“Petites Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika 

door Peter Hattink*
peterhattink@yahoo.es

 Deze “Petites Histoires” zijn anecdotische verhalen in hun historische context. Zij geven een inzicht  in het denken  
en het handelen van de volkeren van Amerika, de nieuwkomers en hun nakomelingen op dit continent. 

De officiële geschiedenis is veelal geschreven in het belang van de staat. 
Deze verhalen gaan over de achterkant van historische gebeurtenissen, die door officiële 
geschiedschrijvers  zelden vanuit de mens zelf is verteld.
 
 

1542 Spaans slavenvlees op de barbecue

Hernando de Soto
 Hernando de Soto






Tampa
 Tampa


 



PánfilodeNarváez
Pánfilo de Narváez




Timucuacacique
Stamhoofd
Timucua






Timucuaesposajefe
 
Echtgenote Stamhoofd Timucua





Barbacoa
Barbecue






routedesoto
 route Hernando de Soto







Cofitachiqui
Cofitachiqui

  

Xivilia, Xivilia!”, riep de getatoeëerde jongeman wanhopig tijdens een beginnende schermutseling tussen Spanjaarden en indianen. Hij kwam in het open veld op de Spaanse ruiters afstormen en maakte haastig met zijn boog in zijn rechterhand een paar keer het teken van een kruis. Hiermee hoopte de man, die er heel indiaans uitzag, dat de Spanjaarden zouden ontdekken dat hij een christen was. De ruiters waren begin juni 1539 in opdracht van de ontdekkingsreiziger Hernando de Soto in Florida op zoek naar indiaanse slaven om ze als vertalers en gidsen in te zetten.

“Bent u Juan Ortíz?”, vroeg de man op het paard uit de hoogte.

“Si, si!”, huilde de bijna naakte bruin verbrande man.

De sterke ruiter pakte de Sevillaan, die meer dan tien jaar onder de indianen had geleefd, bij een arm en gooide hem als een kind op het paard. In volle galop reed hij naar zijn commandant kapitein Baltasar de Gallegos.  

De commandant was zeer vereerd met de geplande vangst en beval zijn manschappen te stoppen met de jacht op de elf indianen die Juan Ortíz bij zich had. Een van de indianen lag zwaar gewond in het open veld; de tien anderen waren gevlucht op een heuvel. Ortíz riep dat zij zonder vrees tevoorschijn konden komen en zorgde ervoor dat de gewonde indiaan op een paard werd gezet om vervoerd te worden naar het kamp van Hernando de Soto. De Spaanse verkenningsgroep hoorde -zonder ook maar iets ervan te verstaan- verbaasd de klachten aan van de tien indianen over het eigenwijze optreden van Juan Ortíz bij de ontmoeting van zijn landgenoten. Vlak voor deze ontmoeting had Ortíz als veldheer van het kamp Mocoso een meningsverschil gehad met zijn mannen: De indianen wilden op de heuvel wachten tot de Spanjaarden hen als vriend zouden bejegenen; Juan Ortíz ging ervan uit dat de verkenners hem meteen als Spanjaard zouden herkennen en daarom geen enkel slachtoffer zouden maken.    

Ortíz besefte geschokt dat bij bijna geen Spaans meer kon spreken. Zijn verblijf als slaaf van meer dan tien jaar onder de indianen had bij hem alle hoop doen vervliegen dat hij ooit nog eens landgenoten zou ontmoeten. In de eerste jaren was hij, zeker onder het hoofd van het kamp Mocoso, heel zuinig op zijn Spaanse kleding geweest. Hij wilde dat als er ooit nog eens een Spaanse groep ontdekkers langs kwam zij uit de verte meteen konden zien dat hij één van hun was. Maar hij kon het niet vol houden. De Spaanse kleding viel uit elkaar. Vanaf die tijd had hij zich -“uit overmacht”- aangepast aan het Indiaanse leven en onder meer zijn armen laten tatoeëren.

