“Petites
Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika
Deze
verhalen gaan over de achterkant van historische
gebeurtenissen, die door officiële
geschiedschrijvers zelden
vanuit de mens
zelf is verteld.
| 1542 Spaans slavenvlees op de barbecue | ||
|---|---|---|
![]() Hernando de Soto ![]() Tampa ![]() Pánfilo de Narváez ![]() Stamhoofd Timucua ![]() Echtgenote Stamhoofd Timucua ![]() Barbecue ![]() route Hernando de Soto ![]() Cofitachiqui |
“Xivilia, Xivilia!”, riep de
getatoeëerde jongeman wanhopig tijdens een beginnende
schermutseling tussen
Spanjaarden en indianen. Hij kwam in het open veld op de Spaanse
ruiters
afstormen en maakte haastig met zijn boog in zijn rechterhand een paar
keer het
teken van een kruis. Hiermee hoopte de man, die er heel indiaans
uitzag, dat de
Spanjaarden zouden ontdekken dat hij een christen was. De ruiters waren
begin
juni “Bent
u Juan Ortíz?”,
vroeg de man op het paard uit de hoogte. “Si,
si!”,
huilde de bijna naakte bruin verbrande man. De
sterke ruiter pakte de Sevillaan, die meer dan tien jaar onder de
indianen had geleefd, bij een arm en gooide hem als een kind op het
paard. In
volle galop reed hij naar zijn commandant kapitein Baltasar de Gallegos. De
commandant was zeer vereerd met de geplande vangst en beval zijn
manschappen
te stoppen met de jacht op de elf indianen die Juan Ortíz
bij zich had. Een van
de indianen lag zwaar gewond in het open veld; de tien anderen waren
gevlucht
op een heuvel. Ortíz riep dat zij zonder vrees tevoorschijn
konden komen en
zorgde ervoor dat de gewonde indiaan op een paard werd gezet om
vervoerd te
worden naar het kamp van Hernando de Soto. De Spaanse verkenningsgroep
hoorde
-zonder ook maar iets ervan te verstaan- verbaasd de klachten aan van
de tien
indianen over het eigenwijze optreden van Juan Ortíz bij de
ontmoeting van zijn
landgenoten. Vlak voor deze ontmoeting had Ortíz als
veldheer van het kamp
Mocoso een meningsverschil gehad met zijn mannen: De indianen wilden op
de
heuvel wachten tot de Spanjaarden hen als vriend zouden bejegenen; Juan
Ortíz
ging ervan uit dat de verkenners hem meteen als Spanjaard zouden
herkennen en
daarom geen enkel slachtoffer zouden maken.
Ortíz
besefte geschokt dat bij bijna geen Spaans meer kon spreken. Zijn
verblijf als slaaf van meer dan tien jaar onder de indianen had bij hem
alle
hoop doen vervliegen dat hij ooit nog eens landgenoten zou ontmoeten.
In de
eerste jaren was hij, zeker onder het hoofd van het kamp Mocoso, heel
zuinig op
zijn Spaanse kleding geweest. Hij wilde dat als er ooit nog eens een
Spaanse
groep ontdekkers langs kwam zij uit de verte meteen konden zien dat hij
één van
hun was. Maar hij kon het niet vol houden. De Spaanse kleding viel uit
elkaar.
Vanaf die tijd had hij zich -“uit overmacht”-
aangepast aan het Indiaanse leven
en onder meer zijn armen laten tatoeëren. De
honderdtwintig Spaanse verkenners, waarvan veertig ruiters, waren
ronduit enthousiast over de ontmoeting met Juan Ortíz. Het
stamhoofd van Ortíz
had hem uitgezonden om contact te leggen met de aangekomen Spanjaarden
in de
hoop een gewapende confrontatie te vermijden. Hij
stond sympathiek tegenover deze groep
Spanjaarden, die -voor zover hij was geïnformeerd- in
tegenstelling tot de
groep van ruim tien jaar geleden nog geen wreedheden jegens de lokale
bevolking
had begaan. Na de eerste kennismaking raadde hij de expeditieleden van
Hernando
de Soto hun basiskamp op te slaan in de verlaten nederzetting Ucita.
