“Petites Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika 

door Peter Hattink*
peterhattink@yahoo.es

 Deze “Petites Histoires” zijn anecdotische verhalen in hun historische context. Zij geven een inzicht  in het denken  
en het handelen van de volkeren van Amerika, de nieuwkomers en hun nakomelingen op dit continent. 

De officiële geschiedenis is veelal geschreven in het belang van de staat. 
Deze verhalen gaan over de achterkant van historische gebeurtenissen, die door officiële 
geschiedschrijvers  zelden vanuit de mens zelf is verteld.
 
 

1556 Het indiaanse Paradijs

Guanari dorp
 Guanarí dorp Hans Staden 1557


Lambaré
 Lambaré 1536



Guaranies Schmidl
Guaraníes dorp Schmidl



Guaranies
Guaraníes




Domingo martinez
Domingo Martínez




Domingo martinez
Domingo Martínez




Karel V
Karel V



koran
Koran



Harem danseres
Haremdanseres


Alvar Nunez cabeza de vaca
Alvar de Núñez Cabeza de Vaca


Juan de Salazar
Juan de Salazar


Paraguay


De verovering met het zwaard en het kruis kende één uitzondering: Paraguay. 

Het meest krijgshaftige volk Guaraní uit dit land had vrij snel door dat er tegenover de Spanjaarden met hun dodelijke haakbussen geen enkele overwinning te behalen viel. Om te overleven boden de Guaraníleiders hun dochters aan en ontstond er een “Samenleving van het Zwagerschap”: een maatschappij waarbij de ene zwager de ander een dienst bewees en omgekeerd. 

De ontdekking van het indiaanse Paradijs begon in augustus 1536. Juan de Ayolas, plaatsvervangend gouverneur en opperbevelhebber van Río de la Plata, had met ongeveer vijfhonderd man twee dagen de indiaanse vesting Lambaré belegerd. De Spanjaarden, die op brood, vruchten en groenten aasden omdat ze al vier jaar lang alleen maar vlees en vis hadden gegeten, wilden vriendschappelijke betrekkingen aanknopen. Met tolken hadden de Spanjaarden tot drie maal toe aangekondigd dat men in vrede kwam, maar de Guaraní-krijgers van Lambaré weigerden de vreemdelingen toe te laten tot de stad. Hierop begonnen de Spanjaarden te schieten met hun haakbussen. Verbijsterd zagen de indianen dat sommige mannen na een knal dood neer vielen en alleen maar een gaatje vertoonden waaruit soms bloed vloeide. Niet begrijpend hoe dit kon vluchtten de Guaraníes massaal, maar zij kwamen snel terug. 

De Guaraní-leiders van Lambaré kwamen de Spanjaarden tegemoet in gezelschap van hun familieleden. Zij boden de vreemdelingen excuses aan voor hun verzet en verklaarden dat zij voor de vrede alles zouden doen wat zij maar wilden. Hierbij gaven zij kapitein Juan de Ayolas zes mooie meisjes, waarvan de oudste ongeveer achttien jaar was. Elke soldaat kreeg twee meisjes cadeau die de opdracht hadden hun man te verwennen, voor hem te koken, te wassen, hem te verzorgen en alles te doen wat hij maar wenste. De Spanjaarden werden bij deze gelegenheid overladen met voedsel, waaronder vruchten, maniok en groenten, zodat ze maar al te graag vrede sloten. 

De Guaraníes stelden een familierelatie met de Spanjaarden zeer op prijs. De Spanjaarden leerden de vaak prachtige Guaranívrouwen met hun polygame instelling liefhebben. Een van de Spaanse veroveraars die zijn vak liever in bed uitoefende dan op het slagveld was de Bask Domingo Martínez de Irala, die tot twee maal toe gouverneur en opperbevelhebber van Río de la Plata is geweest. Hij was dol op seks en leerde gaandeweg hoe ver hij met inlandse vrouwen kon gaan voordat de gemeenschap zich ging storen aan zijn hartstochtelijke driften. 

