“Petites Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika 

door Peter Hattink*
peterhattink@yahoo.es

 Deze “Petites Histoires” zijn anecdotische verhalen in hun historische context. Zij geven een inzicht  in het denken  
en het handelen van de volkeren van Amerika, de nieuwkomers en hun nakomelingen op dit continent. 

De officiële geschiedenis is veelal geschreven in het belang van de staat. 
Deze verhalen gaan over de achterkant van historische gebeurtenissen, die door officiële 
geschiedschrijvers  zelden vanuit de mens zelf is verteld.
 
 

1540 De Zwarte Veroveraars

 Pedro alonso niño
 Pedro Alonso Niño






Nicolás de Ovando
 Nicolás de Ovando


 



Vasco Núñez de Balboa
Vasco Núñez de Balboa






Juan Garrido
 Juan Garrido






Pedro de Heredia







Pánfilo de Narváez
 Pánfilo de Narváez
 





 Alvar Nuñez cabeza de vaca
Alvar Núñez de Vaca






Antonio de Mendoza
 Antonio de Mendoza
 





Marcos de Niza
Pater Marcos de Niza






Dteefjes route
 de route van Steefje







Estevanico
'  Steefje '







Pueblo Zuñi
 Pueblodorp



  

Met de ontdekking en verovering van Amerika waaierde de bevolking van Spanje uit naar het nieuwe continent. Katholiek geworden Spanjaarden, Joden en Moren* -al of niet als vrij mens- monsterden aan op de schepen, die naar “Indië” zouden gaan. De Spanjaarden wisten dat het verre oosten al eeuwen werd bevaren door de Arabieren. Daarom zond men in 1492 om de eerste contacten te leggen Luis de Torres uit, een bekeerde jood die vloeiend Arabisch sprak. 

De indianen in Amerika vonden de Moren, net zoals de blanke bebaarde rondogige Spanjaarden, heel exotisch. Een van deze gelatiniseerde Moren, zo  genoemd omdat ze op het Iberische Schiereiland vloeiend Spaans en Portugees leerden spreken en ze bij hun doop een Latijnse naam hadden gekregen, werd de hoogste gerechtsdienaar op de West-Indische kolonie Hispañola**. Een andere Moor, die zich ontpopte als een talen- en communicatiewonder, werd in de Verenigde Staten dag en nacht omringd door de eerste groupies in de geschiedenis. De benoeming van de vrijgemaakte Guinese slaaf Francisco de Arobe tot gouverneur van Esmeraldas voorkwam het uitroepen van een Zambo***-republiek in Ecuador . 

Pedro Alonso Niño was een mulat uit het Spaanse stadje Moguer, die door koning Ferdinand in 1492 als stuurman werd benoemd op een van de schepen van Christoffel Columbus. Wegens zijn donkere huidkleur en zijn krullende haar werd hij dikwijls door niet Andalusische Spanjaarden voor een Moor aangezien. Net zoals de stuurlui van de twee andere schepen had hij zijn stuurmansexamen afgelegd in de “Casa de Contratación”, de staatsinstantie in Sevilla die alle zaken voor Indië beheerde. Als stuurman was hij verantwoordelijk voor de veiligheid van het schip, het uitzetten van de juiste route en voor het veilig binnenlopen in de havens. 

De eerste gouverneur van Hispañola Nicolás de Ovando beschikte in 1502 over zwarte kolonisten die hem hielpen bij de bouw van de eerste Spaanse vestiging in de nieuwe wereld. 

Dank zij het heldhaftige optreden van de Moor Diego Méndez kon Christoffel Columbus op zijn vierde en laatste reis naar Spanje terugkeren.  De zeevaarder had op 25 juni 1503 twee lekkende schepen afgemeerd in de baai van Santa Anna op het eiland Jamaica. Diego Méndez, de persoonlijke slaaf en vertrouwensman van Columbus, kreeg van zijn baas een brief mee voor de gouverneur van Hispañola, waarin hij toestemming vroeg om een schip te kopen. Méndez kocht samen met de kapitein van een van de zinkende schepen een kano van een lokaal stamhoofd en voer hiermee naar Hispañola. Gouverneur Nicolás de Ovando, die Columbus slechtgezind was, liet na het lezen van de brief beide ondergeschikten van de admiraal voor zeven maanden in de gevangenis zetten. Toen de gouverneur beiden eindelijk vrij liet was er geen schip op het eiland beschikbaar. Intussen moest Columbus een muiterij op Jamaica in de kiem smoren. Pas op 29 juni 1504 lukte het de kapitein en Diego Méndez om met een karveel de manschappen op Jamaica te bereiken. Na proviand ingeslagen te hebben zette het schip koers naar Spanje waar het op 7 november 1504 aankwam.  

