“Petites
Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika
Deze
verhalen gaan over de achterkant van historische
gebeurtenissen, die door officiële
geschiedschrijvers zelden
vanuit de mens
zelf is verteld.
|
1667
De Belediging |
||
|---|---|---|
![]() Angol ![]() aanval Araucanen ![]() Ontvoering doña Beatriz ![]() Araucaanse familie ![]() Lautaro ![]() Pedro de Valdivia ![]() Lancier 17e eeuw ![]() Spaanse militairen 17e eeuw ![]() Apostel Santiago ![]() Toqui Alejo ![]() Buste Lautaro te Cañete ![]() Calícai en Llancareu |
Nu
de winterse
regentijd voor de deur stond had de Araucaanse* opperbevelhebber Puante
haast. Al
drie maanden
belegerde hij met ruim duizend krijgers het Spaanse bergstadje Angol.
Garnizoenscommandant Alonso de Villanueva, die het stadje als een fort
had
versterkt, deed herhaaldelijk een uitval om de Araucaanse militaire
cirkel te
doorbreken. Bij elke uitval probeerden de
“vluchtende” indiaanse legers de
vijand te lokken naar een terrein waar ze heer en meester waren. De
Araucanen vielen
pas aan als zij de zekerheid hadden dat zij de Spaanse vijand een
gevoelige
slag konden toebrengen. Nog voordat de zon op 5 mei
1637 de toppen van
het Nahuelbutagebergte goud kleurden werden de bewoners van het stadje
Angol
opgeschrikt door een oorverdovend geschreeuw. De Araucanen vielen het
stadje
tegelijkertijd op de vier zijden aan. De wachten van de stad waren door
een
sluipende voorhoede Araucanen in hun slaap overrompeld. De twee
bewakers die
hun musketten nog hadden kunnen leeg schieten werden doodgeknuppeld. De
garnizoenscommandant vocht eervol terug: hij vernietigde een van de
Araucaanse
aanvalsbrigades maar hij kon niet voorkomen dat een groot gedeelte van
de
vrouwen werd ontvoerd. Om tien uur ´s ochtends trokken de
Araucanen zich terug
en kon de balans in het getroffen Angol worden opgemaakt: Meer dan
honderd
doden en een dertigtal vrouwen geroofd, waaronder
Doña Beatriz Gutiérrez de
Albornoz, het
mooiste meisje van de stad. Vader
Francisco
Gutiérrez de Albornoz was kapot: zijn enige dochter en
oogappel was gevangen
door wilden! Zij zou over een week in het huwelijk treden met luitenant
Juan de
Mata Quiñones uit de stad Concepción. De
Araucanen
vierden een groot overwinningsfeest. Nadat Toqui** Puante
Doña Beatriz als buit
had genomen werden de overige Spaanse vrouwen onder de krijgers
verdeeld.
Puante regelde zijn huwelijksfeest voor Doña Beatriz -de
nieuwste aanwinst in
zijn harem- tot in de puntjes. Doña
Beatriz’
liefdesdromen waren definitief voorbij. Het huwelijksfeest met Puante
vierde
zij met de wil tot overleven. Ook de huwelijksnacht in het bed van hooi
en
dierenvellen overleefde zij. Doña Beatriz,
wiens hele leven ineen was gestort, werd ziek en
kreeg hoge koorts.
Gedurende haar lange ziekbed van honderd dagen week Puante niet van
haar zijde.