De viriele Bask maakte een blunder in de tijd dat hij in het havenplaatsje La Calendaria op zijn verdwenen chef wachtte. Hij organiseerde herhaaldelijk orgieën met de lieftallige dochter van het stamhoofd van de streek, die de minnares van zijn baas was geweest. De Guaraníes werden na een paar keer boos en verleenden geen diensten meer aan de Spanjaarden. Maar al doende leert men: op het moment dat hij in een indiaanse nederzetting vlakbij Asunción de dochter van het stamhoofd Abacoté gelukkig aan het maken was verschenen er voor de hut ongeveer tachtig indianen met een grote trom. Ze maakten er een genoeglijke nacht van met zang en dans waaraan  de gehele dorpsgemeenschap vreugdevol deelnam. 

Gouverneur Domingo Martínez de Irala, die als Bask en als tegenstander van het absolutisme zich geërgerd had aan hoe Karel V de voorrechten van de steden in Spanje had afgenomen,  had de legale weg ontdekt tot het houden van een genoeglijke harem. Een keizerlijk besluit van Karel V bepaalde dat als indiaanse volkeren na een conflict excuses aanboden met gunstige condities de Spanjaarden deze dienden te aanvaarden. In de ogen van Karel V mochten inlandse gemeenschappen zich drie keer vergissen in het Spaanse gezag en moesten de Spanjaarden tot drie maal toe hun verontschuldigingen accepteren. Pas bij de vierde keer mochten de indiaanse zondaars, hun familie en nazaten levenslang tot slaven worden gedegradeerd. 

Het seksuele gedrag van Domingo Martínez de Irala vond veel navolging. Aanvankelijk kneep de geestelijkheid een oogje dicht. Karel V, onthutst door geruchten over “Moorse toestanden” in zijn kolonie, zond in 1542 de nieuwe gouverneur Alvar Núñez de Cabeza de Vaca, die in Noord-Amerika veel ervaring met indianen had opgedaan. Tijdens de aanwezigheid van deze nieuwe gouverneur, die niets van de Guaraníes begreep,  begonnen de geestelijken zich in brieven aan Karel V te beklagen over de veelwijverij in Paraguay. 

De priestermoralist Francisco González Paniagua alarmeerde Karel V in 1545 in een lange brief als volgt:

“De profeet Mohammed en zijn Koran stonden niet meer dan zeven vrouwen per man toe, maar hier hebben er sommigen zeventig! De christen, die tevreden is met vier indiaanse vrouwen is dat omdat hij er geen acht op na kan houden en hij die er acht op na kan houden is daarmee tevreden omdat hij weet dat hij het aantal van zestien niet aankan en zo gaat dit maar door!”

De geestelijke hoopte zijn keizer met het volgende voorbeeld te shockeren:

“Een indiaanse die de olielamp vast moest houden terwijl de mannen aan het gokken waren moest de winnaar naakt vergezellen want degene die haar bij het dobbelen had verloren verzekerde een ieder dat hij haar kleding niet verspeeld had.” 

De  eigenzinnige moralist ergerde zich groen aan het verdwenen standsverschil tussen de Spanjaarden en de Guaraníes; hij schreef hierover:

 “De christen daar noemt de broers van de indiaanse vrouwen, die bij een of andere christen horen, niet de broers van mijn dienstmeisjes of werksters, maar broers van mijn vrouwen en van mijn zwagers, van mijn schoonvaders of van mijn schoonmoeders. Zij beweren dit met zo’n schaamteloosheid alsof zij via een uiterst serieus huwelijk familiebanden hebben met de dochters van die indiaanse mannen en vrouwen die zij als schoonouders betitelen.”  