Hirrahigua, het hoofd van het kamp Ucita, was bij het zien van de
landing van
de negen schepen van Hernando de Soto in de Tampa Baai in paniek met
zijn
familie en onderdanen naar het binnenland gevlucht. De Soto was uiterst
tevreden met de accommodatie in het kamp Ucita: Hij verbleef er zes
weken en er
groeide -dank zij Juan Ortíz- een diepe vriendschap tussen
het hoofd van het
kamp Mocoso en de Spaanse conquistador van Florida. Het
Spaans van Juan Ortíz werd met de dag beter. De Spanjaarden
beseften
dat zij een unieke vertaler en gids in handen hadden. Met grote
belangstelling
luisterden zij naar het uitgebreide verhaal van het vroegere
ketelbinkje van de
mislukte expeditie van gouverneur Pánfilo de
Narváez, die zelf met een
geïmproviseerde schuit in Juan
Ortíz, die als zestienjarige scheepsjongen niets had te
vertellen, was
heel erg teleurgesteld geweest dat hij in april 1528 met een paar man
een
veilige haven moest gaan zoeken van Pánfilo de
Narváez, want hij was maar al te
graag met hem op ontdekkingsreis gegaan. Na twee maanden zwalken in de
Golf van
Mexico zonder een natuurlijke haven te vinden had de kapitein het
besluit
genomen om naar Cuba te vertrekken. Toen de echtgenote van
Pánfilo de Narváez
op Cuba een schip voor een reddingsactie van haar man organiseerde was
hij er
als de kippen bij geweest om zich aan te melden. Dit keer zou hij zich
niet
meer als een braaf ketelbinkje gedragen maar als een
“ontdekkingsreiziger in
spé”. In
de sloep die in februari Juan
Ortíz zag hoe zijn drie maten op bevel van Hirrahigua naakt
op een
veldje moesten rennen terwijl zij van alle kanten door indianen met
pijlen werden
beschoten tot zij het leven lieten. Toen hij aan de beurt was sprongen
de drie
dochters en de echtgenote van de leider van het kamp Ucita voor Juan in
de
bres: Ze hamerden er op dat hij veel te jong was om een misdadiger te
kunnen
zijn. Hirrahigua gaf na lang wikken en wegen toe: Ortíz zou
voortaan zijn
haatgevoelens tegen de Spanjaarden op een andere manier bevredigen: Op
werkdagen zou hij van zonsopgang tot zonsondergang continu hout en
water
versjouwen; op feestdagen zou hij van zonsopgang tot zonsondergang voor
zijn
leven op een groot veld rennen met aan de kant indianen met pijl en
boog in
aanslag om hem te vellen als de vermoeidheid toesloeg. Opnieuw
kwamen de echtgenote van Hirrahigua en zijn drie dochters op voor
Juan Ortíz. Vooral de oudste dochter verdedigde hem fel.
‘s Avonds begonnen zij
de uitgeputte Juan Ortíz te verzorgen. Het stamhoofd zon op
wraak. Hij zou de
leden van zijn stam op het komende feest op iets bijzonders trakteren.
Hirrahigua, overmand door razernij,
had
Juan Ortíz vast gebonden op een
“barbacoa*”, een houten rooster waarop normaal
gesproken vlees wordt gebraden. Hij had het vuur goed aangewakkerd en
Juan
schreeuwde het uit van de pijn. Moeder Hirrahigua en haar oudste
dochter grepen
onmiddellijk in. Onder luid protest van het stamhoofd maakten zij Juan
Ortíz
los en voerden hem naar het vrouwenverblijf. Met kruiden verzorgden zij
maandenlang zijn brandwonden totdat hij zich weer goed kon bewegen. Hirrahigua
was zichtbaar verheugd toen hij Juan Ortíz weer gezond zag
rondlopen. Hij benoemde Juan Ortíz tot slaaf, belast met het bewaken
van het
“dodenrek”: Een platform op palen waarop de
overleden stamgenoten in primitieve
houten kisten werden gelegd tot het moment van hun rituele begrafenis.
Het was
aan Juan Ortíz de lijken dag en nacht vrij te houden van
aasgieren, poema’s,
jaguars en coyotes, die in deze streek veel voorkwamen. De
oververmoeide Juan Ortíz viel op een nacht in een diepe
slaap. Hij werd
wakker toen hij een roofdier op het “dodenrek” het
lijkje van een overleden
kind hoorde wegslepen. Onmiddellijk ging hij achter het beest aan. Na
een lange
achtervolging, waarbij hij alleen op het geluid kon afgaan, zag hij op
een
gegeven moment in het maanlicht dat “de leeuw” het
lijkje in de bek had. Uit
alle kracht wierp hij een houten lans. Pas bij daglicht constateerde
Juan Ortíz
dat hij de poema in het hart had getroffen. Bij zijn terugkomst in
Ucita
oogstte hij veel bewondering toen hij iedereen de dode poema liet zien. Hirrahigua
behandelde vanaf die dag zijn Spaanse slaaf iets vriendelijker.
