
Basiliek van Cartago
Honderdduizenden
Costa Ricanen bezoeken
jaarlijks op 2 augustus “Nuestra Señora de los
Ángeles”, Onze Lieve
Vrouw van
de Engelen in Cartago, de oude hoofdstad van hun land. Alle Costa
Ricanen
dragen deze Maagd in hun
hart en zijn van mening dat je in je leven
één keer op
bedevaart naar de basiliek van Cartago geweest moet zijn om
haar te aanschouwen.
Sommige
pelgrims komen te voet, anderen met
bussen en auto’s om een glimp op te vangen van een beeldje
van
ongeveer 20
cm. hoog. In de basiliek
gaan veel Costa Ricanen op hun knieën naar het altaar waar
Onze Lieve
Vrouw van
de Engelen, ingepakt in goud en zilver, staat. Deze Maagd van bijna 400
jaar
oud, wordt vereerd door
mensen van allerlei rangen en standen. Sommigen
bezoeken haar uit dankbaarheid, anderen smeken om een gunst.
Een
voorbeeld van een verzoek van een gunst op
niveau. Laura Chinchilla, presidentskandidate voor de verkiezingen
in
2010 van
Costa Rica, sprak in juli 2009 de hoop uit dat “Nuestra
Señora de los Ángeles”
de politici van Honduras
zou inspireren tot het zoeken naar een
oplossing van
het politieke leiderschap in dat land. Op dat ogenblik bemiddelde
de
Costa
Ricaanse president Oscar Arias in het conflict tussen de door een
staatsgreep
afgezette Hondurese
president José Manuel Zelaya en de putschist Roberto
Micheletti.
----------------------
Het
bruine jonge meisje Juana Pereira was, net
zoals elke dag, op 2 augustus 1635 vroeg opgestaan om hout te
sprokkelen voor
het eten. Zij kwam uit een arm gezin uit het dorpje Puebla de los
Pardos, de
nederzetting voor
de niet blanken aan de rand van Cartago, de eerste
hoofdstad
van de Spaanse provincie Costa Rica. In die tijd
woonden de gekleurde
mensen
apart want de katholieke kerk en de Spaanse autoriteiten waren tegen de
vermenging
van de Spanjaarden met indianen, negers, mestiezen of
zambo’s*. Tussen Cartago
en Puebla de los
Pardos stond een groot stenen kruis als grenspost: de
gekleurde mensen mochten zich niet vrij in Cartago bewegen.
“Moet
je nou eens kijken”, zei de 8-jarige Juana
Pereira verheugd tegen zichzelf: “op die rots naast het
voetpad zit iets!”
Zij
liet het gesprokkelde hout vallen en nam een donkergrijs klein stenen
beeldje
van een vrouw met een kindje in
haar handen. “Wat
mooi!”, dacht zij. Juana was
vertederd door het beeldje en noemde het ‘Negrita’,
‘Zwartje’ ofwel
‘Negerinnetje’.
Voorzichtig stopte zij
het beeldje in een soort knapzak die zij altijd bij zich droeg.
Eenmaal
thuis
gekomen borg zij het beeldje op in een mandje.
De
volgende dag ging zij in dezelfde buurt weer
hout sprokkelen. Tot haar grote vreugde stond er net zo´n
beeldje
als de vorige
dag op dezelfde rots. “Ha, nu heb ik
twee ‘Zwartjes’!”,
lachte zij en zij stopte het beeldje in haar
knapzak.
Thuis gekomen deed zij het nieuwe beeldje in het mandje maar tot haar
grote
schrik zag zij dat het
‘Negerinnetje’ van de dag
daarvoor verdwenen was.
“Iemand heeft mij een poets gebakken”, dacht zij en
daarom stopte zij het
beeldje in een koffer die zij afsloot.
Op
de derde dag liep Juana weer op hetzelfde
voetpad en zag zij tot haar grote schrik weer zo´n beeldje op
diezelfde rots.
