“Petites
Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika
Deze
verhalen gaan over de achterkant van historische
gebeurtenissen, die door officiële
geschiedschrijvers zelden
vanuit de mens
zelf is verteld.
| 1578 Op Tijd weg | ||
|---|---|---|
![]() Francisco Hernández Girón ![]() Francisco Pizarro ![]() Potosi ![]() Cadiz in de 16de eeuw ![]() Barbarijse piratenschepen ![]() Algiers 16e eeuw |
Nu
in 1557 de burgeroorlogen tussen de Spaanse veroveraars van Peru
afgelopen waren zagen Martín Zapata en Rodrigo
Pelaéz hun militaire carrière
niet meer zitten. Beiden waren gezworen kameraden. Zij hadden elkaar in
1553
leren kennen te Cuzco waar zij vochten tegen Francisco
Hernández Girón, die in
opstand was gekomen tegen Francisco Pizarro, de veroveraar van Peru.
Zapata,
die in 1552 vanuit Spanje in Peru was aangekomen, had het tot kapitein
van de
koninklijke lansiers gebracht en Pelaéz was officier
geworden van het
koninklijke regiment van haakbussen. De
vijfentwintig jarige Martín Zapata had het plan opgevat om
naar Potosí
te gaan. Hij was gefascineerd door de verhalen over de zilvermijnen in
die stad
en hij wilde daar graag een graantje van mee pikken. De afspraak tussen
de
beide vrienden was dat Rodrigo Pelaéz voorlopig officier zou
blijven in het
haakbussenregiment te Cuzco en dat Martín Zapata hem zou
laten weten als hij
iets voor hem gevonden had in Potosí. Martín
Zapata vestigde zich in 1558 in Potosí dat inmiddels met
zijn
honderdvijftigduizend inwoners uitgegroeid was tot de grootste stad van
het
westelijke halfrond. Op zoek naar een grote zilverader
liet hij zich inhuren als opzichter bij veel
kleine mijnen. Zapata viel op in Potosí: Hij was lang,
donker en had een zware
snor naar Turks model en hij was fanatiek godsdienstig. Er was geen
broederschap of hij was er lid van. Elke eerste zondag van de maand
ging hij
biechten en ging hij te communie. Hij sloeg op zondag de vespers nooit
over en
hij stond er om bekend dat hij de kerk financieel rijkelijk bedeelde. Op
sociaal gebied was hij een goede causeur. De inwoners van
Potosí dachten
dat hij óf uit Andalusië kwam óf uit Oud
Castilië omdat hij over deze Spaanse
gebieden alles wist. Martín Zapata was een gezien man: Nooit
was hij dronken en
nooit had hij een liefdesaffaire gehad. Op
een dag in 1562 lachte het geluk Zapata toe. Hij ontdekte een enorme
zilverader. Hij kocht de grond met alles wat er in zat en opende zijn
mijn ,
die hij toepasselijk “La Zapata” noemde. Hij
schreef zijn vriend Rodrigo Pelaéz
in Cuzco en deed hem het aanbod om tegen vier procent van de netto
winst in dienst
te treden als administrateur van de mijn. Pelaéz was in de
wolken en kwam
onmiddellijk naar Potosí. Het weerzien van de vrienden werd
uitgebreid gevierd:
Pelaéz deed zich tegoed aan de wijn; Zapata hield het bij
een sapje. De
onafscheidelijke vrienden deden goede zaken: de mijn leverde fortuinen
op. Zapata, die een vijfde van de opbrengst aan de Spaanse koning moest
afdragen, werd in tien jaar tijd multimiljonair.