Niet alle Spaanse geestelijken tilden zo zwaar aan deze manier van leven. Voor Martín Barco de Centenera, de aartsdiaken van Asunción, was de polygamie van de Guaraníes een prachtige instelling voor alle Europese nieuwkomers. Hij noemde Paraguay in een van zijn geschriften “Het Paradijs van Mohammed”. De geestelijke, die later in Lima in aanraking zou komen met de Inquisitie, schreef er een voor die tijd gewaagd gedichtje over. De naam Salazar in de eerste regel slaat op de stichter van de havenstad Asunción:

 

“Salazar en de anderen die aanmeerden,

Hadden er veel genoegen in de haven te bevolken,

Zij begonnen zich heel hard voort te planten

En zich over te geven aan genot en pret.

De Guaraní voelt zich groeien,

Door zich te binden aan de christenen,

Aan wie zij als gezellin geven,

Hun naaste bloedverwanten.”


 

De indianen en de Spanjaarden integreerden onderling veel sneller in Asunción en omgeving dan in andere streken. Dat betekende niet dat alles steeds koek en ei was. De Guaraníes kwamen ook tegen de Spaanse uitbuiting in Asunción in opstand, maar de Spanjaarden brachten het er levend vanaf doordat de vrouw van de stichter van de stad Juan de Salazar haar meester bijtijds waarschuwde. Ook kende de gemeenschap familiedrama’s zoals Juliana, die haar Spaanse veroveraar Nuño de Cabrera ‘s nachts met messteken om het leven had gebracht. Na de misdaad ging zij de straat op waar zij met luide kreten haar Guaraní-zusters opriep haar voorbeeld te volgen. Als burgervader van de gehele gemeenschap van Asunción was Domingo Martínez de Irala aanwezig op de begrafenis van zijn landgenoot Nuño de Cabrera. 

De nieuwe gouverneur Alvar Núñez de Cabeza de Vaca kreeg weinig waardering in de vrijgevochten plaats Asunción. De manier waarop hij de Guaraníes behandelde -hij stelde ze te werk als slaven op Spaanse landgoederen- stuitte de Spanjaarden tegen de borst, want zij konden hun zwagers en schoonvaders onmogelijk als lijfeigenen zien. Een mislukte expeditie van de gouverneur naar Peru was voor de Spaanse kolonie te Asunción de aanleiding om in de nacht van 25 april 1544 in opstand te komen. Onder het uitroepen van: “Vrijheid!, Vrijheid!, werd de gouverneur in de gevangenis geworpen. De kreet “Vrijheid!, Vrijheid!” was dezelfde en had dezelfde politieke lading als die van de rebellen - “de comuneros” van Castilië-  die in 1520 in opstand tegen Karel V waren gekomen uit protest tegen het afschaffen van de privileges van de steden. Om de keizer te laten zien dat het ernst was met de vermeende verworven rechten van de stad Asunción werd de afgezette gouverneur op transport naar Spanje gezet in het eerste karveel dat in de havenstad was gebouwd. De naam van het schip luidde: “Comunero”.   

Doordat een andere gouverneur niet in Paraguay aankwam werd Domingo Martínez de Irala pas in 1552 officieel door Karel V tot gouverneur benoemd. De bevolking van Asunción was blij met deze tweede ambtstermijn van de man, die men al tijdens zijn leven als de aartsvader van Paraguay begon te zien. De zestigjarige Domingo Martínez de Irala overleed plotseling op 3 oktober 1556. Toen zijn dood bekend werd riepen allen, vriend en vijand, Spanjaarden en Guaraníes:

“Onze vader is overleden, nu blijven wij als wezen achter!” 

De gevolgen van het indiaanse Paradijs werden door pater Martín González in 1575 - praktisch één generatie na de stichting van Asunción- opgetekend. Hij noteerde niet meer dan tweehonderdtachtig Spanjaarden, bijna allemaal hoog bejaard, plus meer dan tienduizend mestiezen. Anders geteld: Een op de veertig sprak Spaans; de anderen waren van Spaanse afkomst en spraken, net zoals hun moeders, vloeiend Guaraní. 

 copyright Peter Hattink De verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.

terug naar Petites Histoires

Terug naar de voorpagina