De Moor Diego Méndez stond er goed op bij de katholieke koning Ferdinand. Hij werd in 1508 door de Spaanse vorst in Fuente de Cantos, Badajoz, wegens zijn verdiensten jegens het vaderland tot ridder geslagen. Een jaar later ging hij als secretaris en schatbewaarder van Diego Columbus, de zoon van Christoffel, naar Hispañola, waar hij spoedig een stuk land en tachtig indianen tot zijn beschikking kreeg. Méndez, die de familie Columbus een warm hart toedroeg, trouwde in 1517 met de Spaanse Francisca de Ribera waarbij hij twee kinderen kreeg. In het jaar van zijn huwelijk reisde hij naar het hof van keizer Karel V in Vlaanderen waar hij zaken voor de familie Columbus regelde. In 1522 ging de droom van Diego Méndez in vervulling: hij werd door gouverneur Diego Columbus benoemd tot de hoogste gerechtsdienaar van de Spaanse kolonie Hispañola. 

De meest beroemde zwarte man in de gelederen van de veroveraar van Mexico, Hernán Cortés, was Juan Garrido, een vrije Afrikaan. Eerder nam hij deel aan de expedities van de ontdekkingsreiziger Juan Ponce de León in Puerto Rico  en in Florida. Op Mexicaans inheemse schilderijen van de zestiende eeuw wordt Garrido altijd afgebeeld als een van de Spaanse gezaghebbers: zonder militaire wapenuitrusting. Juan Garrido was de eerste man uit de oude wereld op het noordelijke halfrond van Amerika die met succes Europese granen zoals tarwe verbouwde op zijn landgoed in Coyocán, México. 

De ontdekkingsreiziger Pedro de Heredia had een groot aantal Afrikaanse slaven bij zich toen hij Cartagena de Indias in 1533 stichtte. Deze stad, waarvan heden ten dage de meerderheid van de bevolking zwart is, groeide uit tot de schatkamer van Zuid-Amerika: In Cartagena de Indias, werden de edele metalen opgeslagen tot deze met schepen naar Spanje werden vervoerd. 

Francisco Pizarro veroverde Peru met ruim vijftig Afrikaanse slaven, waaronder achttien vrouwen. Gínes, een vrije zwarte matroos, werd door Pizarro in 1526 in de noord-Peruaanse stad Túmbez achtergelaten om als toekomstige gids alles te weten te komen van het Inca-rijk en om de taal te leren. De status van slaaf van Juan Valiente verhinderde niet dat hij onder Pizarro werd aangesteld als commandant. Hij voerde met succes van 1540 tot 1546 de Spanjaarden aan in een aantal veldslagen tegen de Araucanen in Chili. Zijn verdiensten werden beloond  met een landgoed dat lag in Providencia, de huidige residentiële wijk van Santiago. Vanuit deze vesting hield Juan Valiente enkele indiaanse dorpen onder controle. Ook in Argentinië waren Afrikanen aanwezig bij de eerste contacten tussen de Spanjaarden en de bewoners van Buenos Aires. Onder de eerste Argentijnse cowboys in de pampa waren zwarten, die evenals hun Spaanse broeders “gauchos” werden. 

De meest beroemde onder de zwarte ontdekkers en veroveraars van Amerika was Estévanico, “Steefje”, een vrolijke en goedlachse Moor uit Marokko. Omstreeks 1503 werd hij geboren in het stadje Azemmour aan de westkust. Op tienjarige leeftijd werd hij door Portugese slavenhandelaren gevangen. Tijdens de grote droogte van 1520-1521 is Estévanico, die vergeleken met de Europeanen lang was, verkocht aan Spanjaarden waar hij uiteindelijk terecht kwam in handen van de officier  Andrés Dorantes de Carranza uit het plaatsje Bejar de Castañar. De militair monsterde als commandant infanterie in 1527 samen met zijn slaaf “Steefje” aan op een van de schepen, die de onbekende gebieden van Florida zouden gaan veroveren. 

