“Petites Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika 

door Peter Hattink*
peterhattink@yahoo.es

 Deze “Petites Histoires” zijn anecdotische verhalen in hun historische context. Zij geven een inzicht  in het denken  
en het handelen van de volkeren van Amerika, de nieuwkomers en hun nakomelingen op dit continent. 

De officiële geschiedenis is veelal geschreven in het belang van de staat. 
Deze verhalen gaan over de achterkant van historische gebeurtenissen, die door officiële 
geschiedschrijvers  zelden vanuit de mens zelf is verteld.
 
 

1666, Maagd van Ujarrás verjoeg Nederlandse piraat


 Eduard Mansvelt

Eduard Mansvelt





Henry Morgan

 Henry Morgan


 

Juan Lopez de la Flor
 
Juan López de la Flor y Reinoso






Maagd van Ujarras

Maagd van Ujarrás .
Veel Costaricanen gaan op de eerste zondag na Pasen op bedevaart. De tocht gaat van de ruines van de
kathedraal van Cartago naar de ruïnes van het kerkje in Ujarrás waar eens de Maagd van die plaats stond.
De achtergrond van deze bedevaart heeft een grappig “anti-noord-Europees tintje” uit het verleden waar de
Costaricanen nu zelf om kunnen lachen.

Een geweldig project! Een doorvaart zoeken van de Atlantische Oceaan naar de Stille Oceaan in het gebied
waar de landstrook het kleinste is!”, riep de bijna bejaarde Nederlandse piraat Eduard Mansvelt uit tegen zijn
jonge roodharige Engelse vice-admiraal Henry Morgan in het voorjaar van 1666. De laatste stemde gretig in
en samen bekeken zij de gebieden van de kaart van zuidelijk Midden-Amerika die nu Nicaragua, Costa Rica
en Panama heten. Beiden herinnerden zich maar al te goed hoe gemakkelijk het de Franse piraat Jean David Nau,
alias “El Olonés” op 29 juni 1665 was afgegaan: op die dag plunderde hij na een tocht over de rivier San Juan
zonder enige vorm van tegenstand het stadje Granada aan de rand van het Meer van Nicaragua.
De vloot van Eduard Mansvelt vertrok eind maart 1666 uit Jamaica en het project had de steun van Sir Thomas
Modyford, de Engelse gouverneur van het eiland.

 “Een fantastisch project!”, dacht de Spaanse gouverneur van Costa Rica Juan López de la Flor y Reinoso.
 “Nu hier geen goud is maken wij goud uit de cacao van de streek Matina want Europa is dol op chocolade”.
De plannen van de gouverneur stonden vast: van heinde en verre zou hij indianen laten vangen om ze in Matina
aan de Atlantische Oceaan tewerk te stellen in de cacaoplantages. De Spaanse bewindsman vergoelijkte zijn
plan met het argument dat de streek Matina van oudsher cacaobonen verbouwde en hij dus een indiaans
economische traditie aan het verbeteren was.

De door de wol geverfde zeerover Eduard Mansvelt en Henry Morgan waren op 8 april 1666 met negen
schepen in de kleine baai Portete geland. Nadat zij de wacht hadden overmeesterd vielen zij s’ nachts de
nederzetting Matina binnen en namen zij de vijfendertig inwoners gevangen. De piraten vonden de Spaanse
officier Roque Jacinto de la Fuente bereid hen te gidsen naar de Costaricaanse hoofdstad Cartago. Mansvelt
en Morgan vertrokken uit Matina met ruim zeshonderd tot de tanden bewapende mannen waaronder
Nederlanders, Vlamingen, Fransen, Engelsen, Spanjaarden, Portugezen, Grieken, Levantijnen, Italianen,
indianen en Afrikanen. De zeebonken grapten dat zij chocolademelk zouden gaan drinken bij de Spaanse
gouverneur. Op de vraag of de Costaricaanse vrouwen mooi waren antwoordde de Spaanse militaire gids
Roque Jacinto de la Fuente dat zij geweldig lollige feestvarkens waren. In de loop van de veertiende april
merkten de zeerovers dat er onder de gevangenen een indiaan ontbrak.

