“Petites
Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika
Deze
verhalen gaan over de achterkant van historische
gebeurtenissen, die door officiële
geschiedschrijvers zelden
vanuit de mens
zelf is verteld.
| 1540 De Zwarte Veroveraars | ||
|---|---|---|
![]() Pedro Alonso Niño ![]() Nicolás de Ovando ![]() Vasco Núñez de Balboa ![]() Juan Garrido ![]() ![]() Pánfilo de Narváez ![]() Alvar Núñez de Vaca ![]() Antonio de Mendoza ![]() Pater Marcos de Niza ![]() de route van Steefje ![]() ' Steefje ' ![]() Pueblodorp |
Met
de ontdekking en verovering van Amerika waaierde de bevolking van
Spanje uit
naar het nieuwe continent. Katholiek geworden Spanjaarden, Joden en
Moren* -al
of niet als vrij mens- monsterden aan op de schepen, die naar
“Indië” zouden
gaan. De Spanjaarden wisten dat het verre oosten al eeuwen werd bevaren
door de
Arabieren. Daarom zond men in 1492 om de eerste contacten te leggen
Luis de
Torres uit, een bekeerde jood die vloeiend Arabisch sprak. De
indianen in Amerika vonden de Moren, net zoals de blanke bebaarde
rondogige
Spanjaarden, heel exotisch. Een van deze gelatiniseerde Moren, zo genoemd omdat ze op het
Iberische
Schiereiland vloeiend Spaans en Portugees leerden spreken en ze bij hun
doop
een Latijnse naam hadden gekregen, werd de hoogste gerechtsdienaar op
de
West-Indische kolonie Hispañola**.
Een andere Moor, die zich
ontpopte als een talen- en communicatiewonder, werd in de Verenigde
Staten dag
en nacht omringd door de eerste groupies in de geschiedenis. De
benoeming van
de vrijgemaakte Guinese slaaf Francisco de Arobe tot gouverneur van
Esmeraldas
voorkwam het uitroepen van een Zambo***-republiek
in Ecuador . Pedro
Alonso Niño was een mulat uit het Spaanse stadje Moguer, die
door koning
Ferdinand in 1492 als stuurman werd benoemd op een van de schepen van
Christoffel Columbus. Wegens zijn donkere huidkleur en zijn krullende
haar werd
hij dikwijls door niet Andalusische Spanjaarden voor een Moor
aangezien. Net
zoals de stuurlui van de twee andere schepen had hij zijn
stuurmansexamen
afgelegd in de “Casa de Contratación”,
de staatsinstantie in Sevilla die alle
zaken voor Indië beheerde. Als stuurman was hij
verantwoordelijk voor de
veiligheid van het schip, het uitzetten van de juiste route en voor het
veilig
binnenlopen in de havens. De
eerste gouverneur van Hispañola Nicolás de Ovando
beschikte in 1502 over zwarte
kolonisten die hem hielpen bij de bouw van de eerste Spaanse vestiging
in de
nieuwe wereld. Dank
zij het heldhaftige optreden van de Moor Diego Méndez kon
Christoffel Columbus
op zijn vierde en laatste reis naar Spanje terugkeren.
De zeevaarder had op 25 juni 1503 twee
lekkende schepen afgemeerd in de baai van Santa Anna op het eiland
Jamaica.
