“Petites Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika 

door Peter Hattink*
peterhattink@yahoo.es

 Deze “Petites Histoires” zijn anecdotische verhalen in hun historische context. Zij geven een inzicht  in het denken  
en het handelen van de volkeren van Amerika, de nieuwkomers en hun nakomelingen op dit continent. 

De officiële geschiedenis is veelal geschreven in het belang van de staat. 
Deze verhalen gaan over de achterkant van historische gebeurtenissen, die door officiële 
geschiedschrijvers  zelden vanuit de mens zelf is verteld.
 
 

1635 Maagd van Antiapartheid



  Virgen de los Angeles
 Nuesta Señora de
 los Ángeles



Nu señora de los angeles
‘Negrita’


Laura Chinchilla
 Laura Chinchilla


Oscar Arias
Oscar Arias


JJose Manuel Zelaya
José Manuel Zelaya 
 

 Roberto Micheletti
Roberto Micheletti


Juana Pereira
Juana Pereira
 

Baltazar de GradoPizarro
Baltazar de Grado
 

 Basiliek Cartago
 Basiliek van Cartago

Honderdduizenden Costa Ricanen bezoeken jaarlijks op 2 augustus “Nuestra Señora de los Ángeles”, Onze Lieve 
Vrouw van de Engelen in Cartago, de oude hoofdstad van hun land. Alle Costa Ricanen dragen deze Maagd in hun 
hart en zijn van mening dat je in je leven één keer op bedevaart naar de basiliek van Cartago geweest moet zijn om 
haar te aanschouwen.

Sommige pelgrims komen te voet, anderen met bussen en auto’s om een glimp op te vangen van een beeldje van 
ongeveer 20 cm. hoog. In de basiliek gaan veel Costa Ricanen op hun knieën naar het altaar waar Onze Lieve 
Vrouw van de Engelen, ingepakt in goud en zilver, staat. Deze Maagd van bijna 400 jaar oud, wordt vereerd door 
mensen van allerlei rangen en standen. Sommigen bezoeken haar uit dankbaarheid, anderen smeken om een gunst.

Een voorbeeld van een verzoek van een gunst op niveau. Laura Chinchilla, presidentskandidate voor de verkiezingen 
in 2010 van Costa Rica, sprak in juli 2009 de hoop uit dat “Nuestra Señora de los Ángeles” de politici van Honduras 
zou inspireren tot het zoeken naar een oplossing van het politieke leiderschap in dat land. Op dat ogenblik bemiddelde 
de Costa Ricaanse president Oscar Arias in het conflict tussen de door een staatsgreep afgezette Hondurese 
president José Manuel Zelaya  en de putschist Roberto Micheletti.

----------------------

Het bruine jonge meisje Juana Pereira was, net zoals elke dag, op 2 augustus 1635 vroeg opgestaan om hout te 
sprokkelen voor het eten. Zij kwam uit een arm gezin uit het dorpje Puebla de los Pardos, de nederzetting voor 
de niet blanken aan de rand van Cartago, de eerste hoofdstad van de Spaanse provincie Costa Rica. In die tijd 
woonden de gekleurde mensen apart want de katholieke kerk en de Spaanse autoriteiten waren tegen de
vermenging van de Spanjaarden met indianen, negers, mestiezen of zambo’s*. Tussen Cartago en Puebla de los
Pardos stond een groot stenen kruis als grenspost: de gekleurde mensen mochten zich niet vrij in Cartago bewegen.

“Moet je nou eens kijken”, zei de 8-jarige Juana Pereira verheugd tegen zichzelf: “op die rots naast het voetpad zit iets!” 
Zij liet het gesprokkelde hout vallen en nam een donkergrijs klein stenen beeldje van een vrouw met een kindje in 
haar handen. “Wat mooi!”, dacht zij. Juana was vertederd door het beeldje en noemde het ‘Negrita’, ‘Zwartje’ ofwel
‘Negerinnetje’.  Voorzichtig stopte zij het beeldje in een soort knapzak die zij altijd bij zich droeg. 
Eenmaal thuis gekomen borg zij het beeldje op in een mandje.

