“Petites
Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika
Deze
verhalen gaan over de achterkant van historische
gebeurtenissen, die door officiële
geschiedschrijvers zelden
vanuit de mens
zelf is verteld.
|
1690
Mijn Landgenoten
uit de Andes |
||
|---|---|---|
![]() ![]() Alternatieve Heilige Drie-eenheid ![]() Cuzco ![]() ![]() ![]() ![]() Stadhouder Maurits van Nassau ![]() |
Schilderijen
van engelen met vuurwapens van de Peruaanse schilderschool Cuzco uit de zeventiende en
achttiende eeuw sieren
de wanden van de kerken van zuid-Colombia, Ecuador, Peru, Bolivia,
noord-Chili
en noord-Argentinië. Zij zijn vooral aanwezig in dorpjes op
het platteland
zoals bijvoorbeeld in het Boliviaanse Calamarca. De pluimen op hun
hoeden laten
zien dat deze wezens dichtbij
de
indianen staan. De artistieke inboorlingen en mestiezen van deze
schilderschool
uit het hoge Andesgebergte hebben
hun
werken nooit gesigneerd want zij dienden als anonieme ambachtslieden de
goede
zaak van het nieuwe geloof. Wie
zijn deze
wezens? Hoe
komt het
dat deze schilderschool als enige in de gehele wereld ogenschijnlijk
vreedzame
engelen met dodelijke vuurwapens voort heeft bracht?
-------------- De
Spaanse
geestelijkheid ontdekte in de zestiende
eeuw dat de oorspronkelijke bewoners van
Latijns-Amerika best bereid
waren de nieuwe godsdienst -het
christendom- aan te
nemen, maar dat zij
niet tegelijkertijd van hun eigen religieuze gedachtegoed konden
loskomen. De
Franciscanen en de Dominicanen -de laatste orde had de Inquisitie in
handen-
stonden op het standpunt dat alle gedachtegoed uit Amerika heidens was
en dus
vernietigd moest worden. De Jezuïeten en de Augustijnen hadden
een meer
realistische benadering:
zij legden het
verband tussen het bestaande Amerikaanse
gedachtegoed en de zon -geschapen door God- als een
gepland
ezelsbruggetje naar het christelijke geloof. Op deze manier moest de
katholieke
geestelijkheid in de Spaanse kolonie op religieuze afbeeldingen
dikwijls
interpretaties van begrippen toelaten, die in Europa verboden waren. Een
grappig
voorbeeld is de Heilige Drie-eenheid: in de oude wereld was en is dit
een afbeelding van
God de Vader, God de Zoon en de
Heilige Geest. De eerste is een oude man, de tweede een jongeling en de
derde
wordt afgebeeld in de vorm van een duif. De bewoners van de Andes, die
sommige
dieren vereerden in hun eigen wereldbeeld van de Pachamama -hun eigen
Moeder
Aarde- dachten via de duif in de nieuwe godsdienst hun oude religieuze
symboliek voort te kunnen zetten. Sommige Spaanse priesters hadden dit
door en
verboden hen daarom op godsdienstige werken dieren te schilderen. De inboorlingen,
vindingrijk als altijd,
lieten dit niet op zich zitten en kwamen met een duidelijk alternatief:
de
Heilige Drie-eenheid werd
voorgesteld door één Christus met drie gezichten
of door drie identieke
Christussen op een rijtje naast elkaar. In
Cuzco, de
hoofdstad van het oude Incarijk, stichtten de Spanjaarden omstreeks
1570 een
religieuze schilderschool. De schilders, die werkten volgens het
leerlingenstelsel uit de Europese gilden, waren Spanjaarden, indianen
en
mestiezen. Vanaf het begin baseerde de “Escuela
Cuzqueña” haar werken op het
religieus grafische materiaal van de Antwerpse drukkerij Plantijn, die
tot 1844
-ver na de koloniale tijd- een importmonopolie van boeken en grafisch
werk in
het Spaanstalige Amerika had. Hierdoor kon deze schilderschool een
groot aantal
Vlaamse gravures van religieuze afbeeldingen verzamelen, die dienden
als bron
van inspiratie voor eigen interpretaties.
Aanvankelijk
domineerden de voorschriften van de Spanjaarden op de Cuzqueense
Schilderschool. Alle leerlingen werden periodiek aan strenge examens
onderworpen over het menselijke lichaam, de kneepjes van de
architectuur
en het perspectief.
Afbeeldingen van de
Maagd Maria bijvoorbeeld mochten alleen maar gemaakt worden als een
meisje van
een jaar of zestien in witte en blauwe kleding. De invloed van de
indianen en
de mestiezen in de “Escuela Cuzqueña”
werd op den duur enorm en leidde tot een
scheiding met de Spaanse schilders: in 1683 sloegen de inheemse
artiesten de
weg in van de volksschilderkunst: men zocht inspiratie
in oude en archaïsche modellen uit de eigen
“Pachamama”, het aangeleerde perspectief werd
overboord gegooid, de gewoonte
van de inboorlingen om alles te stileren kwam weer boven en dit alles werd gecombineerd met de
Spaans traditioneel
middeleeuwse voorkeur
voor decoraties van
goud. De verhalen over de joodse
en christelijke
engelen waren in de zeventiende eeuw in het Andesgebergte heel
populair. De
indianen waren onder de indruk van deze gevleugelde wezens, die in het
geïmporteerde gedachtegoed de natuurverschijnselen en
weersgesteldheden
beheersten. Gevleugelde mensen, die in strikte hiërarchie
leefden. Gevleugelde
personen, die ook onderling gestreden hadden om de macht. Voor de
inboorlingen
leken de gevechten van deze engelen op die uit de tijd van hun
voorvaderen,
waarmee niet alleen de
overwinnaars van
vroeger, maar ook de indertijd overwonnen stammen zich konden
identificeren. De
Spaanse
clerus was op de hoogte van de fascinatie van de Andesbewoners voor
engelen.