Soms kon Juan Ortíz zich vrij bewegen, soms was hij weer het
slachtoffer van de
persoonlijke martelpraktijken van Hirrahigua, die het de Spanjaarden
niet kon
vergeven dat zijn moeder in 1528 voor zijn ogen door Spaanse
bloedhonden uiteen
was gereten. Juan Ortíz maakte er het beste van en flirtte
soms openlijk met de
oudste dochter van Hirrahigua. In zijn ondergeschikte positie kon het
hem als
Andalusiër niet schelen dat de knappe dochter van het
stamhoofd de verloofde
was van het naburige stamhoofd van het kamp Mocoso. Het
stamhoofd van Ucita vertelde thuis dat Juan Ortíz -nu hij zo
heldhaftig
een poema had gedood- niet moest denken dat hij het gemaakt had. De
oudste
dochter zag haar vader steeds nukkiger worden en wist dat hij zon op
wraak. Zij
had een zwak voor Juan Ortíz. Op een nacht hielp zij hem te
ontsnappen naar de
naburige stam van haar verloofde, de jonge leider van
het kamp Mocoso. Hirrahigua was woedend: tot
zijn dood heeft hij voorkomen dat zijn dochter met de leider van het
naburige
kamp trouwde. Juan
Ortíz werd in het kamp Mocoso opgenomen als een vrije slaaf.
Aangezien
deze tak van de Timucuastam geen ervaring had gehad met Spanjaarden kon
hij
zich relatief vrij bewegen. Hij kon het uitstekend vinden met stamhoofd
van Mocoso,
die ongeveer zijn leeftijd had. In de hoop ooit eens een Spanjaard
tegen te
komen bleef hij met pijl en boog jagen in zijn Spaanse broek tot deze
aan
flarden was. Na een jaar sprak hij de taal van de leden van het kamp
Mocoso
goed en stak hij wat op van de talen van de andere Tumucuastammen in de
buurt.
Het stamhoofd Mocoso heeft de twee pogingen van Hirrahigua om Juan
Ortíz
uitgeleverd te krijgen als een gentleman afgeslagen.
Na
een verblijf van zes weken in het kamp Ucita vond Hernando de Soto het
tijd om op te stappen. Het afscheid deed Mocoso verdriet: Door de
ontstane
vriendschap met Hernando de Soto kon hij het offer brengen om Juan
Ortíz met
hem mee te laten gaan. Op
de ontdekkingstocht naar het noorden week Juan Ortíz niet
van de zijde
van zijn nieuwe baas. Langzamerhand groeide hij uit tot de rechterhand
van
Hernando de Soto: Hij was een uitstekende gids die de indiaanse vallen
in de
savannen en in de bossen bijtijds ontdekte. Als vertaler trad hij als
ondernemer op in de zin dat hij ervoor zorgde dat, zodra een nieuwe
taal
onverstaanbaar werd, er voor de expeditie onmiddellijk een nieuwe
vertaler werd
“aangeschaft”. Zo ontstond een legertje van
meereizende vertalers, waarbij de
ene de gegevens doorvertelde aan de andere vertaler uit zijn buurt en
deze op
zijn beurt weer aan de andere uit zijn buurt. Op een gegeven moment was
er in
het vertaaltraject een rij van 12 tolken, die vraag en antwoord over en
weer
doorgaven. Op
ontdekkingsreis naar de Mississipi was Juan Ortíz het meest
onder de indruk
van de ontmoeting met “ Hernando
de Soto was niet de enige die onder de indruk van haar schoonheid
was: Net zoals alle andere Spanjaarden was hij ervan overtuigd dat zij
het
hoofd was van de enige matriarchale stam in deze streek en hij noemde
haar “ “ Hernando
de Soto wilde verder. Juan Ortíz zag hoe de expeditieleider
de
gulle gastvrijheid van “ Noch
zij, noch de Moor zijn ooit teruggekeerd. Pas na hun verdwijning
maakte een van de vertalers bekend dat zij niet “ Juan
Ortíz heeft Hernando de Soto als initiatiefrijke gids en
vertaler tot
zijn dood trouw gediend. Toen hij in maart *
Barbacoa: hardhouten rooster: hiervan is het woord
barbecue afgeleid. |
| |
De
verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar
overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.