|
De zoon
van een van de Taíno stamhoofden Enriquillo, die eigenlijk
Guarocuya heette, beleefde op
vijfjarige leeftijd een afschuwelijke
ervaring.
Zijn vader had hem meegenomen naar het feest
van het vrouwelijke
stamhoofd
Anacaona in Jaragua. De mooie Anacaona, weduwe en
opvolgster van de
overleden
hoofdman Caonabo, die heerste over tachtig andere stamhoofden,
gaf dit
feest
van twee dagen in september 1503 om de Spanjaarden op het eiland
Hispañola
te vriend te
houden. Spanjaarden, die
in haar streek woonden, hadden het gerucht verspreid
dat Anacaona
plannen
voorbereidde om de dood van haar echtgenoot op de bezetters te wreken.
Acht
jaar daarvoor was Caonabo omgekomen op een schip dat in haven gereed
lag om te
vertrekken naar Spanje. Het schip werd overvallen door een hevige storm
en
zonk. Later vond
men het lijk van Caonabo vastgeketend in een hut,
voorzien van
tralies.
Op het
feest in Jaragua waren alle autoriteiten van
beide kanten: Alle tachtig Taíno-hoofdmannen
uit de
omliggende plaatsen waren
met hun gevolg gekomen. Nicolás de Ovando, de Spaanse
gouverneur van Hispañola,
was aanwezig, vergezeld door ongeveer vierhonderd man.
Op de tweede dag
van het
feest -een zondag- vielen de Spanjaarden onverwachts de
Taíno’s
aan: het werd
een enorme slachtpartij. De vader van Guarocuya kwam om en hijzelf werd
op het
laatste moment afgevoerd door een van de Spaanse soldaten. Gastvrouw Anacaona
werd gevangen
genomen en veroordeeld
wegens samenzwering tegen het Spaanse gezag.
Zij werd een paar dagen
later in
het openbaar opgehangen.
Een
paar dagen na de slachtpartij van Jaragua bracht priester
Bartolomé
de las Casas de jonge
Guarocuya naar het franciscanenklooster
Verapáz. Broeder
Remigio de Fox, die belast werd
met de opvoeding van Guarocuya, liet
hem dopen
met de naam Enrique. Het jongetje bleek een
goede
leerling te zijn en werd heel geliefd in het
klooster. Van vader Abt tot broeder Portier werd
hij liefdevol
Enriquillo,
“Hendrikje”, genoemd.
“Hendrikje” viel op door zijn intelligentie: hij
werd
op
elfjarige leeftijd voorgesteld aan de nieuwe gouverneur van
Hispañola Diego
Columbus,
de zoon van de grote ontdekkingsreiziger. Zijn beschermheer,
priester
Bartolomé de las Casas,
liet hem vanaf 1509 verder studeren
in het klooster van
San Francisco in de hoofdstad Santo
Domingo. Enriquillo bleef zich in
de
hoogste kringen van het eiland begeven: hij trouwde in 1517
met de
Spaans-Tainose hofdame Mencía. Op zijn huwelijk waren Diego
Columbus, zijn
echtgenote
María de Toledo en de geestelijke
Bartolomé de las Casas als
eregasten aanwezig.
Spoedig
kwam Enriquillo in conflict met de grootgrondbezitter Andrés
de
Valenzuela. Deze laatste
beschuldigde hem in 1518 ervan dat hij zijn
indiaanse
horigen aanspoorde te ontsnappen.
Valenzuela spande een rechtszaak
tegen
Enriquillo aan en voordat deze was begonnen werd
hij gearresteerd. De
geestelijke Bartolomé de las Casas kreeg hem vrij, het
proces werd
verdaagd,
maar het
conflict nam in
hevigheid toe. Spaanse officieren begonnen Enriquillo lastig te vallen
en
Andrés de Valenzuela verkrachtte zijn vrouw
Mencía. Enriquillo was in alle
staten en klaagde
Valenzuela bij de rechtbank van Santo Domingo aan.
Voor
Enriquillo was de maat vol toen
vrienden van Andrés de
Valenzuela hem op zijn
landgoed als horige indiaan probeerden in te lijven.
Zonder een beroep
te
kunnen doen op zijn beschermheer Bartolomé de las Casas, die
in Spanje
verbleef, nam hij in 1519 het besluit om met zijn vrouw af te reizen
naar zijn
geboortestreek Baoruco
en een nieuw leven te beginnen.
In het
bergachtige Baoruco vond Enriquillo een compagnon: Het stamhoofd
Tamayo, die net zoals
hij de slachtpartij van Jaragua had overleefd.
Beiden
verdreven zij het kleine aantal Spaanse
kolonisten in die streek en
richtten
zij een Taíno-staat op waarin de indiaanse burgers vrij
konden
leven.
Enriquillo, die geleerd had hoe gevoelig de Spanjaarden waren voor
gezichtsverlies, wist
dat zijn vijand Andrés de Valenzuela
alles zou doen om
hem te pakken te krijgen.
