“Petites
Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika
Deze
verhalen gaan over de achterkant van historische
gebeurtenissen, die door officiële
geschiedschrijvers zelden
vanuit de mens
zelf is verteld.
| 1643 Blanken willen alleen maar Goud | ||
|---|---|---|
![]() Hendrik Brouwer ![]() Johan Maurits van Nassau ![]() La Mocha Chiloé Chiloé ![]() Frederik Hendrik van Nassau ![]() Pedro de Valdivia |
De Nederlanden hadden in het begin van de zeventiende
eeuw de hoop dat het wereldrijk van de Spanjaarden zou instorten. Met gevoelige “prikacties”, zoals de verovering van de zilvervloot door Piet Heyn in september 1628, hoopten de Nederlanders dit proces te versnellen. Om een einde te maken aan het Spaanse rijk, waarin de zon nooit onderging, werd er in de Nederlanden en tegelijkertijd in Nederlands Brazilië een plan uitgebroed om Spanje uit het goudland Peru te verdrijven. Hendrik Brouwer, oud-gouverneur van Nederlands Indië van 1632 tot 1636, werd eind 1642 als gouverneur generaal in dienst van de West Indische Compagnie naar de westkust van Zuid-Amerika gestuurd om de Spanjaarden te bestrijden. Op weg daarheen bezocht Brouwer eerst Nederlands Brazilië voor overleg met gouverneur Johan Maurits van Nassau. Op grond van eerdere vriendschappelijke contacten tussen de Nederlanders en de Araucanen* in Chili kwam hij met het plan om door middel van een bondgenootschap met hen Peru te veroveren. Johan Maurits van Nassau keurde het veroveringsplan goed en ging akkoord met het idee van Brouwer de Araucanen te bekeren tot het protestantse geloof en tevens te onderzoeken of er zilvermijnen waren. Brouwer vertrok samen met Elias Herckmans op 15 januari 1643 vanuit Recife. De Nederlandse vloot telde vijf schepen met ongeveer vierhonderd man: Nederlanders, Fransen, Engelsen, Duitsers en een handvol Portugezen uit Pernambuco. Net zoals de vorige contacten tussen de Nederlanders en de Araucanen stak deze vloot eerst zijn licht op bij de bewoners van de eilandjes La Mocha** en Santa María. Daar hoorde men in april 1643 dat de stad Valdivia, die in 1599 op de Spanjaarden werd veroverd, nog steeds in handen was van de Araucanen. Dit nieuws deed Hendrik Brouwer goed want hij zag deze stad als een ideale plaats voor de vestiging van een Nederlandse kolonie en als uitvalsbasis voor de verovering van Peru. Voorts was het stadje Castro, dat in 1600 door Nederlanders was veroverd, weer in Spaanse handen. Brouwer wilde Castro veroveren omdat deze hoofdstad van de Chiloé-archipel een belangrijk strategisch punt was op de route van de Straat van Magelhaes naar Peru, de Filipijnen en de Molukken. Afgesproken werd dat de Nederlanders eerst de twee Spaanse garnizoensstadjes Carelmapu en San Miguel de Cabulco zouden innemen voordat Castro zou worden aangevallen. De garnizoensstadjes Carelmapu en San Miguel de Cabulco werden vanuit zee zonder al te veel moeite veroverd in mei 1643. Castro werd begin juni in brand gestoken; de bewoners vluchtten de bossen in. De Araucanen waren enthousiast over de Nederlandse overwinningen in hun gebied. Een delegatie stamhoofden uit Carelmapu en omstreken bezocht eind juli de vloot. Het stamhoofd Felipe toonde vol trots het hoofd van een Spanjaard, die hij twee weken eerder had gedood. De Araucaanse delegatie vertelden de Nederlanders dat men al tweehonderd Chilenen had verzameld om samen met de Nederlanders naar de steden Valdivia en Osorno te gaan. Op de Nederlandse vloot werden voorbereidingen getroffen om naar Valdivia te vertrekken. Hendrik Brouwer deed geen moeite meer om te verbergen dat hij ernstig ziek was: Hij overleed in zijn hut op 7 augustus 1643 in de ochtend. De gouverneur generaal van de West Indische Compagnie had slechts een wens: Zijn stoffelijk overschot zou moeten worden begraven in Valdivia, de eerste Nederlandse stad in Chili. Elias Herckmans, de opvolger van Hendrik Brouwer, heeft er persoonlijk op toegezien dat dit op een waardige manier gebeurde. De nieuwe gouverneur generaal van de West Indische Compagnie Elias Herckmans kwam eind augustus 1643 