De honderdtwintig Spaanse verkenners, waarvan veertig ruiters, waren ronduit enthousiast over de ontmoeting met Juan Ortíz. Het stamhoofd van Ortíz had hem uitgezonden om contact te leggen met de aangekomen Spanjaarden in de hoop een gewapende confrontatie te vermijden. Hij  stond sympathiek tegenover deze groep Spanjaarden, die -voor zover hij was geïnformeerd- in tegenstelling tot de groep van ruim tien jaar geleden nog geen wreedheden jegens de lokale bevolking had begaan. Na de eerste kennismaking raadde hij de expeditieleden van Hernando de Soto hun basiskamp op te slaan in de verlaten nederzetting Ucita. Hirrahigua, het hoofd van het kamp Ucita, was bij het zien van de landing van de negen schepen van Hernando de Soto in de Tampa Baai in paniek met zijn familie en onderdanen naar het binnenland gevlucht. De Soto was uiterst tevreden met de accommodatie in het kamp Ucita: Hij verbleef er zes weken en er groeide -dank zij Juan Ortíz- een diepe vriendschap tussen het hoofd van het kamp Mocoso en de Spaanse conquistador van Florida.

Het Spaans van Juan Ortíz werd met de dag beter. De Spanjaarden beseften dat zij een unieke vertaler en gids in handen hadden. Met grote belangstelling luisterden zij naar het uitgebreide verhaal van het vroegere ketelbinkje van de mislukte expeditie van gouverneur Pánfilo de Narváez, die zelf met een geïmproviseerde schuit in 1528 in de monding van de Mississipi met man en muis was vergaan.

Juan Ortíz, die als zestienjarige scheepsjongen niets had te vertellen, was heel erg teleurgesteld geweest dat hij in april 1528 met een paar man een veilige haven moest gaan zoeken van Pánfilo de Narváez, want hij was maar al te graag met hem op ontdekkingsreis gegaan. Na twee maanden zwalken in de Golf van Mexico zonder een natuurlijke haven te vinden had de kapitein het besluit genomen om naar Cuba te vertrekken. Toen de echtgenote van Pánfilo de Narváez op Cuba een schip voor een reddingsactie van haar man organiseerde was hij er als de kippen bij geweest om zich aan te melden. Dit keer zou hij zich niet meer als een braaf ketelbinkje gedragen maar als een “ontdekkingsreiziger in spé”.

In de sloep die in februari 1529 in de Baai van Tampa met vier man aan wal ging om een spoor te zoeken van Pánfilo de Narváez zat Juan Ortíz. Vanuit zee hadden ze iets gezien dat op een bericht van de verdwenen gouverneur van Florida kon lijken. Nauwelijks waren zij een paar minuten op het vasteland of ze werden door een horde indianen overvallen en voorgeleid aan het hoofd Hirrahigua, hoofd van het kamp Ucita, behorend tot een onderstam van de Timucua-indianen. Ortíz keek zijn ogen uit naar de schreeuwende en wraakzuchtige indianenleider: de man had geen neus. Pas veel later hoorde hij dat die afgehakt was door zijn vorige baas Pánfilo de Narváez omdat hij de Spanjaard eerlijk had gezegd dat er geen goudmijnen in Florida waren.

Juan Ortíz zag hoe zijn drie maten op bevel van Hirrahigua naakt op een veldje moesten rennen terwijl zij van alle kanten door indianen met pijlen werden beschoten tot zij het leven lieten. Toen hij aan de beurt was sprongen de drie dochters en de echtgenote van de leider van het kamp Ucita voor Juan in de bres: Ze hamerden er op dat hij veel te jong was om een misdadiger te kunnen zijn. Hirrahigua gaf na lang wikken en wegen toe: Ortíz zou voortaan zijn haatgevoelens tegen de Spanjaarden op een andere manier bevredigen: Op werkdagen zou hij van zonsopgang tot zonsondergang continu hout en water versjouwen; op feestdagen zou hij van zonsopgang tot zonsondergang voor zijn leven op een groot veld rennen met aan de kant indianen met pijl en boog in aanslag om hem te vellen als de vermoeidheid toesloeg.

Opnieuw kwamen de echtgenote van Hirrahigua en zijn drie dochters op voor Juan Ortíz. Vooral de oudste dochter verdedigde hem fel. ‘s Avonds begonnen zij de uitgeputte Juan Ortíz te verzorgen. Het stamhoofd zon op wraak. Hij zou de leden van zijn stam op het komende feest op iets bijzonders trakteren. Hirrahigua, overmand door razernij,  had Juan Ortíz vast gebonden op een “barbacoa*”, een houten rooster waarop normaal gesproken vlees wordt gebraden. Hij had het vuur goed aangewakkerd en Juan schreeuwde het uit van de pijn. Moeder Hirrahigua en haar oudste dochter grepen onmiddellijk in. Onder luid protest van het stamhoofd maakten zij Juan Ortíz los en voerden hem naar het vrouwenverblijf. Met kruiden verzorgden zij maandenlang zijn brandwonden totdat hij zich weer goed kon bewegen.