Diego Méndez, de persoonlijke slaaf en vertrouwensman van
Columbus, kreeg van
zijn baas een brief mee voor de gouverneur van Hispañola,
waarin hij
toestemming vroeg om een schip te kopen. Méndez kocht samen
met de kapitein van
een van de zinkende schepen een kano van een lokaal stamhoofd en voer
hiermee
naar Hispañola. Gouverneur Nicolás de Ovando, die
Columbus slechtgezind was,
liet na het lezen van de brief beide ondergeschikten van de admiraal
voor zeven
maanden in de gevangenis zetten. Toen de gouverneur beiden eindelijk
vrij liet
was er geen schip op het eiland beschikbaar. Intussen moest Columbus
een
muiterij op Jamaica in de kiem smoren. Pas op 29 juni 1504 lukte het de
kapitein en Diego Méndez om met een karveel de manschappen
op Jamaica te
bereiken. Na proviand ingeslagen te hebben zette het schip koers naar
Spanje
waar het op 7 november 1504 aankwam. De
Moor Diego Méndez stond er goed op bij de katholieke koning
Ferdinand. Hij werd
in 1508 door de Spaanse vorst in Fuente de Cantos, Badajoz, wegens zijn
verdiensten jegens het vaderland tot ridder geslagen. Een jaar later
ging hij
als secretaris en schatbewaarder van Diego Columbus, de zoon van
Christoffel,
naar Hispañola, waar hij spoedig een stuk land en tachtig
indianen tot zijn
beschikking kreeg. Méndez, die de familie Columbus een warm
hart toedroeg, trouwde
in 1517 met de Spaanse Francisca de Ribera waarbij hij twee kinderen
kreeg. In
het jaar van zijn huwelijk reisde hij naar het hof van keizer Karel V
in
Vlaanderen waar hij zaken voor de familie Columbus regelde. In 1522
ging de
droom van Diego Méndez in vervulling: hij werd door
gouverneur Diego Columbus
benoemd tot de hoogste gerechtsdienaar van de Spaanse kolonie
Hispañola. De
meest beroemde zwarte man in de gelederen van de veroveraar van Mexico,
Hernán
Cortés, was Juan Garrido, een vrije Afrikaan. Eerder nam hij
deel aan de
expedities van de ontdekkingsreiziger Juan Ponce de León in
Puerto Rico en in
Florida. Op Mexicaans inheemse
schilderijen van de zestiende eeuw wordt Garrido altijd afgebeeld als
een van de
Spaanse gezaghebbers: zonder militaire wapenuitrusting. Juan Garrido
was de
eerste man uit de oude wereld op het noordelijke halfrond van Amerika
die met
succes Europese granen zoals tarwe verbouwde op zijn landgoed in
Coyocán,
México. De
ontdekkingsreiziger Pedro de Heredia had een groot aantal Afrikaanse
slaven bij
zich toen hij Cartagena de Indias in 1533 stichtte. Deze stad, waarvan
heden
ten dage de meerderheid van de bevolking zwart is, groeide uit tot de
schatkamer van Zuid-Amerika: In Cartagena de Indias, werden de edele
metalen
opgeslagen tot deze met schepen naar Spanje werden vervoerd. Francisco
Pizarro veroverde Peru met ruim vijftig Afrikaanse slaven, waaronder
achttien
vrouwen. Gínes, een vrije zwarte matroos, werd door Pizarro
in 1526 in de
noord-Peruaanse stad Túmbez achtergelaten om als toekomstige
gids alles te
weten te komen van het Inca-rijk en om de taal te leren. De status van
slaaf
van Juan Valiente verhinderde niet dat hij onder Pizarro werd
aangesteld als
commandant. Hij voerde met succes van 1540 tot 1546 de Spanjaarden aan
in een
aantal veldslagen tegen de Araucanen in Chili. Zijn verdiensten werden
beloond met een
landgoed dat lag in
Providencia, de huidige residentiële wijk van Santiago. Vanuit
deze vesting
hield Juan Valiente enkele indiaanse dorpen onder controle. Ook in
Argentinië
waren Afrikanen aanwezig bij de eerste contacten tussen de Spanjaarden
en de
bewoners van Buenos Aires. Onder de eerste Argentijnse cowboys in de
pampa
waren zwarten, die evenals hun Spaanse broeders
“gauchos” werden. De
meest beroemde onder de zwarte ontdekkers en veroveraars van Amerika
was
Estévanico, “Steefje”, een vrolijke en
goedlachse Moor uit Marokko. Omstreeks
1503 werd hij geboren in het stadje Azemmour aan de westkust. Op
tienjarige
leeftijd werd hij door Portugese slavenhandelaren gevangen. Tijdens de
grote
droogte van 1520-1521 is Estévanico, die vergeleken met de
Europeanen lang was,
verkocht aan Spanjaarden waar hij uiteindelijk terecht kwam in handen
van de
officier Andrés
Dorantes de Carranza uit
het plaatsje Bejar de Castañar. De militair monsterde als
commandant infanterie
in 1527 samen met zijn slaaf “Steefje” aan op een
van de schepen, die de
onbekende gebieden van Florida zouden gaan veroveren. Het
zat “Steefje” en zijn meester Andrés
Dorantes niet mee: op 17 juni 1527
vertrokken zij uit San Lucar de Barameda met de expeditie van
Pánfilo de
Narváez, de nieuwe gouverneur van het nog bloot te leggen
Florida. De vloot
bestond uit vijf schepen met
zeshonderd man en honderd paarden en ander vee. De tocht over de
Atlantische
Oceaan werd een ramp: op de overladen schepen was nauwelijks ruimte.