Het zat “Steefje” en zijn meester Andrés Dorantes niet mee: op 17 juni 1527 vertrokken zij uit San Lucar de Barameda met de expeditie van Pánfilo de Narváez, de nieuwe gouverneur van het nog bloot te leggen Florida.  De vloot bestond uit vijf schepen met zeshonderd man en honderd paarden en ander vee. De tocht over de Atlantische Oceaan werd een ramp: op de overladen schepen was nauwelijks ruimte. Paarden, runderen, schapen, varkens en geiten zorgden voor slechte hygiënische toestanden. Het voedsel was schaars en slecht. Nauwelijks aangekomen op de West-Indische kolonie Hispañola deserteerden van pure ellende ruim honderdveertig man. 

In het Caribische Gebied werd de vloot getroffen door windhozen en  orkanen waardoor men naar Cuba moest uitwijken. Pas in april 1528 zetten ruim driehonderd man en de tweeënveertig paarden, die de reis hadden overleefd, voet aan wal in de Baai van Tampa op de westkust van Florida. Vriendelijke indianen uit een naburig dorpje brachten de rondogen, die men hun “drijvende woningen” waren aangekomen, verse vis uit hun netten. In een van de visnetten vond Pánfilo de Narváez een klompje goud, dat de harten van de expeditieleden vol verwachting deed kloppen. 

De nieuwe gouverneur besloot dat hij met driehonderd man in het binnenland op zoek zou gaan naar Cibola****: een van de zeven legendarische steden, waarvan de bewoners in gouden paleizen zouden wonen. De rest van de bemanning zou met de schepen noordwest varen naar een veilige haven. Alvar Nuñez Cabeza de Vaca, de door de koning Ferdinand benoemde kassier van de expeditie, was tegen de opsplitsing van de groep maar hij moest de orders van zijn baas Pánfilo de Narváez opvolgen. “Steefje” en zijn baas Andrés Dorantes, die inmiddels dik bevriend waren geraakt, verbaasden zich over de wreedheid van de gouverneur. Pánfilo de Narváez hakte bijvoorbeeld de neus af van Hirrahigua, hoofd van het kamp Ucita, behorend tot de Timucua-indianen, toen deze vertelde dat er in Florida helemaal geen goudmijnen waren. 

Na drie maanden zwerven, vechten tegen vijandige indianen, ziekten en honger zonder ook maar iets van goud, zilver of parels te hebben gevonden was het enthousiasme er af. Aan de kust was geen van de vijf schepen te zien, die op last van Pánfilo de Narváez een veilige haven moesten zoeken. Deze vloot, met aan boord het ketelbinkje Juan Ortíz uit Sevilla, was na twee maanden zoeken onverrichter zake vertrokken naar een veilige haven van Cuba. Ortíz zou later alle moeite doen om zelf een rol te mogen spelen in de ontdekking van Florida. 

Narváez, die wegens de slechte resultaten in een depressie raakte, gaf de expeditie op en  beval in het stadje Aute zo goed als men kon vijf schepen te bouwen waarmee hij naar Mexico wilde gaan. Na zes weken zwoegen waren de boten af. Nadat ze -op één na- het laatste paard hadden opgegeten scheepten ze op 22 september 1528 in. “Steefje”, en Dorantes kwamen met ongeveer vijftig man terecht in een schuit onder leiding van kapitein  Alonso del Castillo Maldonado. 

Niemand kwam in Mexico aan. Ter hoogte van de monding van de Mississippi sloeg de sterke stroming de schepen uit elkaar. Sommige schepen strandden op de kust en andere, waaronder dat van Pánfilo de Narváez, verdwenen in zee. Zonder dat er een man verloren ging kapseisde de schuit van “Teefje” op het eiland Charleston waar men de kassier van de expeditie Alver Núñez Cabeza de Vaca en dertig andere schipbreukelingen ontmoette. De vriendelijke Karankawa-indianen van het eiland -kannibalen voor hun vijanden in oorlogstijd- waren geshockeerd toen zij zagen dat de Spanjaarden hun eigen mensen opaten, die in de strenge winter van de kou waren omgekomen. Om te voorkomen dat zij eens aan de beurt zouden komen werden de Spanjaarden tot slaaf gedegradeerd.   