Hirrahigua was zichtbaar verheugd toen hij Juan Ortíz weer gezond zag rondlopen. Hij benoemde Juan Ortíz tot slaaf, belast met het bewaken van het “dodenrek”: Een platform op palen waarop de overleden stamgenoten in primitieve houten kisten werden gelegd tot het moment van hun rituele begrafenis. Het was aan Juan Ortíz de lijken dag en nacht vrij te houden van aasgieren, poema’s, jaguars en coyotes, die in deze streek veel voorkwamen.

De oververmoeide Juan Ortíz viel op een nacht in een diepe slaap. Hij werd wakker toen hij een roofdier op het “dodenrek” het lijkje van een overleden kind hoorde wegslepen. Onmiddellijk ging hij achter het beest aan. Na een lange achtervolging, waarbij hij alleen op het geluid kon afgaan, zag hij op een gegeven moment in het maanlicht dat “de leeuw” het lijkje in de bek had. Uit alle kracht wierp hij een houten lans. Pas bij daglicht constateerde Juan Ortíz dat hij de poema in het hart had getroffen. Bij zijn terugkomst in Ucita oogstte hij veel bewondering toen hij iedereen de dode poema liet zien.     

Hirrahigua behandelde vanaf die dag zijn Spaanse slaaf iets vriendelijker. Soms kon Juan Ortíz zich vrij bewegen, soms was hij weer het slachtoffer van de persoonlijke martelpraktijken van Hirrahigua, die het de Spanjaarden niet kon vergeven dat zijn moeder in 1528 voor zijn ogen door Spaanse bloedhonden uiteen was gereten. Juan Ortíz maakte er het beste van en flirtte soms openlijk met de oudste dochter van Hirrahigua. In zijn ondergeschikte positie kon het hem als Andalusiër niet schelen dat de knappe dochter van het stamhoofd de verloofde was van het naburige stamhoofd van het kamp Mocoso.

Het stamhoofd van Ucita vertelde thuis dat Juan Ortíz -nu hij zo heldhaftig een poema had gedood- niet moest denken dat hij het gemaakt had. De oudste dochter zag haar vader steeds nukkiger worden en wist dat hij zon op wraak. Zij had een zwak voor Juan Ortíz. Op een nacht hielp zij hem te ontsnappen naar de naburige stam van haar verloofde, de jonge leider van  het kamp Mocoso. Hirrahigua was woedend: tot zijn dood heeft hij voorkomen dat zijn dochter met de leider van het naburige kamp trouwde.

Juan Ortíz werd in het kamp Mocoso opgenomen als een vrije slaaf. Aangezien deze tak van de Timucuastam geen ervaring had gehad met Spanjaarden kon hij zich relatief vrij bewegen. Hij kon het uitstekend vinden met stamhoofd van Mocoso, die ongeveer zijn leeftijd had. In de hoop ooit eens een Spanjaard tegen te komen bleef hij met pijl en boog jagen in zijn Spaanse broek tot deze aan flarden was. Na een jaar sprak hij de taal van de leden van het kamp Mocoso goed en stak hij wat op van de talen van de andere Tumucuastammen in de buurt. Het stamhoofd Mocoso heeft de twee pogingen van Hirrahigua om Juan Ortíz uitgeleverd te krijgen als een gentleman afgeslagen. 

Na een verblijf van zes weken in het kamp Ucita vond Hernando de Soto het tijd om op te stappen. Het afscheid deed Mocoso verdriet: Door de ontstane vriendschap met Hernando de Soto kon hij het offer brengen om Juan Ortíz met hem mee te laten gaan.

Op de ontdekkingstocht naar het noorden week Juan Ortíz niet van de zijde van zijn nieuwe baas. Langzamerhand groeide hij uit tot de rechterhand van Hernando de Soto: Hij was een uitstekende gids die de indiaanse vallen in de savannen en in de bossen bijtijds ontdekte. Als vertaler trad hij als ondernemer op in de zin dat hij ervoor zorgde dat, zodra een nieuwe taal onverstaanbaar werd, er voor de expeditie onmiddellijk een nieuwe vertaler werd “aangeschaft”. Zo ontstond een legertje van meereizende vertalers, waarbij de ene de gegevens doorvertelde aan de andere vertaler uit zijn buurt en deze op zijn beurt weer aan de andere uit zijn buurt. Op een gegeven moment was er in het vertaaltraject een rij van 12 tolken, die vraag en antwoord over en weer doorgaven.