Paarden,
runderen, schapen, varkens en geiten zorgden voor slechte
hygiënische
toestanden. Het voedsel was schaars en slecht. Nauwelijks aangekomen op
de
West-Indische kolonie Hispañola deserteerden van pure
ellende ruim
honderdveertig man. In
het Caribische Gebied werd de vloot getroffen door windhozen en orkanen waardoor men naar
Cuba moest
uitwijken. Pas in april 1528 zetten ruim driehonderd man en de
tweeënveertig
paarden, die de reis hadden overleefd, voet aan wal in de Baai van
Tampa op de
westkust van Florida. Vriendelijke indianen uit een naburig dorpje
brachten de
rondogen, die men hun “drijvende woningen” waren
aangekomen, verse vis uit hun
netten. In een van de visnetten vond Pánfilo de
Narváez een klompje goud, dat
de harten van de expeditieleden vol verwachting deed kloppen. De
nieuwe gouverneur besloot dat hij met driehonderd man in het binnenland
op zoek
zou gaan naar Cibola****: een van de zeven legendarische steden,
waarvan de
bewoners in gouden paleizen zouden wonen. De rest van de bemanning zou
met de
schepen noordwest varen naar een veilige haven. Alvar Nuñez
Cabeza de Vaca, de
door de koning Ferdinand benoemde kassier van de expeditie, was tegen
de
opsplitsing van de groep maar hij moest de orders van zijn baas
Pánfilo de
Narváez opvolgen.
“Steefje” en zijn baas Andrés Dorantes,
die inmiddels dik bevriend waren
geraakt, verbaasden zich over de wreedheid van de gouverneur.
Pánfilo de
Narváez hakte bijvoorbeeld de neus
af van Hirrahigua, hoofd van het kamp Ucita, behorend tot de
Timucua-indianen,
toen deze vertelde dat er in Florida helemaal geen goudmijnen waren. Na
drie maanden zwerven, vechten tegen vijandige indianen, ziekten en
honger
zonder ook maar iets van goud, zilver of parels te hebben gevonden was
het
enthousiasme er af. Aan de kust was geen van de vijf schepen te zien,
die op
last van Pánfilo de Narváez een veilige haven
moesten zoeken. Deze vloot, met
aan boord het ketelbinkje Juan Ortíz uit Sevilla, was na
twee maanden zoeken
onverrichter zake vertrokken naar een veilige haven van Cuba.
Ortíz zou later
alle moeite doen om zelf een rol te mogen spelen in de ontdekking van
Florida. Narváez,
die wegens de slechte resultaten in een depressie raakte, gaf de
expeditie op
en beval in het
stadje Aute zo goed als
men kon vijf schepen te bouwen waarmee hij naar Mexico wilde gaan. Na
zes weken
zwoegen waren de boten af. Nadat ze -op één na-
het laatste paard hadden
opgegeten scheepten ze op 22 september 1528 in.
“Steefje”, en Dorantes kwamen
met ongeveer vijftig man terecht in een schuit onder leiding van
kapitein Alonso del
Castillo Maldonado. Niemand
kwam in Mexico aan. Ter hoogte van de monding van de Mississippi sloeg
de
sterke stroming de schepen uit elkaar. Sommige schepen strandden op de
kust en
andere, waaronder dat van Pánfilo de Narváez,
verdwenen in zee. Zonder dat er
een man verloren ging kapseisde de schuit van
“Teefje” op het eiland Charleston
waar men de kassier van de expeditie Alver Núñez
Cabeza de Vaca en dertig
andere schipbreukelingen ontmoette. De vriendelijke Karankawa-indianen
van het
eiland -kannibalen voor hun vijanden in oorlogstijd- waren geshockeerd
toen zij
zagen dat de Spanjaarden hun eigen mensen opaten, die in de strenge
winter van de
kou waren omgekomen. Om te voorkomen dat zij eens aan de beurt zouden
komen
werden de Spanjaarden tot slaaf gedegradeerd. Van
de tachtig Spanjaarden op het eiland Galvestone overleefden er vijftien
de
winter van 1528-1529. Andrés Dorantes en kapitein Alonso del Castillo
Maldonado kregen genoeg
van hun harde leven op het eiland: Met de overgebleven mannen uit hun
boot,
inclusief “Steefje” beraamden zij een ontsnapping.