Van de tachtig Spanjaarden op het eiland Galvestone overleefden er vijftien de winter van 1528-1529. Andrés Dorantes en kapitein  Alonso del Castillo Maldonado kregen genoeg van hun harde leven op het eiland: Met de overgebleven mannen uit hun boot, inclusief “Steefje” beraamden zij een ontsnapping. Vijf man werden tijdens de vlucht door de pijlen van de Karankawa’s gedood. Op de kust van Texas vielen zij in handen van de Quevene-indianen, die als slavenhouders veel strenger waren dan die op het eiland Galvestone. De slavenarbeid dunde de groep Spanjaarden volledig uit: Alleen Andrés Dorantes, “Steefje” en kapitein  Alonso del Castillo Maldonado  waren nog in leven toen in 1532 Alvar Núñez Cabeza de Vaca door de Quevenes werd gevangen. Núñez Cabeza de Vaca, die zich de cultuur en taal van de indianen had eigen gemaakt, was uitgegroeid tot een zelfstandige handelsreiziger in schelpen, zeeslakken, dierenvellen, vuurstenen en rode oker. Het duurde tot 23 september 1534 voordat de vier mannen een mogelijkheid zagen om te ontsnappen. Tijdens de regionale  jaarlijkse stammenbijeenkomst “Truce deTunas” op het vasteland zagen zij hun kans schoon en vluchtten zij naar het westen in de hoop Mexico te bereiken. 

Van het begin af aan  trad “Steefje” op als een soort voorzitter van de groep. Zijn  lichaamslengte maakte op de inlanders grote indruk. Aanvankelijk reisde het groepje heel voorzichtig uit angst voor aanvallen. Gaandeweg zagen de vier mannen dat de indianen hen beschouwden als “door de hemel gezonden”. “Steefje” was communicatief, legde gemakkelijk de eerste kontakten, nam iedereen voor zich in en won het vertrouwen. Als het op zingen en dansen aankwam veroverde hij de harten van alle indianen. 

Spoedig kenden de inlanders het exotische gezelschap geneeskundige krachten toe. Alonso del Castillo Maldonado kreeg als eerste het verzoek een man te genezen van zijn hoofdpijn. Toen Castillo Maldonado een kruisteken over de zieke had gemaakt verklaarde de patiënt opgewekt dat zijn hoofdpijn over was. Op den duur was de vraag naar wonderen zo groot dat de vier mannen zich tot succesvolle “dokters” ontwikkelden. Hun roem als medicijnmannen werd zo groot dat de indianen de dood van een patiënt uitlegden als een soort straf voor de zieke, die volgens hen “zeker een van deze goddelijke heelmeesters had beledigd”. 

De vier mannen kregen van de inlanders de bijnaam “Kinderen van de Zon” omdat zij blijmoedig en al wonderen verrichtend het territorium van de Verenigde Staten van oost naar west doorkruisten. Bij elke nederzetting werden zij overladen door geschenken: Voedsel, dierenhuiden, katoenen dekens, sieraden en rammelaars van kalebassen met daarop uitgesneden menselijke gezichten. Een groeiende stoet van bewonderaars en bewonderaarsters van “Steefje” volgde de groep van nederzetting tot nederzetting totdat deze in maart 1536 bij de Sinaloarivier op een twintigtal Spaanse ruiters stootte, dat op slavenjacht was. 

De schok van de ontmoeting was groot. Het eerste uur werd er amper gesproken. De Spanjaarden herkenden nauwelijks hun landgenoten, die gekleed waren in dierenvellen, versierd met veren, toeters en bellen. Na de eerste schrik vertelden de Spaanse ruiters dat men wel geïnteresseerd was in indiaanse slaven. Alvar Núñez Cabeza de Vaca heeft als Brugman moeten praten om zijn indiaanse volgelingen als vrije mensen te laten gaan.   

De vier werden op 24 juli 1536 als helden in Mexico-stad ontvangen. De Spaanse machthebbers vroegen hen honderduit over het land en de volkeren die ze gezien hadden. Men vroeg  herhaaldelijk naar Cibola, een van de zeven gouden steden die volgens de autoriteiten ten noorden van het Sonora-gebergte moesten liggen. Daar zouden de huizen met edelstenen zijn versierd en zouden de wegen met goud geplaveid zijn.

Door allerlei politieke verwikkelingen duurde het tot het voorjaar van 1539 voordat “Steefje” een uniek aanbod kreeg. Onderkoning Antonio de Mendoza, die “Steefje” van Andrés Dorantes had gekocht, benoemde hem als vertaler en gids van Marcos de Niza, een franciscaanse pater, die als opdracht kreeg op zoek te gaan naar Cibola. “Steefje” hoefde niets anders te doen dan de geestelijke te gehoorzamen. 

