“Petites Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika 

door Peter Hattink*
peterhattink@yahoo.es

 Deze “Petites Histoires” zijn anecdotische verhalen in hun historische context. Zij geven een inzicht  in het denken  
en het handelen van de volkeren van Amerika, de nieuwkomers en hun nakomelingen op dit continent. 

De officiële geschiedenis is veelal geschreven in het belang van de staat. 
Deze verhalen gaan over de achterkant van historische gebeurtenissen, die door officiële 
geschiedschrijvers  zelden vanuit de mens zelf is verteld.
 
 

1667 De Belediging


Angol
 Angol


Auracanen aanval
 aanval Araucanen



Ontvoering Beatriz
Ontvoering
doña Beatriz



Araucaanse familie
Araucaanse familie




Lautaro
Lautaro



Pedro de Valdivia
Pedro de Valdivia




lancier 17e eeuw
Lancier 17e eeuw



Spaanse militairen 17e eeuw
Spaanse militairen 17e eeuw



Santiago
Apostel Santiago



Toqui Alejo
Toqui Alejo



Lautaro Cañete
Buste
 Lautaro te Cañete



Esposas Alejo
Calícai en Llancareu


Nu de winterse regentijd voor de deur stond had de Araucaanse* opperbevelhebber Puante haast. 

Al drie maanden belegerde hij met ruim duizend krijgers het Spaanse bergstadje Angol. Garnizoenscommandant Alonso de Villanueva, die het stadje als een fort had versterkt, deed herhaaldelijk een uitval om de Araucaanse militaire cirkel te doorbreken. Bij elke uitval probeerden de “vluchtende” indiaanse legers de vijand te lokken naar een terrein waar ze heer en meester waren. De Araucanen vielen pas aan als zij de zekerheid hadden dat zij de Spaanse vijand een gevoelige slag konden toebrengen.

Nog  voordat de zon op 5 mei 1637 de toppen van het Nahuelbutagebergte goud kleurden werden de bewoners van het stadje Angol opgeschrikt door een oorverdovend geschreeuw. De Araucanen vielen het stadje tegelijkertijd op de vier zijden aan. De wachten van de stad waren door een sluipende voorhoede Araucanen in hun slaap overrompeld. De twee bewakers die hun musketten nog hadden kunnen leeg schieten werden doodgeknuppeld. De garnizoenscommandant vocht eervol terug: hij vernietigde een van de Araucaanse aanvalsbrigades maar hij kon niet voorkomen dat een groot gedeelte van de vrouwen werd ontvoerd. Om tien uur ´s ochtends trokken de Araucanen zich terug en kon de balans in het getroffen Angol worden opgemaakt: Meer dan honderd doden en een dertigtal vrouwen geroofd, waaronder  Doña Beatriz Gutiérrez de Albornoz, het mooiste meisje van de stad.

Vader Francisco Gutiérrez de Albornoz was kapot: zijn enige dochter en oogappel was gevangen door wilden! Zij zou over een week in het huwelijk treden met luitenant Juan de Mata Quiñones uit de stad Concepción.

De Araucanen vierden een groot overwinningsfeest. Nadat Toqui** Puante Doña Beatriz als buit had genomen werden de overige Spaanse vrouwen onder de krijgers verdeeld. Puante regelde zijn huwelijksfeest voor Doña Beatriz -de nieuwste aanwinst in zijn harem- tot in de puntjes.

Doña Beatriz’ liefdesdromen waren definitief voorbij. Het huwelijksfeest met Puante vierde zij met de wil tot overleven. Ook de huwelijksnacht in het bed van hooi en dierenvellen overleefde zij. Doña Beatriz,  wiens hele leven ineen was gestort, werd ziek en kreeg hoge koorts. Gedurende haar lange ziekbed van honderd dagen week Puante niet van haar zijde. Integendeel: Hij toonde zijn liefde voor haar en probeerde haar op te beuren uit haar neerslachtigheid. Geleidelijk aan begon Beatriz zich te schikken in haar lot. Langzamerhand werd zij beter.