Integendeel: Hij toonde zijn liefde voor haar en probeerde haar op te
beuren
uit haar neerslachtigheid. Geleidelijk aan begon Beatriz zich te
schikken in
haar lot. Langzamerhand werd zij beter. Op een dag stond Doña Beatriz buiten te genieten van het zonlicht toen Puante liefdevol op haar af kwam en zei: “Mooi bloempje…. het is genoeg geweest….als je weg wilt gaan…..nou, …dan zal ik je brengen waar je maar heen wilt!” Doña
Beatriz gaf een gil en viel flauw. Toen zij weer bij
kwam in de armen van Puante leek het of zij in een andere wereld was
terecht
gekomen. Haar gevoelens werden heen en weer
geslingerd door de woorden van Puante en haar eigen
werkelijkheid. Als
zij het aanbod van Puante zou accepteren zou zij terug kunnen naar de
Spaanse leefcultuur,
maar zij wist dat zij zich daar heel erg zou schamen om te vertellen
dat zij in
verwachting was. Na lang wikken en wegen kon Doña Beatriz
het besluit niet
nemen om de vader van haar toekomstige kind te verlaten. Doña
Beatriz
baarde een prachtige zoon. Puante was dolgelukkig dat zijn
eerstgeborene bij
zijn Spaanse vrouw een jongen was. Terwijl Doña Beatriz op
een dag haar zoon
knuffelde nam zij het besluit dat zij nooit meer naar de Spaanse
leefgemeenschap zou terugkeren. Om deze beslissing “op
Spaanse wijze” kracht
bij te zetten ging zij met haar zoontje naar de oever van de beek. Zij
nam wat
water in haar rechterhand en goot het over zijn hoofdje waarbij zij
plechtig
sprak: “Liefje, ik doop je met de
naam
Alejo”. Hierna drukte Doña Beatriz het
kindje aan haar hart en moest ze
opeens heel hard huilen. Alejo
groeide op
als een sterke jongen met het idee dat er in de lente en in de zomer
altijd
oorlog tegen de Spanjaarden gevoerd moest worden. Van zijn moeder
leerde hij
bidden en Spaans lezen; zijn vader leerde hem paard rijden en hoe hij
met een
lans moest vechten. Alejo, die aanleg had om dik te worden, was op
achtjarige
leeftijd de beste kindruiter van zijn gemeenschap. Puante vertelde zijn
zoon
telkens weer dat Toqui Lautaro***, die in 1553 de Spaanse veroveraar
Pedro de
Valdivia versloeg, zijn grote voorbeeld was. De Spanjaarden trokken in 1647 eerder ten strijde tegen de Araucanen dan gewoonlijk. De nieuwe gouverneur van Chili, die met versterkingen uit Peru was aangekomen, wilde het enthousiasme van zijn troepen gebruiken om de Araucanen een lesje te lezen. Dit keer begonnen de schermutselingen met de Spanjaarden voor het begin van de lente. Toqui Puante, die een jaar eerder de vijand enorme slagen had toegebracht, was nauwelijks op de strijd voorbereid. Hij installeerde zijn legereenheden haastig op de zuidelijke oevers van de rivier Bíobío. Hij wachtte geduldig op de vijand, die de rivier moest oversteken. Dagen lang gebeurde er niets. Nadat
men dagen
tevergeefs op de Spanjaarden had
gewacht
besloot Puante zich weer naar zijn schuilplaats in de bergen te
begeven. Een
mars van twee dagen toonde aan dat de vijand in geen velden of wegen te
bekennen was. Puante begon overmoedig te worden: Op een dagreis van
zijn
schuilplaats sloeg hij het overnachtingkamp op zonder goed op de
bewaking ervan
te letten. In het holst van de nacht overvielen de Spanjaarden het
indiaanse
legerkamp. Puante was een van de eerste die sneuvelde: een troep
soldaten, die
de opdracht had de opperbevelhebber van de Araucanen te vinden, bracht
hem met
lanssteken om het leven. Nu
de Araucaanse
krijgsmacht verslagen was richtten de Spanjaarden zich op de
bezittingen van de
indiaanse gemeenschap. Alles werd kort en klein geslagen. De woningen
werden in
brand gestoken en de overgebleven bewoners bijna -allemaal vrouwen en
kinderen-
werden als slaaf afgevoerd. Doña Beatriz, die haar zoon
Alejo stevig vast
hield, liep met het hoofd neergeslagen tussen de gevangen genomen
Araucanen.
Zwijgend accepteerde zij het lot dat haar weer tussen de Spanjaarden
bracht. Alejo
Gutiérrez de
Albornoz, een nog geen veertien jaar oude jongen met een niet alledaags
gezicht, meldde zich in 1650 aan als soldaat op de Spaanse legerplaats
San
Felipe aan de grens van Chili, die toen gevormd werd door de rivier
Bíobío. Hij
had een voortreffelijke opleiding genoten op het
Jezuïetencollege in
Concepción, een school voor kinderen van vooraanstaande
burgers. Zijn directe
baas was kapitein
Pedro de Volgens
de Spaanse
officiële versie had Alejo´s moeder Doña
Beatriz Gutiérrez de De
jonge Alejo was
een snelle leerling. Na een jaar werd hij bevorderd tot korporaal en
twee jaar
later promoveerde hij tot sergeant omdat hij in een man tegen man
gevecht de
Araucaanse leider
Rancomira had gedood.
Sergeant Gutiérrez was een uitstekende lansier en in
gesprekken met zijn
collega’s verzekerde hij altijd dat: “men
mij als kind de kunst van het hanteren van dit wapen heeft geleerd,
toen ik
naast mijn moeder stond”. Alejo
was al twee
jaar sergeant. Met lede ogen had hij gezien hoe zijn
collega’s steeds werden
gepromoveerd tot officier. Elke keer als er vacatures waren werd hij
gepasseerd. Zijn superieuren bleven maar zeggen dat hij een uitstekend
militair
was. De joviale en collegiaal ingestelde Alejo werd langzamerhand een
verbitterd man: Hij voelde dat hem onrecht werd aangedaan en hij kon
niet
begrijpen waarom. Bij de voorbereidingen van het feest op 25 juli 1655
van de
Apostel Santiago, de Patroon van Chili, kwam het tot een explosie: hij
kreeg
over een onbeduidend iets een woordenwisseling met luitenant
Bartolomé de Moxica.