“Steefje” zag in gedachten de roem en de vrijheid die hij zou verwerven door de ontdekking van Cibola. Hij besefte dat de zwijgzame en stoïcijnse franciscaan zonder hem verloren zou zijn. Op vrijdag 7 maart 1539 vertrokken ze, vergezeld door een aantal Pima-indianen, uit Culiacán, als een wandelend contrast: De lange lachende Moor met een kroon van pluimen op het hoofd, in een kleurig kostuum met aan de armen en benen veren en belletjes, die bij elke beweging rinkelden. Naast hem liepen twee grote hazewindhonden  Daarachter de kleine sobere en ernstig kijkende franciscaan, gekleed in de eenvoudige grof geweven pij.  Op last van “Steefje” droeg de Pima-indiaan, die de stoet opende, een met veren versierde kalebas als symbool van de macht. 

“Steefje” wist precies wat hij deed en waar hij heen ging. Hij reisde naar het noorden in het gebied dat hij kende. De bonte stoet stak de Yaquirivier over naar de prachtige vallei van de Sonorarivier en hield halt bij elke indiaanse nederzetting waar “Steefje” op een vorstelijke en uitdagende wijze vroeg om vrouwen en voedsel. Als tegenprestatie verrichtte hij wonderen door met veel poespas zieken te genezen. Doordat hij hun taal sprak en  guitig overkwam veroverde hij de harten van de inheemsen. Veel indiaanse meisjes, die “Steefje” sexy en exotisch vonden, verlieten hun ouderlijke woning en sloten zich bij de stoet aan in de hoop wat liefde van hem te ontvangen. De eerste groupies in de geschiedenis liepen kwebbelend en dansend achter hun idool aan en vochten onderling om ‘s nachts bij hem te kunnen zijn. 

De franciscaan Marcos de Niza begon er genoeg van de krijgen dat iedereen hem zag als de tweede man in het gezelschap. Op Goede Vrijdag 21 maart 1539 kwam de stoet aan in de nederzetting Vacapa waar de franciscaan besloot te blijven om daar het Paasfeest te vieren. De afspraak was dat “Steefje” op eigen verantwoordelijkheid verder mocht gaan, maar dat zij beiden niet meer dan 250 km. ver van elkaar zouden opereren. Het contact zou regelmatig worden onderhouden door middel van indiaanse boodschappers. Omdat de geestelijke bijna geen indiaanse talen sprak zou “Steefje” symbolen over Cibola sturen in de vorm van een kruis: Een kruis zo groot als een hand zou niets bijzonders betekenen; een kruis twee keer zo groot zou iets matig belangrijks kunnen zijn. Een reusachtig kruis zou een belangrijke vondst betekenen.  

Na vier dagen kwam een indiaan Marcos de Niza bezoeken met een manshoog kruis. De boodschap sloeg in als een bom: “Steefje” had indianen gesproken die hem hadden verteld dat er zeven steden op een afstand van dertig dagen gaans lagen. Een andere indiaan had het over “steden” gehad, die Cibola* werd genoemd. De franciscaan noteerde in zijn rapport dat de “Zeven Steden van Cibola” waren ontdekt! Onmiddellijk ging hij “Steefje” achterna die overal in de nederzettingen waar hij langs was gekomen logies voor de geestelijke en zijn personeel had gereserveerd. 

De geestelijke Marcos de Niza kon het spoor van “Steefje” door Arizona naar Nieuw Mexico gemakkelijk volgen. Begin mei 1539 trok de priester over het hoge Coloradoplateau toen een indiaan    in paniek op hem kwam aanstormen met de boodschap dat de Moor in het dorp Háwikuh van de Zuñi Pueblo-indianen* was vermoord. Volgens de boodschapper hadden de magische krachten van Estévanico het plotseling begeven. Later kwamen nog een aantal indianen, waarvan sommigen gewond, huilend vertellen dat “Steefje”, na twee dagen vastgezeten te hebben in een hut buiten het dorp, bij zijn vrijlating doorzeefd werd door pijlen van de Zuñi’ s. Vlak voor de vrijlating van “Steefje” hadden de dorpsoudsten van Háwikuh de rest van de troep relatief veilig laten vertrekken.  