De volgende dag ging zij in dezelfde buurt weer hout sprokkelen. Tot haar grote vreugde stond er net zo´n beeldje 
als de vorige dag op dezelfde rots. “Ha, nu heb ik  twee ‘Zwartjes’!”, lachte zij en zij stopte het beeldje in haar 
knapzak. Thuis gekomen deed zij het nieuwe beeldje in het mandje maar tot haar grote schrik zag zij dat het 
‘Negerinnetje’ van de dag daarvoor verdwenen was. “Iemand heeft mij een poets gebakken”, dacht zij en 
daarom stopte zij het beeldje in een koffer die zij afsloot.

Op de derde dag liep Juana weer op hetzelfde voetpad en zag zij tot haar grote schrik weer zo´n beeldje op 
diezelfde rots. Zij pakte het, rende naar huis, opende de koffer en zag dat deze leeg was. Het meisje had nu 
echt de schrik te pakken en rende naar pastoor Baltazar de Grado. Juana vertelde de priester in geuren en kleuren 
wat er gebeurd was. De geestelijke hoorde haar geduldig aan, stelde haar gerust en zette het beeldje in de kast van 
zijn eetkamer om het later te bestuderen.

De volgende dag opende pater Baltazar de Grado de kast en zag onmiddellijk dat het beeldje verdwenen was. 
Hij ging naar het voetpad waar Juana Pereira voor het eerst het beeldje op de steen had gezien. Tot zijn grote 
verbazing zag hij het beeldje op de rots. Vastberaden nam hij het mee, ging naar de kerk en stopte het in 
het tabernakel bij de hosties en hij sloot zoals gewoonlijk dit heiligdom af met een sleutel.

Twee dagen later, op 7 augustus, deed pastoor Baltazar de Grado de mis. Bij het openen van het tabernakel 
om de hosties voor de communie eruit te halen zag Baltazar de Grado meteen dat het beeldje verdwenen was. 
Hij liet niets merken en hij deelde de communie uit alsof er niets aan de hand was. Wel raffelde hij de mis af om, 
samen met kapelaan Alonso de Sandoval, zo snel mogelijk naar de rots te gaan waarop het beeldje steeds was
teruggekeerd. Hij kreeg kippevel toen hij op de rots het beeldje zag staan. Het leek wel of de moeder van het 
kind hem bleef aankijken.

De 50-jarige Baltazar de Grado, de eerste in Costa Rica geboren priester in de geschiedenis, zag nu plotseling 
de betekenis in van “Negrita”. Precies 20 jaar na de dood van zijn vader Juan Solano, aanvankelijk Spaanse 
veroveraar en later een hoge bestuursfunctionaris, voelde hij sterk wat hij hem had ingeprent. Nu begreep hij 
waarom zijn vader zich altijd had opgeworpen als beschermer van de indianen. “Alle mensen zijn voor God gelijk”,
had zijn vader dikwijls gezegd. Pater Baltazar de Grado besefte dat hij met ‘Zwartje’ een schat voor samenleving 
in handen had die een einde kon maken aan de rassendiscriminatie.

Dit grijze stenen beeldje van een moeder met kind, waaraan je niet kunt zien of ze beiden Europees, 
indiaans, Afrikaans, mesties, mulat of zambo zijn, zou de onze Lieve Vrouw van alle Costa Ricanen moeten worden. 
Natuurlijk snapte Baltazar de Grado ook dat er op de plaats van de rots, waarop het beeldje werd gevonden, een 
kerkje moest komen waarnaar de gelovigen op bedevaart zouden kunnen gaan. De priester nam het koosnaampje
“Negrita” van Juana Pereira over. De officiële naam van deze nieuwe Maagd met kind was voor Baltazar de Grado 
geen probleem. Het beeldje was voor het eerst op de 2 augustus 1635 gevonden, de katholieke feestdag van de 
engelen. Dus de Maagd werd: “Nuestra Señora de los Ángeles”, ofwel de Maagd van de Engelen.

Pater Baltazar de Grado bepaalde op zijn sterfbed in 1648 dat de kerk elk jaar de feestelijke herdenking van 
de vondst van “Nuestra Señora de los Ángeles” voor een gedeelte moest financieren. Deze maatregel had succes: 
‘Negrita’, de Onze Lieve Vrouw van de Engelen, werd in 1782 de patrones van de hoofdstad Cartago en in 1824 -
drie jaar na de onafhankelijkheid van Spanje- werd zij de patrones van Costa Rica.

*Zambo of zamba: zoon of dochter van een indiaanse en een Afrikaanse ouder.


 copyright Peter Hattink De verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.

terug naar Petites Histoires

Terug naar de voorpagina