Juan López de la Flor y Reinoso werd op 14 april 1666 om drie uur ’s nachts ruw wakker gemaakt.
De harde slagen van de indiaan Esteban Yapití op zijn voordeur in het stadje Cartago deden de straat-
bewoners beven. Trillend van uitputting overhandigde de indiaan uit het dorpje Teotique, een briefje van
zijn pastoor Juan de Luna. De Spaanse gouverneur las dat de vijand zojuist vanuit zee Matina was
binnengevallen. De gouverneur, die zijn sporen in de Tachtigjarige Oorlog had verdiend en getrouwd
was met de Vlaamse Margarita Watecant uit Doornik, sloeg onmiddellijk op grote schaal alarm.
Hij stuurde zijn beste militair, sergeant- majoor Alonso de Bonilla, en zes uitgelezen met haakbussen
bewapende soldaten op weg naar Matina. Na een dag optrommelen en verzamelen had Juan López
de la Flor y Reinoso zeshonderd zeer gemotiveerde, maar slecht bewapende mannen in Cartago gelegerd.
 
Het piratenleger viel op 15 april 1666 het dorp Turrialba binnen. Op de vraag van wie “die gezadelde
muilezel” was antwoordde een indiaanse dat deze van sergeant-majoor Alonso de Bonilla was die de
buurt met scherpschutters verkende. Ook vertelde zij dat Bonilla van plan was met een grote troepenmacht
naar Turrialba te komen. De rovers vroegen haar honderduit over wegen en afstanden en haar antwoorden
brachten hen in verwarring. De piraten bezetten hierop het gemeentehuis en de kerk.
Zij schoten alle runderen en muildieren dood om ze op te eten en plunderden de hele buurt leeg.

De indiaanse had met haar antwoorden verdeling in de troepen van Mansvelt en Morgan gezaaid. Zij hielden
 krijgsraad met hun kapiteins over wat men moest gaan doen en de discussies laaiden hoog op. Iedereen was
ervan overtuigd dat de tocht naar de Stille Oceaan met en passant de plundering van Cartago veel moeilijker
was dan gedacht. Sergeant-majoor Alonso de Bonilla, die vanuit het dichte kreupelhout van de bergen de
ruzie in het vijandelijke kamp volgde, liet zijn zes soldaten het vuur openen. Eduard Mansvelt en Henry
Morgan schrokken zich wild: uit angst voor een vermeende overmacht vluchtten zij op 16 april 1666 in
paniek naar Matina, wapens en munitie in Turrialba achterlatend. De piraten lichtten een week later het
anker in Portete en begaven zich na deze nederlaag naar hun thuisbasis op het eiland Jamaica.

Met verbazing hadden de Costaricanen de aftocht van het piratenleger gezien. Eigenlijk kon niemand
aannemen dat zij alleen maar gevlucht waren voor het energieke optreden van gouverneur Juan López
de la Flor y Reinoso en de salvo’s van maar zes soldaten die onder leiding van sergeant-majoor Alonso
de Bonilla werden afgevuurd. Hun godsvrucht deed hen geloven dat er een bovennatuurlijke macht in
het spel was. Sommigen beweerden dat vlak voordat de schoten werden gelost een wolk boven de
 krijgsraad van de piraten verscheen en dat daar bovenop de Maagd van Ujarrás stond. Deze maagd
was voor de komst van Mansvelt en Morgan van Ujarrás naar Cartago gebracht om de gelijknamige
provincie te beschermen.

De Spaanse gouverneur was in zijn nopjes. Hij kon nu de basis leggen voor een grote concentratie
cacaoplantages in Matina. Hij sprak er met niemand over dat de Maagd van Ujarrás ervoor gezorgd
had dat zijn bonen op den duur voor de cacaoboeren straks gouden munten zouden opleveren.
Hij kon niet bevroeden dat deze cacaobonen vanaf 1709 in deze kuststreek weer de “munten” voor
kleine transacties zouden worden.

Na het mislukte avontuur in Costa Rica is het Eduard Mansvelt slecht vergaan. Hij viel in ongenade bij
de gouverneur van Jamaica, hij werd een half jaar later op zee door de Spanjaarden gevangen genomen
en in Panama onthoofd.

Na het verjagen van de piraten in 1666 kreeg de Maagd van Ujarrás de bijnaam van de “Maagd van de
Redding” omdat zij meer dan zeshonderd goed gewapende indringers op de vlucht had geslagen.
Tot 1824 heeft deze maagd, geschonken door Philips II in 1565, een verering gekend alsof zij de
patroonheilige van Costa Rica was. Sinds 1963 is zij de patrones van de Costaricaanse veiligheidsdiensten.

 

 copyright Peter Hattink De verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.

terug naar Petites Histoires

Terug naar de voorpagina