Zij pakte het, rende naar huis, opende de koffer en zag dat deze leeg
was. Het
meisje had nu
echt de schrik te pakken en rende naar pastoor Baltazar
de Grado.
Juana vertelde de priester in geuren en kleuren
wat er gebeurd was. De
geestelijke hoorde haar geduldig aan, stelde haar gerust en zette het
beeldje
in de kast van
zijn eetkamer om het later te bestuderen.
De
volgende dag opende pater Baltazar de Grado
de kast en zag onmiddellijk dat het beeldje verdwenen was.
Hij ging
naar het
voetpad waar Juana Pereira voor het eerst het beeldje op de steen had
gezien.
Tot zijn grote
verbazing zag hij het beeldje op de rots. Vastberaden
nam hij
het mee, ging naar de kerk en stopte het in
het tabernakel bij de
hosties en
hij sloot zoals gewoonlijk dit heiligdom af met een sleutel.
Twee
dagen later, op 7 augustus, deed pastoor
Baltazar de Grado de mis. Bij het openen van het tabernakel
om de
hosties voor
de communie eruit te halen zag Baltazar de Grado meteen dat het beeldje
verdwenen was.
Hij liet niets merken en hij deelde de communie uit
alsof er
niets aan de hand was. Wel raffelde hij de mis af om,
samen met
kapelaan Alonso
de Sandoval, zo snel mogelijk naar de rots te gaan waarop het beeldje
steeds
was
teruggekeerd. Hij kreeg kippevel toen hij op de rots het beeldje
zag staan.
Het leek wel of de moeder van het
kind hem bleef aankijken.
De
50-jarige Baltazar de Grado, de eerste in
Costa Rica geboren priester in de geschiedenis, zag nu plotseling
de
betekenis
in van “Negrita”. Precies 20 jaar na de dood van
zijn vader Juan Solano,
aanvankelijk Spaanse
veroveraar en later een hoge bestuursfunctionaris,
voelde
hij sterk wat hij hem had ingeprent. Nu begreep hij
waarom zijn vader
zich
altijd had opgeworpen als beschermer van de indianen. “Alle
mensen zijn voor
God gelijk”,
had zijn vader dikwijls gezegd. Pater Baltazar
de Grado besefte
dat hij met ‘Zwartje’ een schat voor samenleving
in
handen had die een einde
kon maken aan de rassendiscriminatie.
Dit
grijze stenen beeldje van een moeder met
kind, waaraan je niet kunt zien of ze beiden Europees,
indiaans,
Afrikaans,
mesties, mulat of zambo zijn, zou de onze Lieve Vrouw van alle Costa
Ricanen
moeten worden.
Natuurlijk snapte Baltazar de Grado ook dat er op de
plaats van
de rots, waarop het beeldje werd gevonden, een
kerkje moest komen
waarnaar de
gelovigen op bedevaart zouden kunnen gaan. De priester nam het
koosnaampje
“Negrita” van Juana Pereira over. De
officiële naam van deze nieuwe Maagd met
kind was voor Baltazar de Grado
geen probleem. Het beeldje was voor het
eerst
op de 2 augustus 1635 gevonden, de katholieke feestdag van de
engelen.
Dus de
Maagd werd: “Nuestra Señora de los
Ángeles”, ofwel de Maagd van de Engelen.
Pater
Baltazar de Grado bepaalde op zijn
sterfbed in 1648 dat de kerk elk jaar de feestelijke herdenking van
de
vondst
van “Nuestra Señora de los
Ángeles” voor een gedeelte moest financieren. Deze
maatregel had succes:
‘Negrita’, de Onze Lieve
Vrouw van de Engelen, werd in 1782
de patrones van de hoofdstad Cartago en in 1824 -
drie jaar na de
onafhankelijkheid van Spanje- werd zij de patrones van Costa Rica.
*Zambo
of zamba: zoon of dochter van een indiaanse en een Afrikaanse
ouder.
|