“Petites Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika 

door Peter Hattink*
peterhattink@yahoo.es

 Deze “Petites Histoires” zijn anecdotische verhalen in hun historische context. Zij geven een inzicht  in het denken  
en het handelen van de volkeren van Amerika, de nieuwkomers en hun nakomelingen op dit continent. 

De officiële geschiedenis is veelal geschreven in het belang van de staat. 
Deze verhalen gaan over de achterkant van historische gebeurtenissen, die door officiële 
geschiedschrijvers  zelden vanuit de mens zelf is verteld.
 
 

1708 Robinson Crusoe: Nederlandser dan je denkt

 Juan Fernandez
 Juan Fernández eilanden

Daniel Defoe
 Daniel Defoe
 

Robinso Crusoe Smeeks
 

Robinson Crusoe
 Robinson Crusoe
en Vrijdag

Koning Willem III
Stadhouder Willem II,
later koning van Engeland

Tobago map
 Tobago, de oud Nederlandse
kolonie Nieuw Walcheren



Er zijn twee Robinson Crusoe’s: een Chileense en een Engelse. Beiden dragen Nederlandse sporen

Chili, dat in de indiaanse taal Amayra “het einde van de wereld” betekent, wilde in de vorige eeuw zijn
afgelegen ligging aantrekkelijk maken voor toeristen. De Juan Fernández Eilanden, zo genoemd naar
de Spanjaard, die deze in 1574 had ontdekt, moesten uit hun isolement worden gehaald.

De regering kreeg in 1966 een  lumineus idee over de naamswijziging van de Juan Fernández Archipel,
die ruim 650 kilometer van het Chileense vasteland ligt. Langzamerhand was in Chili doorgedrongen
dat de Schotse zeeman  Alexander Selkirk in de zeventiende eeuw een tijd had doorgebracht op het
eiland Isla más a Tierra van de Juan Fernández Eilanden. Volgens de geruchten zou Selkirk model
hebben gestaan voor de beroemde  figuur in het boek “Het leven en de wonderlijke avonturen van
Robinson Crusoe” uit 1719 van de Engelsman Daniel Defoe.

Om toeristen uit de hele wereld te lokken werden door het Chileense kabinet  twee van de drie
eilanden van deze archipel herdoopt. Het eiland Más a Tierra, waar Alexander Selkerk
vier jaar en vier maanden had doorgebracht, heette voortaan Robinson Crusoe. Het eilandje
Más Afuera er tegenover -waar de Schotse zeeman nooit is geweest- kreeg zijn naam: Alexander Selkirk.
Het derde eilandje Santa Catalina behield zijn naam want eilandjes, die genoemd zijn naar heiligen,
verander je niet zo maar van naam in het toen conservatieve katholieke Chili.

Het eiland Robinson Crusoe werd in de Spaanse koloniale tijd bezocht door Nederlandse zeevaarders,
die wel een graantje van de Spanjaarden wilden meepikken. Jacob Le Maire deed het verlaten eiland
eind februari 1615 aan en vertrok begin maart van datzelfde jaar naar Oost Indië. Jacob Roggeveen,
die op 5 april 1722 de Paaseilanden ontdekte, bezocht het eiland Robinson Crusoe eind 1721.
Hij wilde dit eiland, waar nu alleen geiten leefden, inrichten als basis voor de ontdekking van “Terra Australis”.

De Schotse zeilmeester Alexander Selkirk werd in september 1704 na een daverende ruzie met
een officier door zijn kapitein, de Engelse boekanier William Dampierre, op het eiland Robin Crusoe
achtergelaten. De heethoofdige Selkirk, die smeekte om weer mee te mogen gaan, bleef achter met
een geweer, munitie, een paar boeken, navigatie-instrumenten en enkele levensmiddelen. Na vier jaar
en vier maanden werd Selkirk op 31 januari 1709 gered door dezelfde William Dampierre, die toen
als stuurman dienst deed op het Engelse kaperschip “Duke” van kapitein Woodes Rogers.

Alexander Selkirk, die Daniel Defoe persoonlijk heeft gekend, maakte een uitgebreid verslag
van zijn avonturen maar deze zijn niet terug te vinden in het beroemde boek over Robinson
Crusoe. In werkelijkheid heeft Daniel Defoe de meeste avonturen van Robinson Crusoe
gehaald uit het boek “Beschrijving van het Machtige Koninkrijk Krinke Kesmes” van de
Nederlandse auteur Hendrik Smeeks, chirurgijn en barbier uit Zwolle. Dit boek, waarvan
de inhoud geheel verzonnen is, werd in 1708 gepubliceerd door uitgever Nicolaas ten Hoorn
te Amsterdam. Daniel Defoe heeft dit boek gelezen want hij beheerste het Nederlands goed:
hij was niet voor niets geheim agent van StadhouderWillem III, die in 1689 koning van Engeland werd.

De avonturen van Robinson Crusoe –de man zelf heeft nooit bestaan- kunnen zich onmogelijk
hebben afgespeeld op dit eiland voor de Chileense westkust. Het landschap en het klimaat
stemmen niet overeen met die in het boek. De indiaan Vrijdag, die na een achtervolging door
kannibalen op het eiland aanspoelde, kon onmogelijk van een eiland uit de buurt of van de
Chileense kust afkomstig zijn.

De literair begaafde spion Daniel Defoe heeft zich héél goed gedocumenteerd voordat hij zijn
boek over Robinson Crusoe schreef. Voordat hij dit jongenboek op zestigjarige leeftijd
publiceerde had hij alles gelezen over de verovering van het Caribische gebied door de
Spanjaarden en de Engelsen. In Nederland luisterde hij altijd aandachtig naar de verhalen
van de Zeeuwen die in het Caribisch gebied waren geweest.

Vrijdag stond model voor een Taino-Indiaan, die werd achtervolgd door de Cariben.
De Cariben, waarvan het woord kannibaal is afgeleid, was een mensenetende stam uit
Venezuela, die het naar hen genoemde Caribische gebied terroriseerde.
Vrijdag spoelde aan op het eiland waar Robinson Crusoe “echt” gewoond zou hebben.
Uit de beschrijving in het boek van de landschappen en de fauna blijkt duidelijk dat dit
het eiland Tobago is, dat van 1654 tot 1678 de Zeeuwse kolonie Nieuw Walcheren was.


    Juan Fernandez                                          Tobago map

 copyright Peter Hattink De verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.

terug naar Petites Histoires

Terug naar de voorpagina