“Petites
Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika
Deze
verhalen gaan over de achterkant van historische
gebeurtenissen, die door officiële
geschiedschrijvers zelden
vanuit de mens
zelf is verteld.
| 1599 De verloren Republiek Zambo | ||
|---|---|---|
![]() Ecuador ![]() Nederlandse piraten ![]() ![]() Richard Hawkins ![]() Onderkoning Gaspar Zúñiga y Acevedo |
![]() De Heren “Mulatten” van Esmeraldas Niet
de Spanjaarden maar Afrikaanse negers hebben een gebied bijna zo groot als een
derde van Nederland in noordwest Ecuador veroverd: zestien mannen, een
jongetje van
tien jaar plus zes vrouwen, allen slaven uit Guinee. Zij drukten een
stempel op
de provincie Esmeraldas: Zij noemden hun nazaten -de kinderen uit de
gemengde
huwelijken van Afrikanen en indianen- Zambo’s. De naam Zambo
is afgeleid van
een heel oud gebruik in Guinee en omstreken: de eerstgeboren zoon werd
vroeger
altijd Zambo of Sambo genoemd. De Spaanse
bemanning was hondsmoe van de tocht in het slechte weer
langs de Colombiaanse ontoegankelijke kust. Het schip was in oktober
1533
vertrokken uit Panama op weg naar Lima met aan boord
drieëntwintig slaven uit
Guinee. Iedereen was blij toen de
kapitein, na dertig dagen aanlegde in een rustig baaitje van de huidige
provincie Esmeraldas. Op twee man na ging iedereen van boord om
proviand en
water in te slaan. Terwijl de
Spanjaarden aan wal de slaven leidden bij het zoeken van
proviand en het inslaan van water stak er een hevige storm op. Het
schip sloeg
te pletter op de rotsen en de twee mannen, die aan boord gebleven
waren, konden
ternauwernood aan de dood ontsnappen: Zij konden amper wat persoonlijke
bezittingen meenemen plus een prachtige monstrans, bestemd voor het
Dominicanenklooster in Lima. De schipbreuk was
voor de slaven de poort naar de vrijheid. Onder
leiding van een zekere “Anton” vluchtten zij het
oerwoud in. Voor de
Spanjaarden -geheel ontmoedigd en zich bijzonder kwetsbaar voelend-
bleef er
niets anders over om -in afwachting van betere tijden- de kostbare
monstrans te
begraven. Bijna ziek van ellende begaven zij zich op weg naar de stad
Porto
Viejo. Alleen maar één Spanjaard kwam in deze
stad aan. “Anton”
was een geboren leider. Hij sloot onmiddellijk een
bondgenootschap met de Pidi-indianen: De Afrikaanse mannen zouden als
ervaren
krijgers de Pidi’s beschermen tegen de aanvallen van
indiaanse stammen. Al
spoedig ontstond er een breuk in het bondgenootschap: De
Pidi’s vonden dat de
Afrikanen teveel beslag legden op hun vrouwen en
goederen. De spanningen liepen zo hoog op dat
de Pidi’s op een nacht zes Afrikanen vermoordden. De poging
van de Pidi’s om de
volgende dag alle Afrikanen af te maken werd door
“Anton” hard beantwoord: Door
het tonen van een ongekende wreedheid zaaide hij terreur in de gehele
provincie
en ontwikkelde hij zich tot de absolute leider van de streek. Het gerucht van
een Afrikaanse vrijplaats in Ecuador verspreidde zich
in Zuid-Columbia en in Ecuador. Gevluchte slaven uit deze gewesten,
waaronder
ook in Spanje geboren Spaanssprekende Moren, vestigden zich in
Esmeraldas. Ook
zij aanvaardden de heerschappij van “Anton” tot
diens dood. Het overlijden van
“Anton” veroorzaakte een bloedige machtsstrijd in
de Guinese groep: De
overlevenden - zeven mannen en drie vrouwen- vluchtten weg uit
Esmeraldas en
trouwden met indianen van andere stammen uit de kuststreek. De
Zambo-cultuur
begon zich uit te spreiden in Ecuador. Het eerste
officiële contact tussen de Spanjaarden en de Zambo-cultuur
vindt plaats in 1577 als de priester Miguel de Cabello Balboa de leider
van de
gemeenschap ontmoet bij de monding van de Esmeraldas rivier. Het blijkt
de in
Sevilla geboren en Spaans sprekende Moor Alonso Illescas te zijn. Uit
een
Spaanse kroniek valt op te maken dat Illescas, zijn indiaanse
echtgenote, hun
kinderen, hun bedienden plus een groot aantal met goud beladen indianen
en
“Mulatten*” op het strand een mis bijwoonden.
Hierbij legden zij op het
geïmproviseerde altaar gouden voorwerpen als offerandes. Alonso Illescas
nam na de mis op een diplomatieke manier afscheid van
de Spaanse geestelijke. Hij vertelde hem dat hij vooraanstaande burgers
uit
andere dorpen zou sturen “teneinde religieuze instructies te
ontvangen”. Toen
na verloop van tijd niemand kwam opdraven nam Miguel de Cabello Balboa
zelf het
initiatief voor een ontmoeting. Hij voer met een kano de Esmeraldas
rivier op.
Na ongeveer 4 km. stroomopwaarts vond hij een plek waar meer dan
honderd kapot geslagen
kano’s lagen en even verderop zag hij een groot aantal
vernielde fruitbomen.