Ook wisten de geestelijken dat zij een groot ontzag hadden voor de
donder en de
bliksem: natuurkrachten die de indianen zagen als afgeleide
instrumenten van de
Zon: de God van de Inca. Instrumenten, die de Zon gebruikte als Hij
vertoornd
was, want gebouwen waar de bliksem in was geslagen werden door de
inheemse
bewoners gesloten en nooit meer gebruikt. Deze “donder en
bliksem” hadden de
Europese soldaten in hun geweren. En deze soldaten gebruikten hun eigen
“donder
en bliksem” als de Spaanse machthebber boos was op de
indianen. Volgens
de
Boliviaanse antropologe Teresa Gisbert, de onbetwiste autoriteit op het
gebied
van koloniale iconografie en het syncretisme tussen het indiaanse en
het
christelijke gedachtegoed, zocht de Spaanse geestelijkheid steeds naar
hulpmiddelen om haar boodschap zo duidelijk mogelijk uit te leggen. Zo
kwamen
de Jezuïeten op het pragmatische idee de oude donder en
bliksem van de Inca om
te buigen tot elementen in de wapens van een gevleugelde artillerie ter
bescherming van de nieuwe godsdienst: het christendom, met als sterkste
symbool: “Moeder en Kind”. Om de gewapende engelen
tot een goddelijk niveau in
dienst van de Spaanse koning te verheffen vonden deze priesters dat men
de
engelen op het niveau van bevelhebber in de barokke infanteriekleding
van de Spanjaarden
moest steken. In het militaire uniform kwam de rang van bevelhebber tot
uiting
door de sjerp op de ceintuur. Na
een
uitgebreide discussie besloten de Jezuïeten dat deze gewapende
engelen niet
afgebeeld konden worden met gezichten van Spanjaarden of inboorlingen.
De
beschermer moest
een “nieuw” wezen
worden. Een van de geestelijken kwam
met
het voorstel hiervoor het type van
de
Vlaamse soldaten te
gebruiken. Het
voorstel werd aanvaard omdat Vlaanderen in die tijd Spaans was en een
aantal
Vlaamse jongens als Spaanse soldaten in de Andes dienden. Bovendien
waren deze
Vlamingen erg populair onder de indianen omdat zij vergeleken met de
Spanjaarden erg blank en rustig waren. Maar
er is
iets heel merkwaardigs aan de oorsprong van de houdingen van de engelen
op de
schilderijen. De manier waarop zij in die tijd met de wapens omgaan is
niet
Spaans. De verschillende houdingen van de gewapende engelen uit de
Andes zijn
te danken aan het eerste instructieboekje voor exercitie uit de Lage
Landen.
Het Spaanse Noordwest-Europa was in de zeventiende eeuw verdeeld door
de strijd
tegen het absolutisme van Madrid. In de Noordelijke Nederlanden, waar
men bezig
was het katholicisme te verruilen voor het protestantisme, streed men
voor de
onafhankelijkheid tegen de Spanjaarden. De
katholieke Zuidelijke Nederlanden, met daarin
Vlaanderen, zouden later
tegen de dictatuur van Spanje in opstand komen. Veel Vlamingen
vluchtten voor
het Spaanse schrikbewind naar de Noordelijke Nederlanden. Een
van die
gevluchte Vlamingen was Jacob van Gheijn uit Gent. Hij vestigde zich in
Den
Haag en kreeg van stadhouder Maurits van Nassau in 1607 de opdracht een
prentenboek te maken van soldaten die exercitieoefeningen deden. Dit
werk: ”
Wapenhandelinghe van Roers, Musqueten en Spiesen” was bedoeld om de bevolking uit de
Lage Landen te laten
zien hoe men de krijgskunst beoefende tegen de Spanjaarden. Op een niet
te
achterhalen manier is een exemplaar van dit anti-Spaans militaire
boekje in
Cuzco terechtgekomen waar het ruim zeventig jaar later model heeft
gestaan voor
de creatie van de
Vlaamse militaire
engelen: Vlamingen, die om Indiaanse zieltjes te winnen, afgebeeld
werden als
hoge officieren van de goddelijke luchtmacht in het Spaanse koloniale
Andesgebergte. |
![]() Heilige Drie-eenheid Europa ![]() Alternatieve Heilige Drie-eenheid ![]() Antwerpse drukkerij Plantijn ![]() ![]() ![]() Nederlandse militair door Jacob van Gheijn ![]() Het Nederlandse militaire instructieboekje ![]() Nederlandse militair door Jacob van Gheijn |
De
verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar
overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.