De geestelijke was ondersteboven van het nieuws van de dood van “Steefje”. Ondanks alle risico’s besloot hij voor zichzelf dat de dood van Estévanico niet gewroken zou zijn als hij niet met eigen ogen Cibola had gezien. Vastberaden trok met enkele trouwe Pima-indianen naar het noorden totdat hij vanaf een heuvel het dorp Háwikuh zag: De lichtgele “stad” , bestaande uit “vierkante flats” met verdiepingen, gelegen voor de achtergrond van het donkerblauwe Zuñigebergte moest wel Cibola zijn!. De lichtgeelbruine gebouwen, die scherp aftekenden tegen de donkere achtergrond, zag pater Marcos de Niza als de legendarische gouden tempels van Cibola. Zijn interpretatie van Háwikuh bracht de expeditie op gang van de ontdekker Francisco Vásquez de Coronado, die volledig mislukte omdat men in de Pueblodorpen****** geen edelmetalen vond. 

“Steefje” heeft in Háwikuh zijn hand overspeeld. Hij stootte op een volk dat weliswaar de landbouw op een primitieve manier bedreef, maar het nomadenleven al lang had verlaten. De gemeenschap had diepe waarden en normen ontwikkeld en was bereid haar schamele bezittingen tot het uiterste te verdedigen. De Zuñi’ s, die geen vorsten of stamhoofden kenden en zich lieten leiden door raden van oudsten, waren zeer traditioneel en bijgelovig.  De uitdagende manier waarop “Steefje” geslepen turkoois, vrouwen en voedsel eiste viel verkeerd. Turkoois was voor dorpelingen een heilige mineraalsoort. “Steefjes” verhaal dat hij een afgezant was van een machtige blanke koning uit het oosten was voor de inwoners van Háwikuh ongeloofwaardig: Zij begrepen niet waarom een blanke vorst zich door zwarte onderdanen liet vertegenwoordigen. De Zuñi’ s waren ook niet blij met de indianen in “Steefjes” gezelschap: Zij kwamen uit het zuiden en zouden spionnen kunnen zijn. 

Het  doorslaggevende argument in het twee dagen durende beraad van de dorpsoudsten om “Steefje” ter dood te veroordelen was de zwarte magie. De stoet werd geopend door een indiaan, die als teken van “Steefjes” macht een kalebas droeg waarop uilenveren zaten geplakt. De uil was voor de Zuñi’ s uit Háwikuh het symbool van de naderende dood. Om te voorkomen dat de geest van Estévanico -met het daarin opgesloten symbool van de naderende dood- in het Pueblodorp zou blijven rondzwerven hebben de Zuñi’ s het lijk van “Steefje” in kleine stukjes gehakt en deze buiten hun gemeenschap verspreid in de grond gestopt. 

Estévanico is de geschiedenis ingegaan als de eerste mens, die het grondgebied van de Verenigde Staten in volle breedte te voet is overgestoken.
 

*         Het woord “Moor” stond vroeger voor: “Iemand van donkere/zwarte huidskleur, van oorsprong afkomstig uit  Marokko of
          Mauritanië. Het woord “Neger” wordt langzamerhand  actueel vanaf 1441 als de Portugezen  Afrikaanse  slaven
          beginnen te ronselen uit Niger en landen ten zuiden van de Sahara.

**       Hispañola: een verlatijnste naam voor “Klein Spanje”, de naam die Christoffel Columbus gaf aan het eiland dat nu
          gevormd wordt door de Dominicaanse Republiek en Haïti.

***      Zambo: afstammeling van een neger als vader en een indiaanse moeder.

****    Cibola: legende uit het islamitische Iberische Schiereiland van de achtste eeuw. Door de komst van de Islam zouden
          zeven bisschoppen met leden van hun congregaties vanuit Lissabon zijn vertrokken naar een land in het  westen waar zij
          op  “Antila” zeven steden van goud stichtten.

*****   Cibola: Fonetisch kwam het woord min of meer overeen met het lokaal indiaanse woord voor bizon.

******  Pueblodorp: vaste nederzetting van groep indianen in Nieuw Mexico, Verenigde Staten. Zij werden door de Spanjaarden
          Pueblo-indianen genoemd omdat zij permanente nederzettingen bouwden in de vorm van een dorp. De vaste
          nederzetting bestond uit gebouwen van  een of meer verdiepingen, geconstrueerd van hout, steen en adobe, in de zon
          gedroogde klei, vermengd met stro.


    route estavanico                      Pueblo Zuñi
de route van Steefje                                                                                                    Pueblo Zuñi

 copyright Peter Hattink De verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.

terug naar Petites Histoires

Terug naar de voorpagina