Op een dag stond Doña Beatriz buiten te genieten van het zonlicht toen Puante liefdevol op haar af kwam en zei:

“Mooi bloempje…. het is genoeg geweest….als je weg wilt gaan…..nou, …dan zal ik je brengen waar je maar heen wilt!”

 Doña Beatriz gaf een gil en viel flauw. Toen zij weer bij kwam in de armen van Puante leek het of zij in een andere wereld was terecht gekomen. Haar gevoelens werden heen en weer  geslingerd door de woorden van Puante en haar eigen werkelijkheid. Als zij het aanbod van Puante zou accepteren zou zij terug kunnen naar de Spaanse leefcultuur, maar zij wist dat zij zich daar heel erg zou schamen om te vertellen dat zij in verwachting was. Na lang wikken en wegen kon Doña Beatriz het besluit niet nemen om de vader van haar toekomstige kind te verlaten.

Doña Beatriz baarde een prachtige zoon. Puante was dolgelukkig dat zijn eerstgeborene bij zijn Spaanse vrouw een jongen was. Terwijl Doña Beatriz op een dag haar zoon knuffelde nam zij het besluit dat zij nooit meer naar de Spaanse leefgemeenschap zou terugkeren. Om deze beslissing “op Spaanse wijze” kracht bij te zetten ging zij met haar zoontje naar de oever van de beek. Zij nam wat water in haar rechterhand en goot het over zijn hoofdje waarbij zij plechtig sprak: “Liefje, ik doop je met de naam Alejo”. Hierna drukte Doña Beatriz het kindje aan haar hart en moest ze opeens heel hard huilen. 

Alejo groeide op als een sterke jongen met het idee dat er in de lente en in de zomer altijd oorlog tegen de Spanjaarden gevoerd moest worden. Van zijn moeder leerde hij bidden en Spaans lezen; zijn vader leerde hem paard rijden en hoe hij met een lans moest vechten. Alejo, die aanleg had om dik te worden, was op achtjarige leeftijd de beste kindruiter van zijn gemeenschap. Puante vertelde zijn zoon telkens weer dat Toqui Lautaro***, die in 1553 de Spaanse veroveraar Pedro de Valdivia versloeg, zijn grote voorbeeld was. 

De Spanjaarden trokken in 1647 eerder ten strijde tegen de Araucanen dan gewoonlijk. De nieuwe gouverneur van Chili, die met versterkingen uit Peru was aangekomen, wilde het enthousiasme van zijn troepen gebruiken om de Araucanen een lesje te lezen. Dit keer begonnen de schermutselingen met de Spanjaarden voor het begin van de lente. Toqui Puante, die een jaar eerder de vijand enorme slagen had toegebracht, was nauwelijks op de strijd voorbereid. Hij installeerde zijn legereenheden  haastig op de zuidelijke oevers van de rivier Bíobío. Hij wachtte geduldig op de vijand, die de rivier moest oversteken. Dagen lang gebeurde er niets.    

Nadat men dagen tevergeefs op de Spanjaarden  had gewacht besloot Puante zich weer naar zijn schuilplaats in de bergen te begeven. Een mars van twee dagen toonde aan dat de vijand in geen velden of wegen te bekennen was. Puante begon overmoedig te worden: Op een dagreis van zijn schuilplaats sloeg hij het overnachtingkamp op zonder goed op de bewaking ervan te letten. In het holst van de nacht overvielen de Spanjaarden het indiaanse legerkamp. Puante was een van de eerste die sneuvelde: een troep soldaten, die de opdracht had de opperbevelhebber van de Araucanen te vinden, bracht hem met lanssteken om het leven.

