“Petites
Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika
Deze
verhalen gaan over de achterkant van historische
gebeurtenissen, die door officiële
geschiedschrijvers zelden
vanuit de mens
zelf is verteld.
| 1556 Het indiaanse Paradijs | ||
|---|---|---|
![]() Guanarí dorp Hans Staden 1557 ![]() Lambaré 1536 ![]() Guaraníes dorp Schmidl ![]() Guaraníes ![]() Domingo Martínez ![]() Domingo Martínez ![]() Karel V ![]() Koran ![]() Haremdanseres ![]() Alvar de Núñez Cabeza de Vaca ![]() Juan de Salazar |
![]() De
verovering met het zwaard en het kruis kende één
uitzondering: Paraguay. Het
meest krijgshaftige volk Guaraní uit dit land had vrij snel door dat er
tegenover de Spanjaarden met hun dodelijke haakbussen geen enkele
overwinning
te behalen viel. Om te overleven boden de Guaraníleiders hun
dochters aan en
ontstond er een “Samenleving van het Zwagerschap”:
een maatschappij waarbij de
ene zwager de ander een dienst bewees en omgekeerd.
De
ontdekking van het indiaanse Paradijs begon in augustus 1536. Juan de
Ayolas, plaatsvervangend gouverneur en opperbevelhebber van
Río de De
Guaraní-leiders van Lambaré kwamen de Spanjaarden
tegemoet in gezelschap
van hun familieleden. Zij boden de vreemdelingen excuses aan voor hun
verzet en
verklaarden dat zij voor de vrede alles zouden doen wat zij maar
wilden.
Hierbij gaven zij kapitein Juan de Ayolas zes mooie meisjes, waarvan de
oudste
ongeveer achttien jaar was. Elke soldaat kreeg twee meisjes cadeau die
de
opdracht hadden hun man te verwennen, voor hem te koken, te wassen, hem
te
verzorgen en alles te doen wat hij maar wenste. De Spanjaarden werden
bij deze
gelegenheid overladen met voedsel, waaronder vruchten, maniok en
groenten,
zodat ze maar al te graag vrede sloten. De
Guaraníes stelden een familierelatie met de Spanjaarden zeer
op prijs.
De Spanjaarden leerden de vaak prachtige Guaranívrouwen met
hun polygame
instelling liefhebben. Een van de Spaanse veroveraars die zijn vak
liever in
bed uitoefende dan op het slagveld was de Bask Domingo
Martínez de Irala, die
tot twee maal toe gouverneur en opperbevelhebber van Río de De
viriele Bask maakte een blunder in de tijd dat hij in het havenplaatsje
Gouverneur
Domingo Martínez de Irala, die als Bask en als tegenstander
van
het absolutisme zich geërgerd had aan hoe Karel V de
voorrechten van de steden
in Spanje had afgenomen, had
de legale
weg ontdekt tot het houden van een genoeglijke harem. Een keizerlijk
besluit
van Karel V bepaalde dat als indiaanse volkeren na een conflict excuses
aanboden met gunstige condities de Spanjaarden deze dienden te
aanvaarden. In
de ogen van Karel V mochten inlandse gemeenschappen zich drie keer
vergissen in
het Spaanse gezag en moesten de Spanjaarden tot drie maal toe hun
verontschuldigingen accepteren. Pas bij de vierde keer mochten de
indiaanse
zondaars, hun familie en nazaten levenslang tot slaven worden
gedegradeerd. Het
seksuele gedrag van Domingo Martínez de Irala vond veel
navolging.
Aanvankelijk kneep de geestelijkheid een oogje dicht. Karel V, onthutst
door
geruchten over “Moorse toestanden” in zijn kolonie,
zond in 1542 de nieuwe
gouverneur Alvar Núñez de Cabeza de Vaca, die in
Noord-Amerika veel ervaring
met indianen had opgedaan. Tijdens de aanwezigheid van deze nieuwe
gouverneur,
die niets van de Guaraníes begreep,
begonnen de geestelijken zich in brieven aan Karel V
te beklagen over de
veelwijverij in Paraguay. De
priestermoralist Francisco González Paniagua alarmeerde
Karel V in “De
profeet Mohammed en zijn Koran
stonden niet meer dan zeven vrouwen per man toe, maar hier hebben er
sommigen
zeventig! De christen, die tevreden is met vier indiaanse vrouwen is
dat omdat
hij er geen acht op na kan houden en hij die er acht op na kan houden
is
daarmee tevreden omdat hij weet dat hij het aantal van zestien niet
aankan en
zo gaat dit maar door!” De
geestelijke hoopte zijn keizer met het volgende voorbeeld te shockeren: “Een
indiaanse die de olielamp vast
moest houden terwijl de mannen aan het gokken waren moest de winnaar
naakt
vergezellen want degene die haar bij het dobbelen had verloren
verzekerde een
ieder dat hij haar kleding niet verspeeld had.”