Voor de Spaanse pater waren de tekens duidelijk: Men wilde geen contact
meer. De provincie
Esmeraldas raakte voor de Spanjaarden in de vergetelheid
totdat Hollandse en Engelse piraten op het einde van de zestiende eeuw
de kust
onveilig maakten. Het Koninklijke Gerechtshof van Quito stuurde rechter
Juan
del Barrio de Sepúlveda, die van 1597 tot 1600
verantwoordelijk was voor de
veiligheid in het gebied. Op een van zijn eerste reizen in 1597
ontmoette de
rechter in het plaatsje San Mateo de twee Zamboleiders, Francisco de
Arobe en
Sebastián de Illescas**. Beiden waren de onbetwiste heersers
over het gebied
van Ecuatoriaanse noord-Manabí tot het Colombiaanse
Barbacoas. Rechter Juan del
Barrio de Sepúlveda was zeer onder de indruk van de beide
heren, die
verstaanbaar Spaans spraken. De Spanjaard had er alle belang bij deze
heren te
vriend te houden: de kust van Ecuador was een kwetsbare plek voor de
schepen
die voeren tussen Panama en Lima. Het duurde twee
jaar eer dat de beide Zamboleiders overgehaald konden
worden hun opwachting in Quito te maken. Doel van de Spaanse rechter
was in
Quito een aantal festiviteiten ter ere van Francisco de Arobe en
Sebastián de
Illescas te organiseren, waarbij het hoogtepunt zou zijn de erkenning
door
beide leiders van het gezag van de Spaanse koning en de acceptatie van
het
christendom door hun onderdanen. Ondanks de
“massages” van de Spaanse
geestelijke Diego de Torres hielden beide heren het hoofd koel. Zij
waren zich
bewust van de door hun voorouders veroverde status van vrijheid en zij
beseften
terdege dat de Spanjaarden op het gebied van wapens technisch superieur
waren. De delegatie uit
het Zambogebied werd in 1599 groots ontvangen in Quito.
In de stad ging het gerucht dat de Zambo’s de heersers waren
over meer dan
honderdduizend mensen: In werkelijkheid ging het maar om ongeveer
tweeduizend
bewoners. Kosten noch moeite werden gespaard om het de gasten naar de
zin te
maken. In de wetenschap dat zij een belangrijke gemeenschap
vertegenwoordigden
op een uiterst strategisch gelegen gebied werden de Zambo’s
overladen met
geschenken, zoals prachtige kleren, kruiken wijn en dekens. Op
plechtige wijze
werd Francisco de Arobe door het Koninklijke Gerechtshof,het hoogste
bestuursorgaan van de provincie Quito, tot gouverneur van Esmeraldas
benoemd.
Deze historische gebeurtenis, die voorkwam dat de Republiek Zambo werd
uitgeroepen, is vastgelegd door de indiaanse schilder Andrés
Sánchez Gallque,
leerling van de Vlaamse pater Peter Goltzius uit de Quiteense
schilderschool.
Op het schilderij: “ De Heren Mulatten* van Esmeraldas,
Ecuador”, staat in het midden
Francisco de Arobe (56 jaar), rechts van hem zijn zoon Pedro (22 jaar)
en links
van hem zijn zoon Domingo (18 jaar). De drie heren, allen geboren in
Esmeraldas, lieten zich in Quito aanspreken met de deftige Spaanse
titel:
“Don”. De deal tussen de
Zambo’s en de Spaanse overheid in Quito was dat de
Spanjaarden geen arbeid zouden eisen en geen belasting zouden innen van
de
bewoners van Esmeraldas. De Zambo’s op hun beurt zouden
Spaanse geestelijken
toelaten in hun gebied en zouden Spaanse schepen van proviand en water
voorzien. Spanjaarden, die schipbreuk leden, zouden volgens het akkoord
veilig
naar Quito gebracht worden. Uit de literatuur
is weinig over de Zambo’s bekend. De Engelse
zeevaarder Richard Hawkins beschrijft in zijn scheepsjournaal dat
Sebastián de
Illescas, na een gevecht van drie dagen in de monding van de rivier
Verde, bij
de overgaven van zijn schip bemiddelde tussen hem en de Spanjaarden.
Ook
beschrijft Hawkins dat -voordat er een Zambo tot gouverneur van
Esmeraldas werd
benoemd- Sebastián de Illescas met Zambo’s en met
steun van indianen vocht
tegen de Spanjaarden. Volgens Spaanse
kronieken werd Esmeraldas in 1605 getroffen door een
machtsstrijd tussen rivaliserende “Mulatten” en hun
indiaanse aanhang. De
Spaanse autoriteiten waren teleurgesteld in de houding van gouverneur
Francisco
de Arobe omdat hij de gevechten tussen zijn onderdanen niet kon
voorkomen. In
1606 meldde een Spaanse onderzoeker dat Don Francisco de Arobe en zijn
volk
dronkaards waren. Hierbij tekende de onderzoeker ook aan dat de
Zambo’s diep in
hun hart geen christenen waren. Francisco de Arobe
is gouverneur van Esmeraldas geweest tot aan zijn
dood in 1606. Het is de vraag of het Koninklijke Gerechtshof te Quito
ooit de
Spaanse onderkoningen in Lima - Luis de Velasco en Gaspar
Zúñiga y Acevedo- op
de hoogte heeft gesteld van de benoeming van Francisco de Arobe tot
gouverneur
van Esmeraldas. Volgens de Spaanse
wetgeving konden mensen die niet in Spanje geboren
waren in die tijd
geen belangrijke functie vervullen in het bestuursapparaat van de
kolonie. *
Mulatten”. Lees:
“Zambo’s”: afstammelingen van een neger
als vader en
een indiaanse moeder. **
Sebastián de Illescas: vermoedelijk een
zoon van de Moor Alonso Illescas uit Sevilla, de opvolger van
“Anton” uit
Guinee. |
![]() Guinee ![]() Engels piratenschip ![]() : Koninklijk Gerechtshof te Quito, 1605 ![]() Onderkoning Luis de Velasco |
De
verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar
overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.