“Petites Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika 

door Peter Hattink*
peterhattink@yahoo.es

 Deze “Petites Histoires” zijn anecdotische verhalen in hun historische context. Zij geven een inzicht  in het denken  
en het handelen van de volkeren van Amerika, de nieuwkomers en hun nakomelingen op dit continent. 

De officiële geschiedenis is veelal geschreven in het belang van de staat. 
Deze verhalen gaan over de achterkant van historische gebeurtenissen, die door officiële 
geschiedschrijvers  zelden vanuit de mens zelf is verteld.
 
 

1690 Mijn Landgenoten uit de Andes
                                           

 Calamarca




trinidad
Alternatieve Heilige Drie-eenheid



Cuzco antiguo
 Cuzco



aartsengel Michael



Arcabuz

 


Gheijn




Maurits van Nassau
Stadhouder Maurits
van Nassau


Gheijn


Schilderijen van engelen met vuurwapens van de Peruaanse schilderschool Cuzco  uit de zeventiende en achttiende eeuw sieren de wanden van de kerken van zuid-Colombia, Ecuador, Peru, Bolivia, noord-Chili en noord-Argentinië. Zij zijn vooral aanwezig in dorpjes op het platteland zoals bijvoorbeeld in het Boliviaanse Calamarca. De pluimen op hun hoeden laten zien dat deze wezens  dichtbij de indianen staan. De artistieke inboorlingen en mestiezen van deze schilderschool uit het hoge Andesgebergte hebben  hun werken nooit gesigneerd want zij dienden als anonieme ambachtslieden de goede zaak van het nieuwe geloof.

Wie zijn deze wezens?

Hoe komt het dat deze schilderschool als enige in de gehele wereld ogenschijnlijk vreedzame engelen met dodelijke vuurwapens voort heeft bracht? 

--------------

De Spaanse geestelijkheid ontdekte in de zestiende  eeuw dat de oorspronkelijke bewoners van Latijns-Amerika best bereid waren de nieuwe godsdienst  -het christendom-  aan te nemen, maar dat zij niet tegelijkertijd van hun eigen religieuze gedachtegoed konden loskomen. De Franciscanen en de Dominicanen -de laatste orde had de Inquisitie in handen- stonden op het standpunt dat alle gedachtegoed uit Amerika heidens was en dus vernietigd moest worden. De Jezuïeten en de Augustijnen hadden een meer realistische  benadering: zij legden het verband tussen het bestaande Amerikaanse  gedachtegoed en de zon -geschapen door God- als een gepland ezelsbruggetje naar het christelijke geloof. Op deze manier moest de katholieke geestelijkheid in de Spaanse kolonie op religieuze afbeeldingen dikwijls interpretaties van begrippen toelaten, die in Europa verboden waren.

Een grappig voorbeeld is de Heilige Drie-eenheid: in de oude wereld was en is dit een  afbeelding van God de Vader, God de Zoon en de Heilige Geest. De eerste is een oude man, de tweede een jongeling en de derde wordt afgebeeld in de vorm van een duif. De bewoners van de Andes, die sommige dieren vereerden in hun eigen wereldbeeld van de Pachamama -hun eigen Moeder Aarde- dachten via de duif in de nieuwe godsdienst hun oude religieuze symboliek voort te kunnen zetten. Sommige Spaanse priesters hadden dit door en verboden hen daarom op godsdienstige werken dieren te schilderen.  De inboorlingen, vindingrijk als altijd, lieten dit niet op zich zitten en kwamen met een duidelijk alternatief: de Heilige Drie-eenheid werd voorgesteld door één Christus met drie gezichten of door drie identieke Christussen op een rijtje naast elkaar.

In Cuzco, de hoofdstad van het oude Incarijk, stichtten de Spanjaarden omstreeks 1570 een religieuze schilderschool. De schilders, die werkten volgens het leerlingenstelsel uit de Europese gilden, waren Spanjaarden, indianen en mestiezen. Vanaf het begin baseerde de “Escuela Cuzqueña” haar werken op het religieus grafische materiaal van de Antwerpse drukkerij Plantijn, die tot 1844 -ver na de koloniale tijd- een importmonopolie van boeken en grafisch werk in het Spaanstalige Amerika had. Hierdoor kon deze schilderschool een groot aantal Vlaamse gravures van religieuze afbeeldingen verzamelen, die dienden als bron van inspiratie voor eigen interpretaties. 

Aanvankelijk domineerden de voorschriften van de Spanjaarden op de Cuzqueense Schilderschool. Alle leerlingen werden periodiek aan strenge examens onderworpen over het menselijke lichaam, de kneepjes van de architectuur en  het perspectief. Afbeeldingen van de Maagd Maria bijvoorbeeld mochten alleen maar gemaakt worden als een meisje van een jaar of zestien in witte en blauwe kleding. De invloed van de indianen en de mestiezen in de “Escuela Cuzqueña” werd op den duur enorm en leidde tot een scheiding met de Spaanse schilders: in 1683 sloegen de inheemse artiesten de weg in van de volksschilderkunst: men zocht inspiratie  in oude en archaïsche modellen uit de eigen “Pachamama”, het aangeleerde perspectief werd overboord gegooid, de gewoonte van de inboorlingen om alles te stileren kwam weer boven en dit alles  werd gecombineerd met de Spaans traditioneel middeleeuwse  voorkeur voor  decoraties van goud.