De eigenzinnige
moralist ergerde zich groen aan
het verdwenen standsverschil tussen de Spanjaarden en de
Guaraníes; hij schreef
hierover: “De christen daar
noemt de broers van de
indiaanse vrouwen, die bij een of andere christen horen, niet de broers
van
mijn dienstmeisjes of werksters, maar broers van mijn vrouwen en van
mijn
zwagers, van mijn schoonvaders of van mijn schoonmoeders. Zij beweren
dit met
zo’n schaamteloosheid alsof zij via een uiterst serieus
huwelijk familiebanden
hebben met de dochters van die indiaanse mannen en vrouwen die zij als
schoonouders betitelen.” Niet alle Spaanse geestelijken tilden zo zwaar aan deze manier van leven. Voor Martín Barco de Centenera, de aartsdiaken van Asunción, was de polygamie van de Guaraníes een prachtige instelling voor alle Europese nieuwkomers. Hij noemde Paraguay in een van zijn geschriften “Het Paradijs van Mohammed”. De geestelijke, die later in Lima in aanraking zou komen met de Inquisitie, schreef er een voor die tijd gewaagd gedichtje over. De naam Salazar in de eerste regel slaat op de stichter van de havenstad Asunción: “Salazar
en de anderen die aanmeerden, Hadden
er veel genoegen in de haven te
bevolken, Zij
begonnen zich heel hard voort te
planten En
zich over te geven aan genot en
pret. De
Guaraní voelt zich groeien, Door
zich te binden aan de christenen, Aan
wie zij als gezellin geven, Hun naaste bloedverwanten.”
De
indianen en de Spanjaarden integreerden onderling veel sneller in
Asunción en omgeving dan in andere streken. Dat betekende
niet dat alles steeds
koek en ei was. De Guaraníes kwamen ook tegen de Spaanse
uitbuiting in Asunción
in opstand, maar de Spanjaarden brachten het er levend vanaf doordat de
vrouw
van de stichter van de stad Juan de Salazar haar meester bijtijds
waarschuwde.
Ook kende de gemeenschap familiedrama’s zoals Juliana, die
haar Spaanse
veroveraar Nuño de Cabrera ‘s nachts met messteken
om het leven had gebracht.
Na de misdaad ging zij de straat op waar zij met luide kreten haar
Guaraní-zusters opriep haar voorbeeld te volgen. Als
burgervader van de gehele
gemeenschap van Asunción was Domingo Martínez de
Irala aanwezig op de
begrafenis van zijn landgenoot Nuño de Cabrera. De
nieuwe gouverneur Alvar Núñez de Cabeza de Vaca
kreeg weinig waardering
in de vrijgevochten plaats Asunción. De manier waarop hij de
Guaraníes
behandelde -hij stelde ze te werk als slaven op Spaanse landgoederen-
stuitte
de Spanjaarden tegen de borst, want zij konden hun zwagers en
schoonvaders
onmogelijk als lijfeigenen zien. Een mislukte expeditie van de
gouverneur naar
Peru was voor de Spaanse kolonie te Asunción de aanleiding
om in de nacht van 25
april Doordat
een andere gouverneur niet in Paraguay aankwam werd Domingo
Martínez de Irala pas in 1552 officieel door Karel V tot
gouverneur benoemd. De
bevolking van Asunción was blij met deze tweede ambtstermijn
van de man, die
men al tijdens zijn leven als de aartsvader van Paraguay begon te zien.
De
zestigjarige Domingo Martínez de Irala overleed plotseling
op 3 oktober 1556.
Toen zijn dood bekend werd riepen allen, vriend en vijand, Spanjaarden
en
Guaraníes: “Onze
vader is overleden, nu blijven
wij als wezen achter!” De
gevolgen van het indiaanse Paradijs werden door pater Martín
González in
1575 - praktisch één generatie na de stichting
van Asunción- opgetekend. Hij
noteerde niet meer dan tweehonderdtachtig Spanjaarden, bijna allemaal
hoog
bejaard, plus meer dan tienduizend mestiezen. Anders geteld: Een op de
veertig
sprak Spaans; de anderen waren van Spaanse afkomst en spraken, net
zoals hun
moeders, vloeiend Guaraní. |
De
verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar
overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.