Vijf man werden tijdens de
vlucht door de pijlen van de Karankawa’s gedood. Op de kust
van Texas vielen
zij in handen van de Quevene-indianen, die als slavenhouders veel
strenger
waren dan die op het eiland Galvestone. De slavenarbeid dunde de groep
Spanjaarden volledig uit: Alleen Andrés Dorantes,
“Steefje” en kapitein
Alonso del Castillo Maldonado
waren nog in leven toen in 1532 Alvar
Núñez
Cabeza de Vaca door de Quevenes werd gevangen.
Núñez Cabeza de Vaca, die zich
de cultuur en taal van de indianen had eigen gemaakt, was uitgegroeid
tot een
zelfstandige handelsreiziger in schelpen, zeeslakken, dierenvellen,
vuurstenen
en rode oker. Het duurde tot 23 september 1534 voordat de vier mannen
een
mogelijkheid zagen om te ontsnappen. Tijdens de regionale jaarlijkse
stammenbijeenkomst “Truce deTunas”
op het vasteland zagen zij hun kans schoon en vluchtten zij naar het
westen in
de hoop Mexico te bereiken. Van
het begin af aan trad
“Steefje” op als
een soort voorzitter van de groep. Zijn
lichaamslengte maakte op de inlanders grote indruk.
Aanvankelijk reisde
het groepje heel voorzichtig uit angst voor aanvallen. Gaandeweg zagen
de vier
mannen dat de indianen hen beschouwden als “door de hemel
gezonden”. “Steefje”
was communicatief, legde gemakkelijk de eerste kontakten, nam iedereen
voor
zich in en won het vertrouwen. Als het op zingen en dansen aankwam
veroverde
hij de harten van alle indianen. Spoedig
kenden de inlanders het exotische gezelschap geneeskundige krachten
toe. Alonso
del Castillo Maldonado kreeg als eerste het verzoek een man te genezen
van zijn
hoofdpijn. Toen Castillo Maldonado een kruisteken over de zieke had
gemaakt
verklaarde de patiënt opgewekt dat zijn hoofdpijn over was. Op
den duur was de
vraag naar wonderen zo groot dat de vier mannen zich tot succesvolle
“dokters”
ontwikkelden. Hun roem als medicijnmannen werd zo groot dat de indianen
de dood
van een patiënt uitlegden als een soort straf voor de zieke,
die volgens hen
“zeker een van deze goddelijke heelmeesters had
beledigd”. De
vier mannen kregen van de inlanders de bijnaam “Kinderen van
de Zon” omdat zij blijmoedig
en al wonderen verrichtend het territorium van de Verenigde Staten van
oost
naar west doorkruisten. Bij elke nederzetting werden zij overladen door
geschenken: Voedsel, dierenhuiden, katoenen dekens, sieraden en
rammelaars van
kalebassen met daarop uitgesneden menselijke gezichten. Een groeiende
stoet van
bewonderaars en bewonderaarsters van “Steefje”
volgde de groep van nederzetting
tot nederzetting totdat deze in maart 1536 bij de Sinaloarivier op een
twintigtal Spaanse ruiters stootte, dat op slavenjacht was. De
schok van de ontmoeting was groot. Het eerste uur werd er amper
gesproken. De
Spanjaarden herkenden nauwelijks hun landgenoten, die gekleed waren in
dierenvellen, versierd met veren, toeters en bellen. Na de eerste
schrik
vertelden de Spaanse ruiters dat men wel geïnteresseerd was in
indiaanse
slaven. Alvar Núñez Cabeza de Vaca heeft als
Brugman moeten praten om zijn
indiaanse volgelingen als vrije mensen te laten gaan. De vier werden op 24 juli 1536 als helden in Mexico-stad ontvangen. De Spaanse machthebbers vroegen hen honderduit over het land en de volkeren die ze gezien hadden. Men vroeg herhaaldelijk naar Cibola, een van de zeven gouden steden die volgens de autoriteiten ten noorden van het Sonora-gebergte moesten liggen. Daar zouden de huizen met edelstenen zijn versierd en zouden de wegen met goud geplaveid zijn. “Steefje”
zag in gedachten de roem en de vrijheid die hij zou verwerven door de
ontdekking van Cibola. Hij besefte dat de zwijgzame en
stoïcijnse franciscaan
zonder hem verloren zou zijn. Op vrijdag 7 maart 1539 vertrokken ze,
