“Petites Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika 

door Peter Hattink*
peterhattink@yahoo.es

 Deze “Petites Histoires” zijn anecdotische verhalen in hun historische context. Zij geven een inzicht  in het denken  
en het handelen van de volkeren van Amerika, de nieuwkomers en hun nakomelingen op dit continent. 

De officiële geschiedenis is veelal geschreven in het belang van de staat. 
Deze verhalen gaan over de achterkant van historische gebeurtenissen, die door officiële 
geschiedschrijvers  zelden vanuit de mens zelf is verteld.
 
 

1578 Op Tijd weg

 Francisco Hernandez Giron
 Francisco Hernández Girón



Francisco Pizarro
 Francisco Pizarro
 


Potosi
Potosi
 

Cadiz
 Cadiz in de 16de eeuw


Barbarijse piratenschepen
Barbarijse piratenschepen



Algiers XVI eeuw
 Algiers 16e eeuw
 

Nu in 1557 de burgeroorlogen tussen de Spaanse veroveraars van Peru afgelopen waren zagen Martín Zapata en Rodrigo Pelaéz hun militaire carrière niet meer zitten. Beiden waren gezworen kameraden. Zij hadden elkaar in 1553 leren kennen te Cuzco waar zij vochten tegen Francisco Hernández Girón, die in opstand was gekomen tegen Francisco Pizarro, de veroveraar van Peru. Zapata, die in 1552 vanuit Spanje in Peru was aangekomen, had het tot kapitein van de koninklijke lansiers gebracht en Pelaéz was officier geworden van het koninklijke regiment van haakbussen. 

De vijfentwintig jarige Martín Zapata had het plan opgevat om naar Potosí te gaan. Hij was gefascineerd door de verhalen over de zilvermijnen in die stad en hij wilde daar graag een graantje van mee pikken. De afspraak tussen de beide vrienden was dat Rodrigo Pelaéz voorlopig officier zou blijven in het haakbussenregiment te Cuzco en dat Martín Zapata hem zou laten weten als hij iets voor hem gevonden had in Potosí. 

Martín Zapata vestigde zich in 1558 in Potosí dat inmiddels met zijn honderdvijftigduizend inwoners uitgegroeid was tot de grootste stad van het westelijke halfrond. Op zoek naar een grote zilverader  liet hij zich inhuren als opzichter bij veel kleine mijnen. Zapata viel op in Potosí: Hij was lang, donker en had een zware snor naar Turks model en hij was fanatiek godsdienstig. Er was geen broederschap of hij was er lid van. Elke eerste zondag van de maand ging hij biechten en ging hij te communie. Hij sloeg op zondag de vespers nooit over en hij stond er om bekend dat hij de kerk financieel rijkelijk bedeelde. 

Op sociaal gebied was hij een goede causeur. De inwoners van Potosí dachten dat hij óf uit Andalusië kwam óf uit Oud Castilië omdat hij over deze Spaanse gebieden alles wist. Martín Zapata was een gezien man: Nooit was hij dronken en nooit had hij een liefdesaffaire gehad.
Zijn aandacht werd helemaal opgeëist óf door godsdienstige zaken óf door het zoeken naar zilver. 

Op een dag in 1562 lachte het geluk Zapata toe. Hij ontdekte een enorme zilverader. Hij kocht de grond met alles wat er in zat en opende zijn mijn , die hij toepasselijk “La Zapata” noemde. Hij schreef zijn vriend Rodrigo Pelaéz in Cuzco en deed hem het aanbod om tegen vier procent van de netto winst in dienst te treden als administrateur van de mijn. Pelaéz was in de wolken en kwam onmiddellijk naar Potosí. Het weerzien van de vrienden werd uitgebreid gevierd: Pelaéz deed zich tegoed aan de wijn; Zapata hield het bij een sapje.

De onafscheidelijke vrienden deden goede zaken: de mijn leverde fortuinen op. Zapata, die een vijfde van de opbrengst aan de Spaanse koning moest afdragen, werd in tien jaar tijd multimiljonair.  Pelaéz, die vier procent van de nettowinst kreeg, spaarde een vermogen bij elkaar waar een Europese prins jaloers op zou zijn. 

