“Petites
Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika
Deze
verhalen gaan over de achterkant van historische
gebeurtenissen, die door officiële
geschiedschrijvers zelden
vanuit de mens
zelf is verteld.
|
|
||
|---|---|---|
![]() Eduard Mansvelt ![]() Henry Morgan ![]() Juan López de la Flor y Reinoso ![]() Maagd van Ujarrás . |
Veel Costaricanen gaan op de eerste zondag na Pasen op
bedevaart. De tocht gaat van de ruines van de kathedraal van Cartago naar de ruïnes van het kerkje in Ujarrás waar eens de Maagd van die plaats stond. De achtergrond van deze bedevaart heeft een grappig “anti-noord-Europees tintje” uit het verleden waar de Costaricanen nu zelf om kunnen lachen. Een geweldig project! Een doorvaart zoeken van de Atlantische Oceaan naar de Stille Oceaan in het gebied waar de landstrook het kleinste is!”, riep de bijna bejaarde Nederlandse piraat Eduard Mansvelt uit tegen zijn jonge roodharige Engelse vice-admiraal Henry Morgan in het voorjaar van 1666. De laatste stemde gretig in en samen bekeken zij de gebieden van de kaart van zuidelijk Midden-Amerika die nu Nicaragua, Costa Rica en Panama heten. Beiden herinnerden zich maar al te goed hoe gemakkelijk het de Franse piraat Jean David Nau, alias “El Olonés” op 29 juni 1665 was afgegaan: op die dag plunderde hij na een tocht over de rivier San Juan zonder enige vorm van tegenstand het stadje Granada aan de rand van het Meer van Nicaragua. De vloot van Eduard Mansvelt vertrok eind maart 1666 uit Jamaica en het project had de steun van Sir Thomas Modyford, de Engelse gouverneur van het eiland. “Een fantastisch project!”, dacht de Spaanse gouverneur van Costa Rica Juan López de la Flor y Reinoso. “Nu hier geen goud is maken wij goud uit de cacao van de streek Matina want Europa is dol op chocolade”. De plannen van de gouverneur stonden vast: van heinde en verre zou hij indianen laten vangen om ze in Matina aan de Atlantische Oceaan tewerk te stellen in de cacaoplantages. De Spaanse bewindsman vergoelijkte zijn plan met het argument dat de streek Matina van oudsher cacaobonen verbouwde en hij dus een indiaans economische traditie aan het verbeteren was. De door de wol geverfde zeerover Eduard Mansvelt en Henry Morgan waren op 8 april 1666 met negen schepen in de kleine baai Portete geland. Nadat zij de wacht hadden overmeesterd vielen zij s’ nachts de nederzetting Matina binnen en namen zij de vijfendertig inwoners gevangen. De piraten vonden de Spaanse officier Roque Jacinto de la Fuente bereid hen te gidsen naar de Costaricaanse hoofdstad Cartago. Mansvelt en Morgan vertrokken uit Matina met ruim zeshonderd tot de tanden bewapende mannen waaronder Nederlanders, Vlamingen, Fransen, Engelsen, Spanjaarden, Portugezen, Grieken, Levantijnen, Italianen, indianen en Afrikanen. De zeebonken grapten dat zij chocolademelk zouden gaan drinken bij de Spaanse gouverneur. Op de vraag of de Costaricaanse vrouwen mooi waren antwoordde de Spaanse militaire gids Roque Jacinto de la Fuente dat zij geweldig lollige feestvarkens waren. In de loop van de veertiende april merkten de zeerovers dat er onder de gevangenen een indiaan ontbrak. Juan López de la Flor y Reinoso werd op 14 april 1666 om drie uur ’s nachts ruw wakker gemaakt. De harde slagen van de indiaan Esteban Yapití op zijn voordeur in het stadje Cartago deden de straat- bewoners beven. Trillend van uitputting overhandigde de indiaan uit het dorpje Teotique, een briefje van zijn pastoor Juan de Luna. De Spaanse gouverneur las dat de vijand zojuist vanuit zee Matina was binnengevallen. De gouverneur, die zijn sporen in de Tachtigjarige Oorlog had verdiend en getrouwd was met