vergezeld
door een aantal Pima-indianen, uit Culiacán, als een
wandelend contrast: De
lange lachende Moor met een kroon van pluimen op het hoofd, in een
kleurig
kostuum met aan de armen en benen veren en belletjes, die bij elke
beweging
rinkelden. Naast hem liepen twee grote hazewindhonden
Daarachter de kleine sobere en ernstig
kijkende franciscaan, gekleed in de eenvoudige grof geweven pij. Op last van
“Steefje” droeg de Pima-indiaan,
die de stoet opende, een met veren versierde kalebas als symbool van de
macht. “Steefje”
wist precies wat hij deed en waar hij heen ging. Hij reisde naar het
noorden in
het gebied dat hij kende. De bonte stoet stak de Yaquirivier over naar
de
prachtige vallei van de Sonorarivier en hield halt bij elke indiaanse
nederzetting waar “Steefje” op een vorstelijke en
uitdagende wijze vroeg om
vrouwen en voedsel. Als tegenprestatie verrichtte hij wonderen door met
veel
poespas zieken te genezen. Doordat hij hun taal sprak en guitig overkwam veroverde
hij de harten van
de inheemsen. Veel indiaanse meisjes, die “Steefje”
sexy en exotisch vonden,
verlieten hun ouderlijke woning en sloten zich bij de stoet aan in de
hoop wat
liefde van hem te ontvangen. De eerste groupies in de geschiedenis
liepen
kwebbelend en dansend achter hun idool aan en vochten onderling om
‘s nachts
bij hem te kunnen zijn. De
franciscaan Marcos de Niza begon er genoeg van de krijgen dat iedereen
hem zag
als de tweede man in het gezelschap. Op Goede Vrijdag 21 maart 1539
kwam de
stoet aan in de nederzetting Vacapa waar de franciscaan besloot te
blijven om
daar het Paasfeest te vieren. De afspraak was dat
“Steefje” op eigen
verantwoordelijkheid verder mocht gaan, maar dat zij beiden niet meer
dan 250
km. ver van elkaar zouden opereren. Het contact zou regelmatig worden
onderhouden door middel van indiaanse boodschappers. Omdat de
geestelijke bijna
geen indiaanse talen sprak zou “Steefje” symbolen
over Cibola sturen in de vorm
van een kruis: Een kruis zo groot als een hand zou niets bijzonders
betekenen;
een kruis twee keer zo groot zou iets matig belangrijks kunnen zijn.
Een
reusachtig kruis zou een belangrijke vondst betekenen. Na
vier dagen kwam een indiaan Marcos de Niza bezoeken met een manshoog
kruis. De
boodschap sloeg in als een bom: “Steefje” had
indianen gesproken die hem hadden
verteld dat er zeven steden op een afstand van dertig dagen gaans
lagen. Een
andere indiaan had het over “steden” gehad, die
Cibola* werd genoemd. De
franciscaan noteerde in zijn rapport dat de “Zeven Steden van
Cibola” waren
ontdekt! Onmiddellijk ging hij “Steefje” achterna
die overal in de
nederzettingen waar hij langs was gekomen logies voor de geestelijke en
zijn
personeel had gereserveerd. De
geestelijke Marcos de Niza kon het spoor van
“Steefje” door Arizona naar Nieuw
Mexico gemakkelijk volgen. Begin mei 1539 trok de priester over het
hoge
Coloradoplateau toen een indiaan
in
paniek op hem kwam aanstormen met de boodschap dat de Moor in het dorp
Háwikuh
van de Zuñi Pueblo-indianen* was vermoord. Volgens de
boodschapper hadden de magische
krachten van Estévanico
het plotseling begeven. Later kwamen nog een aantal indianen, waarvan
sommigen
gewond, huilend vertellen dat “Steefje”, na twee
dagen vastgezeten te hebben in
een hut buiten het dorp, bij zijn vrijlating doorzeefd werd door pijlen
van de
Zuñi’ s. Vlak voor de vrijlating van
“Steefje” hadden de dorpsoudsten van
Háwikuh de rest van de troep relatief veilig laten
vertrekken. De
geestelijke was ondersteboven van het nieuws van de dood van
“Steefje”. Ondanks
alle risico’s besloot hij voor zichzelf dat de dood van
Estévanico niet
gewroken zou zijn als hij niet met eigen ogen Cibola had gezien.