met bijna vijfhonderd Araucanen, mannen, vrouwen en kinderen in Valdivia aan. Zij troffen een totaal verwaarloosde Spaanse stad aan met vierhonderdvijftig huizen, waarvan hele wijken door planten overwoekerd waren. De indiaanse bewoners van Valdivia kwamen in grote getale aan boord waar zij zich verbaasden over de constructie van de schepen. De Nederlanders moesten hen erg in de gaten houden want de Araucanen probeerden alles wat van metaal was mee te nemen. De Araucanen namen de voedselvoorziening voor de Europeanen als iets vanzelfsprekends voor hun rekening. Elias Herckmans’ grote moment was aangebroken: Hij wilde de geschiedenis ingaan als de “stichter” van de Nederlandse stad Valdivia, die een hecht bondgenootschap met de Araucanen zou sluiten tegen het vijandige Spanje. In zijn toespraak, eind augustus 1643, tot de stamhoofden van Valdivia en Osorno, die met twaalfhonderd man waren komen opdagen, ging hij uitgebreid in op de oorlog van de Nederlanders, die sinds 1550 tegen Spanje vochten. Hij legde uit dat Nederland een bondgenootschap met de Araucanen voorstond en dat hij daarom wapens uit Europa had meegebracht, zoals kanonnen, geweren, buskruit, munitie, lansen, zwaarden, sabels en andere zaken. Aan elk stamhoofd werd een brief van Frederik Hendrik van Nassau, de Prins van Oranje, uitgereikt. Deze werd voor iedereen vertaald en elke Araucaanse leider, van hoog tot laag, was zo ontroerd dat hij de brieven van de prins begon te kussen*. Na dit formele gedeelte stelde Herckmans voor dat er in Valdivia voor de veiligheid van beide partijen een groot en sterk fort zou moeten worden gebouwd. Vanuit dit fort zou Valdivia tegen de Spaanse vijand verdedigd moeten worden. De nieuwe gouverneur generaal besloot zijn rede met de voorzichtige woorden dat men de bedoeling had de Europese wapens te ruilen tegen goud, dat in sommige streken van Chili overvloedig aanwezig was. Er viel even een dreigende stilte. Als één man stonden de stamhoofden op en beweerden zij allen dat zij niets van goudmijnen afwisten. Ze legden uit dat ze al jaren niets mee van dit metaal fabriceerden. Voorts vertelden zij dat jaren geleden de Spanjaarden hun voorvaderen erg hadden mishandeld als zij vonden dat de Araucanen niet genoeg goud opbrachten. Zij lieten allen blijken dat zij huiverden bij de gedachten aan het leed van hun voorvaderen. Vanaf die dag stagneerde de voedselaanvoer voor de Europeanen. De voedselschaarste werd zo erg dat Herckmans besloot eind october 1643 naar Pernambuco, Nederlands Brazilië, terug te keren. Officieel zou hij gouverneur Johan Maurits van Nassau vertellen dat hij versterking nodig had omdat hij zich met de overgebleven driehonderdzestig Europese mannen in Valdivia te kwetsbaar voelde om daar vandaan Peru te gaan veroveren. De echte reden van zijn vertrek was dat hij de Araucanen niet meer vertrouwde. Elias Herckmans oogstte met zijn verhaal over Chili in Nederlands Brazilië alleen maar ongeloofwaardigheid. Het Nederlandse plan om vanuit Valdivia Peru te veroveren ging hiermee voorgoed verloren. De Araucanen waren geschrokken van de verborgen agenda van de Nederlanders, die een ingewikkelde onderneming hadden opgezet om aan goud te komen. Zij herinnerde zich de verhalen uit de orale traditie hoe Pedro de Valdivia, de veroveraar van Chili, in 1553 vierhonderd Araucanen hun oren en hun neus liet afslaan omdat zij niet genoeg goud afleverden. Met de verovering van Valdivia in 1599 hadden de Araucanen bewust met hun goudkultuur gebroken. Alle Spanjaarden in de stad werden in de gevechten vermoord, behalve de gouverneur. Hij kreeg een speciale behandeling: men goot vloeibaar goud in zijn mond en in zijn oren. Zijn schedel werd als beker gebruikt voor chicha, de inlandse alcoholische drank. De botten van zijn benen dienden als overwinningstrompetten. *
Auracanen:
Spaanse naam voor Mapuche Indianen. De Nederlandse zeevaarders zijn de
eerste Europeanen die
|
![]() |
De
verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar
overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.