De
strafexpeditie van Andrés de Valenzuela bleef niet uit. Met
een
legertje van honderd man
onder leiding van Pedro de Mojica bood de
sluwe
Valenzuela vredesvoorstellen aan, die
Enriquillo doorzag. Enriquillo en
Tamayo,
die over een uitstekende kennis van het terrein
beschikten, putten het
legertje
uit door guerrillatechnieken. Tamayo overmeesterde Pedro
de Mojica en
hing hem
op in een boom. Enriquillo nam Andrés de Valenzuela gevangen
en
liet hem de
boom zien, waarin Pedro de Mojica hing en vertelde hem dat hij ook zou
opgehangen worden als hij en zijn soldaten niet onmiddellijk zou
vertrekken.
Valenzuela
bedacht zich geen moment: hij ging -verbaasd over zijn
vrijlating-
als een haas naar Santo Domingo.
Het
Spaanse gezag nam geen genoegen met de nederlaag van Andrés
de
Valenzuela in 1519 en
stuurde een zogenaamde vredesmissie. De bedoeling
was
“Hendrikje” te overreden naar Santo
Domingo te gaan
om daar een vredesverdrag
te tekenen. In werkelijkheid zou hij in de
hoofdstad vermoord worden.
Enriquillo doorzag het snode plan en bleef in Baoruco.
Er bleef de
vredesmissie
niets anders over dan overrichter zake terug te keren naar Santo
Domingo.
De
vrije Taino’s, die spoedig leerden omgaan met de op de
Spanjaarden
veroverde
vuurwapens, bouwden een ongekende weerstand op tegen de
Spaanse
militaire campagnes.
Enriquillo had het geluk dat er een Spaans schip
met goud
en zilver uit Mexico in de baai van
Neiba strandde. Hij liet de
bemanning, die
door zijn Taino’s gevangen was genomen, vrij
maar nam de
lading in beslag als
wisselgeld voor vredesonderhandelingen. Het koloniale gezag
in Santo
Domingo
zette nu een psychologisch wapen in: Enriquillo’s opvoeder
broeder
Remigio de
Fox uit het franciscanenklooster Verapaz werd naar Boaruco gestuurd om
vrede
te
sluiten. Zijn opdracht was om als voorschot op de vrede het Mexicaanse
goud en
zilver
alvast voor een deel te incasseren. Enriquillo besefte dat de
Spanjaarden het goud en zilver
zouden gebruiken om nieuwe
strafexpedities tegen
hem te financieren. Hij ontving zijn oude
leermeester met alle respect
en
vertelde hem diplomatiek dat hij de kostbaarheden uit Mexico
pas zou
overhandigen als er werkelijk van vrede sprake zou zijn.
Enriquillo
kreeg onverwacht begrip van de nieuwe gouverneur van
Hispañola, de bisschop
Sebastián
Ramírez de Fuenleal, die in 1526 onderkoning
Diego Columbus na diens
dood tijdelijk opvolgde. De wereldlijke en
kerkelijke
leider schreef Keizer Karel V een brief
waarin hij wees dat de opstand
van
Enriquillo gerechtvaardigd was omdat de Taino’s op het eiland
onder dwang van
de Spanjaarden onder barre omstandigheden moesten leven. Priester
Bartolomé
de
las Casas, de oude beschermer van Enriquillo, stond -toen hij eenmaal
was
teruggekeerd op
Hispañola- positief tegenover de opstand:
hij steunde
Enriquillo in zijn streven naar een
autonoom gebied voor de
Taino’s.
Het
kostte de Spanjaarden in totaal acht militaire nederlagen en vier
mislukte vredesmissies
voordat zij in 1533 op Hispañola een
verdrag konden
sluiten met Enriquillo. Bisschop Ramírez
de Fuenleal kreeg
met veel moeite
gedaan dat Keizer Karel V een document ondertekende
waarin vrede en
vrijheid
werd aangeboden aan Enriquillo en zijn onderdanen. Dit vredesverdrag,
waarin
het recht van vrijheid en het recht op bewerking van eigen grond
centraal
stonden, wordt
nog steeds gezien als het eerste internationale verdrag
tussen
een inheems volk in Amerika en
Europeanen.
Enriquillo
stierf op 27 september 1535 in het stadje
Azua aan
tuberculose. Volgens de historicus
Gonzalo Fernández de
Oviedo y Valdés* was
hij getekend door zijn Spaanse opvoeding.
Hij schreef dat Enriquillo
zeer
Latijns was en dat hij de Castiliaanse taal uitstekend sprak.
Hij was
ook een
eminente katholiek die op elke vrijdag vastte en die elke dag het
Onze
Vader en
een Weesgegroetje bad.
De
geest van Enriquillo leeft nog voort in de eenentwintigste eeuw. In
het stadje
Tamayo-Bahoruco van zijn geboortestreek staat sinds 1977 de
zender
Radio
Enriquillo. Net zoals de grote Enriquillo verdedigt dit
katholieke
radiostation
de rechten van de mens”.
*
Historia General y Natural de las Indias, Toledo 1526.
|