Hooglied***, dat tot ver na de middeleeuwen heel
populair was
en dikwijls in de kerk werd gezongen.
“Donker
van huid ben ik, Het
verhaal van Juan Diego en “Zijn Mevrouw uit de
Hemel” verspreidde zich
als een lopend vuurtje en werd de katalysator van de bekering voor de
Azteken.
De franciscaan Toribio de Motolina schreef de Paus in 1536 dat er ruim
vier miljoen
indianen waren bekeerd.
Voor dit hoge aantal bekeringen -stel dat men 7 dagen in de week
doopte, dan
waren er per dag minstens tweeduizend personen aan de beurt- moesten de
paters
zich organisatorisch aanpassen: de dopelingen werden in rijen opgesteld
en alle
kinderen stonden vooraan. De paters stonden in de menigte verspreid:
tijdens de
plechtigheid kreeg iedereen water over het hoofd gegoten en maar een
paar
mensen kregen het doopzout toegediend want er was niet genoeg voor
iedereen. De
heilige oliën, die indertijd bij de doop gebruikt werden,
kreeg niemand want
zij waren niet voorradig. De
symboliek van de “Virgen de Guadalupe” sprak voor
de Azteken en voor de
Spanjaarden geheel verschillende boekdelen. De Azteken, die de
“Virgen de
Guadalupe” tot omstreeks 1560 met Tonantzin bleven
aanspreken, zagen haar als
een moedergodin en als een rechtstreekse bemiddelaarster tussen God en
henzelf
omdat zij in de Azteekse taal Nahuátl had gesproken. Anders
gezegd: de indianen
hadden de Spanjaarden, die het Azteekse godenstelsel hadden vernietigd, niet meer nodig om met de
nieuwe God te
communiceren. Dat de “Virgen de Guadalupe” een
bemiddelaarster was bewees de halve
maan waarop zij stond: Voor de inheemsen waren maangodinnen sinds
mensenheugenis altijd bemiddelaarsters geweest. De Spanjaarden -met hun
achtergrond van eeuwenlange strijd tegen de Islam- zagen deze zwarte
halve maan
waarop zij stond als het overwonnen kwaad dat elke andere godsdienst
met zich
meebracht. De
afbeelding van de “Virgen de Guadalupe” sloot
naadloos aan op de manier
waarop de Azteken de hemellichamen interpreteerden: de Maagd stond op
de halve
maan; zij werd gesteund door de stralen van de zon terwijl er
sterrenbeelden op
haar mantel stonden: met andere woorden: de oorlog tussen de oude
goden, die de
hemellichamen vertegenwoordigden, was voorbij; de zon hoefde zijn
eeuwigdurende
nachtelijke strijd -het overwinnen van de maan en de sterren om de
volgende dag
vanuit het oosten weer op te kunnen rijzen- niet meer uit te voeren. De
indianen zagen haar turkooizen mantel als groen, de kleur van de
vruchtbaarheid van het land. De Spanjaarden, gewend aan de blauwe
mantels van
de Maagden uit Europa, zagen het turkoois als blauw. Zowel de Azteken
en de
Spanjaarden waren het erover eens dat de “Vergen de
Guadalupe” in verwachting
was: de Spanjaarden zagen dit aan het hermelijnen biesje waarmee de
hals en de
mouwen van de jurk van de Maagd waren afgezet; de indianen zagen het
aan de
donkere soort strik op de buik van de Maagd, het traditionele teken van
een
Azteekse vrouw in verwachting. Alle
indianen zagen in de “Virgen de Guadalupe” een
eigen Maagd omdat zij
-naast het spreken in Nahuátl een donkere huidskleur had.
Gemengde gehuwden
-Spaanse mannen en Azteekse vrouwen- zagen, anticiperend op de
vermenging die
Mexico zijn sociale cohesie en eigen identiteit zou geven, in deze
Maagd hun
eigen mestieze moeder Gods. Bisschop
Juan de Zumárraga moest
wel
blijven denken dat de “Virgen de Guadalupe” de door
de Mexicaanse zon bruin
verbrande Spaanse Maagd uit Extremadura was, want hij kon met zijn
achtergrond
onmogelijk op het idee komen dat zij een indiaanse zou kunnen zijn. Als
conservatief Europese aartsvader kon hij ook niet bevatten dat zij een
mesties
meisje zou kunnen zijn. Mestieze
meisjes van vijftien jaar en ouder bestonden in het Mexico van
1531 nog niet. * Maguey:
bastvezel van de plant agave cantala. Uit de agave, die in Mexico in
300
soorten voorkomt, worden de ** Eigenlijk was
het insmeren van het gelaat en de handen met bitumen van de
gepolychromeerde
houten Mariabeelden *** Hooglied, 1ste
hoofdstuk vers 5 en 6 |