Pelaéz, die vier procent van de
nettowinst
kreeg, spaarde een vermogen bij elkaar waar een Europese prins jaloers
op zou
zijn. Volkomen
onverwachts verkocht Martín Zapata in 1573 zijn zilvermijn
aan
een Baskische
onderneming. Tegen Rodrigo
Pelaéz zei hij dat hij nu genoeg had verdiend en dat hij
naar Spanje wilde
terugkeren om zich in Cadiz te vestigen. Zapata kocht een schip in
Arica,
scheepte zijn zilveren baren in en vertrok. De
autoriteiten in Cadiz waren ingenomen met de terugkeer van de
“Perulero*.” Als vroom christen strooide
Martín Zapata met geld: De kerken en
kloosters van Cadiz kregen grote sommen en hij richtte in een half jaar
een
aantal stichtingen op om het leven van weeskinderen en weduwen te
verzachten.
Plotseling was Martín Zapata in geen velden of wegen te
bekennen. Over zijn
verdwijning deden de wildste geruchten: Veel inwoners van Cadiz
geloofden dat
de duivel de gulle Zapata had weggesleept. *
Perulero: Spaanse benaming voor iemand, die in Peru
heeft gewoond en weer naar Spanje is teruggekeerd.
Rodrigo
Pelaéz bleef tegen een salaris als administrateur in de
zilvermijn
werken tot hij op een dag in 1577 ruzie kreeg met zijn Baskische bazen.
Aangezien hij uit de periode van Zapata een fortuin had verzameld nam
hij op
staande voet ontslag en ging hij zijn vriend achterna. De kust van
Cadiz
tekende zich af toen het schip van Pelaéz werd overvallen
door Barbarijse
zeerovers: alle Spaanse mannen werden als slaaf verkocht aan Siq Al
Emir, de
vizier van Algiers. Pelaéz
had het slechter kunnen treffen: Hij werd met een aantal mannen van
zijn schip tewerk gesteld in een van de tuinen buiten Algiers van de
vizier, de
onderminister van economie. Hij had er twee maanden als tuinman
opzitten toen
op een middag de vizier met een groot aantal vrienden de tuin bezocht.
De
onderminister bekeek één voor
één zijn nieuwe slaven en toonde ze vol trots aan
zijn gezelschap. Diezelfde
avond werd Rodrigo Pelaéz hardhandig naar de vizier geleid.
De
onderminister stond midden in de schemerige Moorse ruimte toen de
bedienden
Rodrigo Pelaéz achterlieten. Op het moment dat beiden alleen
in de zaal stonden
riep de vizier: “Omhels
mij, Rodrigo Peláez! Herken je mij niet?” Vizier
Siq Al Emir van Algiers was kapitein Martín Zapata. Beide
mannen omhelsden elkaar met tranen in de ogen. Rodrigo
Pelaéz kon het
maar niet geloven dat zijn vriend in zo’n korte tijd zo hoog
was opgeklommen in
een heel andere wereld. Onder het genot van een oosters maal vertelde
Martín
Zapata zijn verhaal: Als
scheepsjongen op een Moors schip leed hij op twaalfjarige leeftijd
schipbreuk op de Spaanse kust. Zes jaar lang zwierf hij rond, leerde
Spaans en
gaf hij zich op om naar de kolonie te gaan. Eenmaal in Peru aangekomen
meldde
hij zich bij het leger. In Cadiz verscheepte hij beetje bij beetje zijn
hele
vermogen naar Algiers, waar hij dit investeerde in gebouwen. Deze
investeringen
wekte zoveel sympathie op bij de Sultan van Algiers dat hij Zapata tot visier benoemde. De
voorgewende godsdienstigheid van Martín Zapata was het
masker waar
achter hij zijn islamitische religie bleef belijden. Elke vrijdag trok
hij een
schoon hemd aan. Nooit at hij een haan, die door een vrouwenhand was
geslacht.
Trouw voerde hij in het verborgene vijf maal per dag de islamitische
rituelen
uit. Toen de Inquisitie zich in 1570 in Peru vestigde werd het te heet
onder
zijn voeten en verkocht hij zijn zilvermijn. Eenmaal in zuid-Spanje
aangekomen
koos Zapata definitief voor
de overkant,
afgeschermd door de zee. |
Cadiz in de 16e eeuw Algiers in de 16e eeuw |
De
verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar
overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.