Nu de Araucaanse krijgsmacht verslagen was richtten de Spanjaarden zich op de bezittingen van de indiaanse gemeenschap. Alles werd kort en klein geslagen. De woningen werden in brand gestoken en de overgebleven bewoners bijna -allemaal vrouwen en kinderen- werden als slaaf afgevoerd. Doña Beatriz, die haar zoon Alejo stevig vast hield, liep met het hoofd neergeslagen tussen de gevangen genomen Araucanen. Zwijgend accepteerde zij het lot dat haar weer tussen de Spanjaarden bracht.                                                     

Alejo Gutiérrez de Albornoz, een nog geen veertien jaar oude jongen met een niet alledaags gezicht, meldde zich in 1650 aan als soldaat op de Spaanse legerplaats San Felipe aan de grens van Chili, die toen gevormd werd door de rivier Bíobío. Hij had een voortreffelijke opleiding genoten op het Jezuïetencollege in Concepción, een school voor kinderen van vooraanstaande burgers. Zijn directe baas  was kapitein Pedro de la Raygada, die grote belangstelling voor zijn leerling-soldaat toonde. De kapitein vertelde Alejo dat hij heel goed zijn vader had gekend, die omgekomen was in de oorlog voordat hij geboren was.

Volgens de Spaanse officiële versie had Alejo´s moeder Doña Beatriz Gutiérrez de la Hermosilla, na de dood van haar echtgenoot een zeer teruggetrokken  bestaan geleid. Pas toen haar vader weduwnaar was geworden trok zij met haar kind bij hem en begon zij weer aan het sociale leven deel te nemen. De vader van Doña Beatriz, die zelf nooit een zoon had gehad, vond het geweldig dat Alejo, volgens de gewoonte van die tijd, de achternaam van zijn grootvader adopteerde.

De jonge Alejo was een snelle leerling. Na een jaar werd hij bevorderd tot korporaal en twee jaar later promoveerde hij tot sergeant omdat hij in een man tegen man gevecht de Araucaanse  leider Rancomira had gedood. Sergeant Gutiérrez was een uitstekende lansier en in gesprekken met zijn collega’s verzekerde hij altijd dat: “men mij als kind de kunst van het hanteren van dit wapen heeft geleerd, toen ik naast mijn moeder stond”. 

Alejo was al twee jaar sergeant. Met lede ogen had hij gezien hoe zijn collega’s steeds werden gepromoveerd tot officier. Elke keer als er vacatures waren werd hij gepasseerd. Zijn superieuren bleven maar zeggen dat hij een uitstekend militair was. De joviale en collegiaal ingestelde Alejo werd langzamerhand een verbitterd man: Hij voelde dat hem onrecht werd aangedaan en hij kon niet begrijpen waarom. Bij de voorbereidingen van het feest op 25 juli 1655 van de Apostel Santiago, de Patroon van Chili, kwam het tot een explosie: hij kreeg over een onbeduidend iets een woordenwisseling met luitenant Bartolomé de  Moxica. De emoties liepen hoog op en plotseling trok sergeant Gutiérrez zijn zwaard: Hierop ging de officier met gekruiste armen voor hem staan en sprak met veel minachting:

“Het is een man van zuivere afkomst zoals de officier Moxica niet toegestaan de degens te kruisen met een  “huacho****”.

Sergeant Gutiérrez wilde overgaan  tot de aanval maar hij werd onmiddellijk vastgegrepen door zijn maten. Alejo´s baas, kapitein  Pedro de la Raygada, kwam voor zijn leerling op riep: “Moxica zal zijn welverdiende straf krijgen! U kunt daar zeker van zijn, Sergeant. Binnenkort krijgt u de rang van officier en krijgt u de toestemming om het fort te verlaten en zich te begeven naar de stad Concepción”.

Alejo Gutiérrez de Albornoz was diep geschokt omdat iemand hem “huacho” had genoemd.