Vastberaden
trok met enkele trouwe Pima-indianen naar het noorden totdat hij vanaf
een
heuvel het dorp Háwikuh zag: De lichtgele
“stad” , bestaande uit “vierkante
flats” met verdiepingen, gelegen voor de achtergrond van het
donkerblauwe
Zuñigebergte moest wel Cibola zijn!. De lichtgeelbruine
gebouwen, die scherp
aftekenden tegen de donkere achtergrond, zag pater Marcos de Niza als
de
legendarische gouden tempels van Cibola. Zijn interpretatie van
Háwikuh bracht
de expeditie op gang van de ontdekker Francisco Vásquez de
Coronado, die
volledig mislukte omdat men in de Pueblodorpen****** geen edelmetalen
vond. “Steefje”
heeft in Háwikuh zijn hand overspeeld. Hij stootte op een
volk dat weliswaar de
landbouw op een primitieve manier bedreef, maar het nomadenleven al
lang had
verlaten. De gemeenschap had diepe waarden en normen ontwikkeld en was
bereid
haar schamele bezittingen tot het uiterste te verdedigen. De
Zuñi’ s, die geen
vorsten of stamhoofden kenden en zich lieten leiden door raden van
oudsten,
waren zeer traditioneel en bijgelovig.
De uitdagende manier waarop
“Steefje” geslepen turkoois, vrouwen en
voedsel eiste viel verkeerd. Turkoois was voor dorpelingen een heilige
mineraalsoort.
“Steefjes” verhaal dat hij een afgezant was van een
machtige blanke koning uit
het oosten was voor de inwoners van Háwikuh ongeloofwaardig:
Zij begrepen niet
waarom een blanke vorst zich door zwarte onderdanen liet
vertegenwoordigen. De
Zuñi’ s waren ook niet blij met de indianen in
“Steefjes” gezelschap: Zij
kwamen uit het zuiden en zouden spionnen kunnen zijn. Het doorslaggevende argument
in het twee dagen
durende beraad van de dorpsoudsten om “Steefje” ter
dood te veroordelen was de
zwarte magie. De stoet werd geopend door een indiaan, die als teken van
“Steefjes” macht een kalebas droeg waarop
uilenveren zaten geplakt. De uil was
voor de Zuñi’ s uit Háwikuh het symbool
van de naderende dood. Om te voorkomen
dat de geest van Estévanico -met het daarin opgesloten
symbool van de naderende
dood- in het Pueblodorp zou blijven rondzwerven hebben de
Zuñi’ s het lijk van
“Steefje” in kleine stukjes gehakt en deze buiten
hun gemeenschap verspreid in
de grond gestopt. Estévanico
is de geschiedenis ingegaan als de eerste mens, die het grondgebied van
de
Verenigde Staten in volle breedte te voet is overgestoken. *
Het
woord “Moor” stond vroeger
voor: “Iemand van donkere/zwarte huidskleur, van oorsprong
afkomstig uit Marokko
of ** Hispañola:
een verlatijnste naam voor “Klein Spanje”, de naam
die Christoffel Columbus gaf
aan het eiland dat nu *** Zambo:
afstammeling van een neger
als vader en een indiaanse moeder. **** Cibola:
legende uit het
islamitische Iberische Schiereiland van de achtste eeuw. Door de komst
van de
Islam zouden *****
Cibola:
Fonetisch kwam het woord min of meer overeen met het lokaal indiaanse
woord
voor bizon. ******
Pueblodorp:
vaste nederzetting van groep
indianen in Nieuw Mexico, Verenigde Staten. Zij werden door de
Spanjaarden |
![]() de route van Steefje Pueblo Zuñi |
De
verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar
overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.