de Vlaamse Margarita Watecant uit Doornik, sloeg onmiddellijk op grote schaal alarm. Hij stuurde zijn beste militair, sergeant- majoor Alonso de Bonilla, en zes uitgelezen met haakbussen bewapende soldaten op weg naar Matina. Na een dag optrommelen en verzamelen had Juan López de la Flor y Reinoso zeshonderd zeer gemotiveerde, maar slecht bewapende mannen in Cartago gelegerd. Het piratenleger viel op 15 april 1666 het dorp Turrialba binnen. Op de vraag van wie “die gezadelde muilezel” was antwoordde een indiaanse dat deze van sergeant-majoor Alonso de Bonilla was die de buurt met scherpschutters verkende. Ook vertelde zij dat Bonilla van plan was met een grote troepenmacht naar Turrialba te komen. De rovers vroegen haar honderduit over wegen en afstanden en haar antwoorden brachten hen in verwarring. De piraten bezetten hierop het gemeentehuis en de kerk. Zij schoten alle runderen en muildieren dood om ze op te eten en plunderden de hele buurt leeg. De indiaanse had met haar antwoorden verdeling in de troepen van Mansvelt en Morgan gezaaid. Zij hielden krijgsraad met hun kapiteins over wat men moest gaan doen en de discussies laaiden hoog op. Iedereen was ervan overtuigd dat de tocht naar de Stille Oceaan met en passant de plundering van Cartago veel moeilijker was dan gedacht. Sergeant-majoor Alonso de Bonilla, die vanuit het dichte kreupelhout van de bergen de ruzie in het vijandelijke kamp volgde, liet zijn zes soldaten het vuur openen. Eduard Mansvelt en Henry Morgan schrokken zich wild: uit angst voor een vermeende overmacht vluchtten zij op 16 april 1666 in paniek naar Matina, wapens en munitie in Turrialba achterlatend. De piraten lichtten een week later het anker in Portete en begaven zich na deze nederlaag naar hun thuisbasis op het eiland Jamaica. Met verbazing hadden de Costaricanen de aftocht van het piratenleger gezien. Eigenlijk kon niemand aannemen dat zij alleen maar gevlucht waren voor het energieke optreden van gouverneur Juan López de la Flor y Reinoso en de salvo’s van maar zes soldaten die onder leiding van sergeant-majoor Alonso de Bonilla werden afgevuurd. Hun godsvrucht deed hen geloven dat er een bovennatuurlijke macht in het spel was. Sommigen beweerden dat vlak voordat de schoten werden gelost een wolk boven de krijgsraad van de piraten verscheen en dat daar bovenop de Maagd van Ujarrás stond. Deze maagd was voor de komst van Mansvelt en Morgan van Ujarrás naar Cartago gebracht om de gelijknamige provincie te beschermen. De Spaanse gouverneur was in zijn nopjes. Hij kon nu de basis leggen voor een grote concentratie cacaoplantages in Matina. Hij sprak er met niemand over dat de Maagd van Ujarrás ervoor gezorgd had dat zijn bonen op den duur voor de cacaoboeren straks gouden munten zouden opleveren. Hij kon niet bevroeden dat deze cacaobonen vanaf 1709 in deze kuststreek weer de “munten” voor kleine transacties zouden worden. Na het mislukte avontuur in Costa Rica is het Eduard Mansvelt slecht vergaan. Hij viel in ongenade bij de gouverneur van Jamaica, hij werd een half jaar later op zee door de Spanjaarden gevangen genomen en in Panama onthoofd. Na het verjagen van de piraten in 1666 kreeg de Maagd van Ujarrás de bijnaam van de “Maagd van de Redding” omdat zij meer dan zeshonderd goed gewapende indringers op de vlucht had geslagen. Tot 1824 heeft deze maagd, geschonken door Philips II in 1565, een verering gekend alsof zij de patroonheilige van Costa Rica was. Sinds 1963 is zij de patrones van de Costaricaanse veiligheidsdiensten. |
De
verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar
overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.