Volkomen onverwachts verkocht Martín Zapata in 1573 zijn zilvermijn aan een  Baskische onderneming. Tegen Rodrigo Pelaéz zei hij dat hij nu genoeg had verdiend en dat hij naar Spanje wilde terugkeren om zich in Cadiz te vestigen. Zapata kocht een schip in Arica, scheepte zijn zilveren baren in en vertrok. 

De autoriteiten in Cadiz waren ingenomen met de terugkeer van de “Perulero*.” Als vroom christen strooide Martín Zapata met geld: De kerken en kloosters van Cadiz kregen grote sommen en hij richtte in een half jaar een aantal stichtingen op om het leven van weeskinderen en weduwen te verzachten. Plotseling was Martín Zapata in geen velden of wegen te bekennen. Over zijn verdwijning deden de wildste geruchten: Veel inwoners van Cadiz geloofden dat de duivel de gulle Zapata had weggesleept. 

* Perulero: Spaanse benaming voor iemand, die in Peru heeft gewoond en weer naar Spanje is teruggekeerd.  

Rodrigo Pelaéz bleef tegen een salaris als administrateur in de zilvermijn werken tot hij op een dag in 1577 ruzie kreeg met zijn Baskische bazen. Aangezien hij uit de periode van Zapata een fortuin had verzameld nam hij op staande voet ontslag en ging hij zijn vriend achterna. De kust van Cadiz tekende zich af toen het schip van Pelaéz werd overvallen door Barbarijse zeerovers: alle Spaanse mannen werden als slaaf verkocht aan Siq Al Emir, de vizier van Algiers. 

Pelaéz had het slechter kunnen treffen: Hij werd met een aantal mannen van zijn schip tewerk gesteld in een van de tuinen buiten Algiers van de vizier, de onderminister van economie. Hij had er twee maanden als tuinman opzitten toen op een middag de vizier met een groot aantal vrienden de tuin bezocht. De onderminister bekeek één voor één zijn nieuwe slaven en toonde ze vol trots aan zijn gezelschap. 

Diezelfde avond werd Rodrigo Pelaéz hardhandig naar de vizier geleid. De onderminister stond midden in de schemerige Moorse ruimte toen de bedienden Rodrigo Pelaéz achterlieten. Op het moment dat beiden alleen in de zaal stonden riep de vizier:

“Omhels mij, Rodrigo Peláez! Herken je mij niet?” 

Vizier Siq Al Emir van Algiers was kapitein Martín Zapata. 

Beide mannen omhelsden elkaar met tranen in de ogen. Rodrigo Pelaéz kon het maar niet geloven dat zijn vriend in zo’n korte tijd zo hoog was opgeklommen in een heel andere wereld. Onder het genot van een oosters maal vertelde Martín Zapata zijn verhaal: 

Als scheepsjongen op een Moors schip leed hij op twaalfjarige leeftijd schipbreuk op de Spaanse kust. Zes jaar lang zwierf hij rond, leerde Spaans en gaf hij zich op om naar de kolonie te gaan. Eenmaal in Peru aangekomen meldde hij zich bij het leger. In Cadiz verscheepte hij beetje bij beetje zijn hele vermogen naar Algiers, waar hij dit investeerde in gebouwen. Deze investeringen wekte zoveel sympathie op bij de Sultan van Algiers dat hij  Zapata tot visier benoemde. 

De voorgewende godsdienstigheid van Martín Zapata was het masker waar achter hij zijn islamitische religie bleef belijden. Elke vrijdag trok hij een schoon hemd aan. Nooit at hij een haan, die door een vrouwenhand was geslacht. Trouw voerde hij in het verborgene vijf maal per dag de islamitische rituelen uit. Toen de Inquisitie zich in 1570 in Peru vestigde werd het te heet onder zijn voeten en verkocht hij zijn zilvermijn. Eenmaal in zuid-Spanje aangekomen koos Zapata definitief  voor de overkant, afgeschermd door de zee.

 


   Cadiz                                           Algiers XVI eeuw
Cadiz in de 16e eeuw                                                                                           Algiers in de 16e eeuw

 copyright Peter Hattink De verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.

terug naar Petites Histoires

Terug naar de voorpagina