De emoties liepen hoog op en
plotseling trok sergeant Gutiérrez zijn zwaard: Hierop ging
de officier met
gekruiste armen voor hem staan en sprak met veel minachting: “Het
is een man van zuivere afkomst zoals de officier
Moxica niet toegestaan de degens te kruisen met een
“huacho****”. Sergeant
Gutiérrez
wilde overgaan tot
de aanval maar hij
werd onmiddellijk vastgegrepen door zijn maten. Alejo´s baas,
kapitein Pedro de Alejo Gutiérrez de Albornoz was diep geschokt omdat iemand hem “huacho” had genoemd. Het
kon hem niet
schelen dat hij in het openbaar was gepromoveerd tot officier. Hij kon
het niet
meer op brengen om gedisciplineerd mee te doen met zijn compagnons. Als
"huacho" verlangde hij naar de
natuur, de wijde velden, de vrijheid. Hij wilde weg van de Spanjaarden,
die
zijn verdiensten jarenlang niet hadden gehonoreerd. Tenslotte had hij
zijn
promotie te danken aan een incident met een minderwaardig iemand en dat
was
niet iets om trots op te zijn. Alejo stal een paard en begaf zich in
volle
galop naar het huis van zijn moeder in Concepción. Doña Beatriz zag onmiddellijk dat er iets ergs aan de hand was met haar zoon. Zij pakte Alejo bij de schouders en zei: “Waarom lijd je mijn zoon?” “Zeg mij, mevrouw, wie was mijn vader?” , riep hij geëmotioneerd. Doña Beatriz voelde dat zij ging flauw vallen, haar stem stokte en de krachten uit haar lichaam vloeiden weg. Alejo pakte haar op, legde haar op haar bed en ging naast haar zitten. Na enige tijd kwam zij bij en vertelde Alejo met horten en stoten wat er was gebeurd in de legerplaats San Felipe. Doña Beatriz herstelde zich en vroeg op een rustige toon: “En wat denk je nu te gaan doen?” “In de eerste plaats ga ik de man vermoorden, die mij zo lafhartig beledigde!” “Goed…En dan? “Dan….. hoe dan ook te weten komen wie mijn vader was!” Doña Beatriz richtte haar blik op het plafond en daarna keek zij haar zoon recht in de ogen. “Zul jij je voor hem niet schamen?” “Schaamt u er zich voor, mevrouw?”, vroeg Alejo gespannen. Doña Beatriz stapte uit haar bed, ging trots rechtop staan en zei zelfverzekerd: “Ik kan mij er
niet voor schamen de vrouw geweest te zijn van een dapper man, ook al
was hij
een vijand van mijn volk! Alejo
richtte
langzaam op. Er kwam een triomfantelijke blik in zijn ogen. Met een ruk
trok hij de
sergeantssjerp -zijn Spaanse
militaire ereteken- van zijn borst en vertrapte hem. Hij stootte een
ondefinieerbare kreet uit, knielde voor de voeten van zijn moeder en
riep: “Moeder….
Vaarwel!” Met één sprong was hij het huis uit. Bij
het
wegstervende geluid van het galopperende paard besefte Doña
Beatriz dat zij
haar zoon nooit meer zou terugzien. Alejo
was begonnen
aan zijn onstuitbare opmars als onoverwinnelijke opperbevelhebber van
de
Araucaanse legers. In de Chileense zomer van 1655 vernietigden de
Araucanen de
kerken van Purén, Clarúa, San José de Alejo
Gutiérrez de
Albornoz” was
op weg om uit te groeien
tot de “Lautaro***”
van de
zeventiende eeuw. In de buurt van Yumbel sloeg in 1667 het noodlot toe:
een van
zijn twee Araucaanse echtgenotes –Calícai of
Llancareu- was om een niet te
achterhalen reden zo jaloers geworden dat zij hem heeft vermoord. Beide echtgenotes zwegen als het graf. Niemand heeft ooit kunnen achterhalen wie van de twee de dader was. * Araucaans:
Spaanse naam voor Mapuche ** Toqui:
opperbevelhebber
(Araucaans). *** Lautaro, de Araucaan , die
als
paardeknecht in het Spaanse leger was begonnen,
versloeg in 1553 **** Huacho:: Quechabenaming
voor
een kind, waarvan de vader onbekend is; de ergste belediging die iemand
kan |
De
verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar
overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.