Het kon hem niet schelen dat hij in het openbaar was gepromoveerd tot officier. Hij kon het niet meer op brengen om gedisciplineerd mee te doen met zijn compagnons. Als "huacho" verlangde hij naar de natuur, de wijde velden, de vrijheid. Hij wilde weg van de Spanjaarden, die zijn verdiensten jarenlang niet hadden gehonoreerd. Tenslotte had hij zijn promotie te danken aan een incident met een minderwaardig iemand en dat was niet iets om trots op te zijn. Alejo stal een paard en begaf zich in volle galop naar het huis van zijn moeder in Concepción.

Doña Beatriz zag onmiddellijk dat er iets ergs aan de hand was met haar zoon. Zij pakte Alejo bij de schouders en zei:

“Waarom lijd je mijn zoon?”

“Zeg mij, mevrouw, wie was mijn vader?” , riep hij geëmotioneerd.

Doña Beatriz  voelde dat zij ging flauw vallen, haar stem stokte en de krachten uit haar lichaam vloeiden weg. Alejo pakte haar op, legde haar op haar bed en ging naast haar zitten. Na enige tijd kwam zij bij en vertelde Alejo met horten en stoten wat er was gebeurd in de legerplaats San Felipe. Doña Beatriz herstelde zich en vroeg op een rustige toon: 

“En wat denk je nu te gaan doen?”

“In de eerste plaats ga ik de man vermoorden, die mij zo lafhartig beledigde!”

“Goed…En dan?

“Dan….. hoe dan ook  te weten komen wie mijn vader was!”

Doña Beatriz richtte haar blik op het plafond en daarna keek zij haar zoon recht in de ogen.

“Zul jij je voor hem niet schamen?”

“Schaamt u er zich voor, mevrouw?”, vroeg Alejo gespannen.

Doña Beatriz stapte uit haar bed, ging trots rechtop staan en zei zelfverzekerd:

 “Ik kan mij er niet voor schamen de vrouw geweest te zijn van een dapper man, ook al was hij een vijand van mijn volk! 
Je bent de zoon van Toqui Puante!”

Alejo richtte langzaam op. Er kwam een triomfantelijke blik in zijn ogen. Met een ruk trok  hij de sergeantssjerp -zijn Spaanse militaire ereteken- van zijn borst en vertrapte hem. Hij stootte een ondefinieerbare kreet uit, knielde voor de voeten van zijn moeder en riep:

“Moeder…. Vaarwel!”

Met één sprong was hij het huis uit.

Bij het wegstervende geluid van het galopperende paard besefte Doña Beatriz dat zij haar zoon nooit meer zou terugzien.

Alejo was begonnen aan zijn onstuitbare opmars als onoverwinnelijke opperbevelhebber van de Araucaanse legers. In de Chileense zomer van 1655 vernietigden de Araucanen de kerken van Purén, Clarúa, San José de la Mariquina, Toltén, Boroa, Lavapié, Santa Fé en Buena Esperanza.

Alejo Gutiérrez de Albornoz”  was op weg om uit te groeien tot de “Lautaro*** van de zeventiende eeuw. In de buurt van Yumbel sloeg in 1667 het noodlot toe: een van zijn twee Araucaanse echtgenotes –Calícai of Llancareu- was om een niet te achterhalen reden zo jaloers geworden dat zij hem heeft vermoord.

Beide echtgenotes zwegen als het graf. Niemand heeft ooit kunnen achterhalen wie van de twee de dader was.

*     Araucaans: Spaanse naam voor Mapuche

**   Toqui: opperbevelhebber (Araucaans).

***  Lautaro, de Araucaan , die als paardeknecht in het Spaanse leger was begonnen,  versloeg in 1553 
      
Pedro  de Valdivia, de veroveraar van Chili en de  stichter van de  stad Santiago.

****  Huacho:: Quechabenaming voor een kind, waarvan de vader onbekend is; de ergste belediging die iemand kan
       worden  toegeworpen in de gebieden van Latijns Amerika waar  Quechua wordt gesproken.

 

 copyright Peter Hattink De verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.

terug naar Petites Histoires

Terug naar de voorpagina