 De verhalen over de joodse en christelijke engelen waren in de zeventiende eeuw in het Andesgebergte heel populair. De indianen waren onder de indruk van deze gevleugelde wezens, die in het geïmporteerde gedachtegoed de natuurverschijnselen en weersgesteldheden beheersten. Gevleugelde mensen, die in strikte hiërarchie leefden. Gevleugelde personen, die ook onderling gestreden hadden om de macht. Voor de inboorlingen leken de gevechten van deze engelen op die uit de tijd van hun voorvaderen, waarmee niet alleen  de overwinnaars van vroeger, maar ook de indertijd overwonnen stammen zich konden identificeren.

De Spaanse clerus was op de hoogte van de fascinatie van de Andesbewoners voor engelen. Ook wisten de geestelijken dat zij een groot ontzag hadden voor de donder en de bliksem: natuurkrachten die de indianen zagen als afgeleide instrumenten van de Zon: de God van de Inca. Instrumenten, die de Zon gebruikte als Hij vertoornd was, want gebouwen waar de bliksem in was geslagen werden door de inheemse bewoners gesloten en nooit meer gebruikt. Deze “donder en bliksem” hadden de Europese soldaten in hun geweren. En deze soldaten gebruikten hun eigen “donder en bliksem” als de Spaanse machthebber boos was op de indianen.

Volgens de Boliviaanse antropologe Teresa Gisbert, de onbetwiste autoriteit op het gebied van koloniale iconografie en het syncretisme tussen het indiaanse en het christelijke gedachtegoed, zocht de Spaanse geestelijkheid steeds naar hulpmiddelen om haar boodschap zo duidelijk mogelijk uit te leggen. Zo kwamen de Jezuïeten op het pragmatische idee de oude donder en bliksem van de Inca om te buigen tot elementen in de wapens van een gevleugelde artillerie ter bescherming van de nieuwe godsdienst: het christendom, met als sterkste symbool: “Moeder en Kind”. Om de gewapende engelen tot een goddelijk niveau in dienst van de Spaanse koning te verheffen vonden deze priesters dat men de engelen op het niveau van bevelhebber in de barokke infanteriekleding van de Spanjaarden moest steken. In het militaire uniform kwam de rang van bevelhebber tot uiting door de sjerp op de ceintuur.

Na een uitgebreide discussie besloten de Jezuïeten dat deze gewapende engelen niet afgebeeld konden worden met gezichten van Spanjaarden of inboorlingen. De beschermer  moest een “nieuw” wezen worden. Een van de geestelijken  kwam met het voorstel hiervoor het type  van de Vlaamse soldaten  te gebruiken. Het voorstel werd aanvaard omdat Vlaanderen in die tijd Spaans was en een aantal Vlaamse jongens als Spaanse soldaten in de Andes dienden. Bovendien waren deze Vlamingen erg populair onder de indianen omdat zij vergeleken met de Spanjaarden erg blank en rustig waren.

Maar er is iets heel merkwaardigs aan de oorsprong van de houdingen van de engelen op de schilderijen. De manier waarop zij in die tijd met de wapens omgaan is niet Spaans. De verschillende houdingen van de gewapende engelen uit de Andes zijn te danken aan het eerste instructieboekje voor exercitie uit de Lage Landen. Het Spaanse Noordwest-Europa was in de zeventiende eeuw verdeeld door de strijd tegen het absolutisme van Madrid. In de Noordelijke Nederlanden, waar men bezig was het katholicisme te verruilen voor het protestantisme, streed men voor de onafhankelijkheid tegen de Spanjaarden. De  katholieke Zuidelijke Nederlanden, met daarin Vlaanderen, zouden later tegen de dictatuur van Spanje in opstand komen. Veel Vlamingen vluchtten voor het Spaanse schrikbewind naar de Noordelijke Nederlanden.

Een van die gevluchte Vlamingen was Jacob van Gheijn uit Gent. Hij vestigde zich in Den Haag en kreeg van stadhouder Maurits van Nassau in 1607 de opdracht een prentenboek te maken van soldaten die exercitieoefeningen deden. Dit werk: ” Wapenhandelinghe van Roers, Musqueten en Spiesen” was bedoeld  om de bevolking uit de Lage Landen te laten zien hoe men de krijgskunst beoefende tegen de Spanjaarden. Op een niet te achterhalen manier is een exemplaar van dit anti-Spaans militaire boekje in Cuzco terechtgekomen waar het ruim zeventig jaar later model heeft gestaan voor de  creatie van de Vlaamse militaire engelen: Vlamingen, die om Indiaanse zieltjes te winnen, afgebeeld werden als hoge officieren van de goddelijke luchtmacht in het Spaanse koloniale Andesgebergte.


clasica
 Heilige Drie-eenheid Europa

G M de Berioo
      Alternatieve Heilige            
           Drie-eenheid

Plantijn
 Antwerpse drukkerij Plantijn

rayosol


 Maagd met kind


 van Jacob van Gheijn
    Nederlandse militair door
      Jacob van Gheijn

Wapenhandelingen
          Het Nederlandse
     militaire instructieboekje


       Nederlandse militair
     door Jacob van Gheijn


         

 copyright Peter Hattink De verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.

terug naar Petites Histoires

Terug naar de voorpagina