Op ontdekkingsreis naar de Mississipi was Juan Ortíz het meest onder de indruk van de ontmoeting met “La Señora de Cofitachiqui”, ofwel “The Lady of Cofitachiqui”, in het huidige South Carolina. Op 1 mei 1540 stond de troep te kijken naar de Savannahrivier toen er een zeer elegante dame in een overdekte kano aankwam. De jonge donkere schone, die sensueel gekleed was in een Egyptisch lijkende galajurk van een dunne, bijna doorzichtig witte stof, begroette Hernando de Soto allerhartelijkst. Onder het uitspreken van vele lieve, maar onverstaanbare woordjes, legde zij hem een lang snoer van zoetwaterparels om de hals: Zij had het snoer drie keer om zijn hals gewikkeld en nog kwam het tot zijn knieën.

Hernando de Soto was niet de enige die onder de indruk van haar schoonheid was: Net zoals alle andere Spanjaarden was hij ervan overtuigd dat zij het hoofd was van de enige matriarchale stam in deze streek en hij noemde haar “La Señora de Cofitachiqui”. Een van de expeditieleden vergeleek haar bewonderend met Cleopatra.

 La Señora de Cofitachiqui” liet de expeditie een verlaten dorp in de buurt zien, waar niemand woonde. Zij vertelde dat twee jaar geleden alle bewoners aan een geheimzinnige ziekte waren overleden. Op de eeuwenoude begraafplaats van het dorp zag men overal lijken, die voor een deel gewikkeld waren in zoetwaterparelsnoeren. Bij sommige graven stonden soms wel zes verdiepingen hoog opgestapelde houten kisten vol parels: onder waren de kisten met grote parels, boven de kisten met de kleine. Hernando de Soto nam zijn kans waar: Hij gaf met toestemming van “La Señora de Cofitachiqui” ieder van zijn expeditieleden twee handen vol zoetwaterparels met de opdracht hiervan rozenkransen te maken om te bidden voor de goede afloop van de tocht. Voorts verbood hij meer parels mee te nemen want zij zouden een “loden” last zijn op zoek naar het fel begeerde goud. 

Hernando de Soto wilde verder. Juan Ortíz zag hoe de expeditieleider de gulle gastvrijheid van “La Señora de Cofitachiqui” beantwoordde met haar gevangenneming. Om de inheemsen in de buurt op afstand te houden werd zij gegijzeld en zij moest als de hoogste indiaanse autoriteit de vernedering ondergaan om de tocht te voet te maken met haar vrouwelijk personeel. De Soto hield zijn vrouwelijke buit scherp in de gaten. Dag en nacht werd zij bewaakt door een Moorse slaaf. Na drie dagen als gevangene meegelopen te hebben vroeg “La Señora de Cofitachiqui” toestemming om zich -net zoals de vorige dagen- even terug te trekken in de bosjes. Dat kon. Zoals gewoonlijk ging de Afrikaanse slaaf mee om een oogje in het zeil te houden.

Noch zij, noch de Moor zijn ooit teruggekeerd. Pas na hun verdwijning maakte een van de vertalers bekend dat zij niet “La Señora de Cofitachiqui” was maar dat zij een nicht was van de echte. De Spanjaarden probeerden wraakzuchtig de laatste tolk te vinden in het vertaaltraject naar het gebied van “La Señora de Cofitachiqui”. Ook hij was gevlucht.

Juan Ortíz heeft Hernando de Soto als initiatiefrijke gids en vertaler tot zijn dood trouw gediend. Toen hij in maart 1542 in de nederzetting Autiamque bij de Mississipi aan hevige koorts overleed betreurde zijn baas het verlies zijn teamgenoot zeer. Hernando de Soto wist zonder zijn rechterhand Ortíz niet waar hij was en waar hij heen ging tot hij een paar maanden later aan hevige koortsen op de oever van de Mississipi stierf. 

* Barbacoa: hardhouten rooster: hiervan is het woord barbecue afgeleid.


  

 copyright Peter Hattink De verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.

terug naar Petites Histoires

Terug naar de voorpagina