|
Op de vlucht voor
de Heer van Mayathan was Gonzalo
Guerrero in de handen gevallen van diens
aartsvijand Nachancán, het stamhoofd
van Chetumal, die zijn gebied had in Zuid-Yucatán,
México
en vlakbij het
huidige Corozal in Belize. Guerrero, een matroos uit het
Andalusische Palos
die
min of meer kon
lezen en schrijven, gedroeg zich als een slaaf die wilde
overleven binnen de
stam van
Chetumal.
Spoedig won hij door zijn kennis van de Spaanse krijgskunde
het
vertrouwen
van het stamhoofd
Nachancán. In tijden
van oorlog werd hij tot krijgsheer van
de stam benoemd.
Nachancán had zoveel
vertrouwen in Gonzalo Guerrero dat hij hem een
van zijn mooie dochters
als
vrouw schonk. Als lid van de familie van het stamhoofd werd hij
als man
van
status getatoeëerd. Vierentwintig
jaar
lang leidde Gonzalo Guerrero van Mexico
tot in Honduras aan de
Atlantische
Oceaan een indiaanse verdedigingslinie tegen de Spanjaarden.
“Ik
zou hem
werkelijk graag in handen willen hebben want hij zal ons (de
Spanjaarden) nooit
goed doen*”, riep
Hernán Cortés in 1519 ontstemd toen hij hoorde
dat Gonzalo Guerrero
niet op
zijn verzoek wilde ingaan om hem te steunen bij de verovering
en
kerstening van Mexico.
Deze
slechte
boodschap werd de veroveraar van Mexico medegedeeld
door Jerónimo
de Aguilar,
het schipbreukelingenmaatje uit 1511 van Gonzalo Guerrero.
Hernán Cortés, die
zich
in zijn brieven aan Karel V opstelde als een succesvolle
ondernemer, vermeldde
in zijn
correspondentie met zijn
keizer de weigering van Guerrero niet. Mede door de activiteiten van
Gonzalo Guerrero duurde het pas tot 1546 voordat
Yucatán door Spanje
definitief werd
ingelijfd.
Van het begin af
aan wist Gonzalo Guerrero dat hij
zich tot in het uiterste zou moeten aanpassen
aan de gewoontes van de
stam van
Chetumal. Hij leerde dat het slaaf zijn in de Maya samenleving
niet
betekende
dat het stamhoofd eigenaar was van zijn ziel. Hij won in
aanzien door
zijn
stamleden
bij te brengen hoe je vestingen kon bouwen, hoe man tegen man
gevechten te leveren, hoe je
vallen voor paarden maakte en hoe je grote
schepen
met kano’s effectief kon aanvallen.
Gonzalo Guerrero was de
verantwoordelijke man
achter de schermen voor de nederlaag die
Francisco Hernández
de Córdoba in 1517
op de kust van Yucatán leed.
Gonzalo Guerrero
was hoogst verbaasd toen hij twee
jaar later zijn schipbreukelingenmaatje uit
Mayathan terugzag.
Jerónimo de
Aguilar, die een brief van Hernán Cortés voorlas,
waarin de
veroveraar van
Mexicohem opriep hem te vergezellen en te steunen, deed zijn uiterste
best
Guerrero over te halen.
Na het voorlezen van de brief antwoordde
Gonzalo
Guerrero met indiaans gevoel voor drama:
“
Broeder
Aguilar: Ik ben getrouwd en ik heb drie kinderen; men beschouwt mij
hier als
een stamhoofd en in tijd van oorlog als een aanvoerder. Ga met
God,
want mijn
gezicht is
getatoeëerd en mijn oren zijn doorboord. Wat zouden die Spanjaarden zeggen als zij
mij
zo
zagen? En kijk eens wat een drie knappe kinderen ik heb. Geef
mij
alsjeblieft
wat
van de groene kralen voor mijn familie; dan kan ik hen zeggen
dat
mijn
broers me die
hebben gestuurd uit mijn land”.
Zazil
Há, de echtgenote van Gonzalo Guerrero, die
bij het gesprek aanwezig was, werd
woedend en riep in de Mayataal uit:
“Kijk
eens
met wat voor argumenten die slaaf mijn man komt weghalen. Ga heen en
hou
op met
die praatjes!”
Jerónimo
de Aguilar deed nog een poging om zijn
oude scheepsmakker voor de zaak van
Hernán Cortés
tewinnen. Hij zei dat
Gonzalo zich er bewust van moest zijn dat hij een
christen was. Toen
hij merkte
dat dit niet werkte zei hij dat hij voor een indiaanse
vrouw
zijn ziel
niet
moest verliezen. Tot slot zei Jerónimo de Aguilar
dat
Gonzalo Guerrero, als hij
zijn familie niet wilde achterlaten, zijn vrouw en kinderen best
kon meenemen.
Niets hielp:
Gonzalo Guerrero bleef bij de stam van Chetumal.
Teleurgesteld
ging Jerónimo de
Aguilar naar het eiland Cozumel, waar hij
hoopte Hernán Cortés
te ontmoeten. Tot zijn grote
ontsteltenis miste hij de boot: Aguilar
merkte dat
Hernán Cortés met zijn schepen al was
vertrokken.
De Spaanse
veroveraars hebben later verwoede
pogingen gedaan om Gonzalo Guerrero te
winnen voor de “Spaanse Zaak”.
Tevergeefs.
De voorspelling
van Cortés: “Ik zou hem
werkelijk graag in handen willen hebben want
hij zal ons(de Spanjaarden) nooit goed doen”, kwam
uit:
Gonzalo Guerrero was vanaf
1519
aantoonbaar heer en meester in de kuststrook van het huidige
Belize tot in
Honduras.
Als een held leefde Gonzalo Guerreroin Corozal tot het
noodlot in
1536 tijdens een
gevecht met Spanjaarden in Honduras toesloeg. Als
vijftiger
verdedigde hij met ongeveer
vijftig gewapende kano’s de
versterking van zijn
bevriende stamhoofd Cozumba, ook wel
Cicunba genoemd. Hij vond op 13
augustus
1536 in Puerto Caballos, het huidige Puerto
Cortés,
de dood
door een schot uit
een haakbus. Het gebied van de Chetumalstam werd negen
jaar
later door
de
Spanjaarden ingelijfd.
Gonzalo Guerrero
is een van de weinige Spanjaarden
die in Latijns-Amerika een standbeeld heeft.
De gemeenteraad van de
Mexicaanse
steden Mérida en Akumal hebben een gedenkteken
voor hem
opgericht als Vader
van de Mestiezen. Dikwijls liggen
er bloemen voor zijn standbeeld.
In de Spaanse
officiële
geschiedenis wordt Gonzalo Guerrero nauwelijks vermeld. Men heeft
hem
stilzwijgend eeuwenlang als een verrader beschouwd. Guerrero besefte
maar al te
goed
waarom hij nee tegen zijn schipbreukelingmaatje zei. Hij had het
over: “Wat zouden die
Spanjaarden zeggen als zij mij zo zagen?” Het woord
die sloeg
op zijn landgenoten, die
vergiftigd waren door de
ideeën van de
Inquisitie. Gonzalo Guerrero was voor de
Spanjaarden de eerste
getatoeëerde
landgenoot die zij in hun leven zagen. In het Spanje van de
Inquisitie
werd een
tatoeage gezien als een brandmerk van de duivel. Met zulke
“zichtbare sporen
van de Satan” zou Gonzalo Guerrero en zijn familie onder de
Spanjaarden door
niemand serieus
worden genomen, laat staan een kans op een menswaardig
leven hebben
gehad.
|