“Petites
Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika
Deze
verhalen gaan over de achterkant van historische
gebeurtenissen, die door officiële
geschiedschrijvers zelden
vanuit de mens
zelf is verteld.
| 1708 Robinson Crusoe: Nederlandser dan je denkt | ||
|---|---|---|
![]() Juan Fernández eilanden ![]() Daniel Defoe ![]() ![]() Robinson Crusoe en Vrijdag ![]() Stadhouder Willem II, later koning van Engeland ![]() Tobago, de oud Nederlandse kolonie Nieuw Walcheren |
Er zijn twee Robinson Crusoe’s: een Chileense
en een Engelse.
Beiden dragen Nederlandse sporen Chili, dat in de indiaanse taal Amayra “het einde van de wereld” betekent, wilde in de vorige eeuw zijn afgelegen ligging aantrekkelijk maken voor toeristen. De Juan Fernández Eilanden, zo genoemd naar de Spanjaard, die deze in 1574 had ontdekt, moesten uit hun isolement worden gehaald. De regering kreeg in 1966 een lumineus idee over de naamswijziging van de Juan Fernández Archipel, die ruim 650 kilometer van het Chileense vasteland ligt. Langzamerhand was in Chili doorgedrongen dat de Schotse zeeman Alexander Selkirk in de zeventiende eeuw een tijd had doorgebracht op het eiland Isla más a Tierra van de Juan Fernández Eilanden. Volgens de geruchten zou Selkirk model hebben gestaan voor de beroemde figuur in het boek “Het leven en de wonderlijke avonturen van Robinson Crusoe” uit 1719 van de Engelsman Daniel Defoe. Om toeristen uit de hele wereld te lokken werden door het Chileense kabinet twee van de drie eilanden van deze archipel herdoopt. Het eiland Más a Tierra, waar Alexander Selkerk vier jaar en vier maanden had doorgebracht, heette voortaan Robinson Crusoe. Het eilandje Más Afuera er tegenover -waar de Schotse zeeman nooit is geweest- kreeg zijn naam: Alexander Selkirk. Het derde eilandje Santa Catalina behield zijn naam want eilandjes, die genoemd zijn naar heiligen, verander je niet zo maar van naam in het toen conservatieve katholieke Chili. Het eiland Robinson Crusoe werd in de Spaanse koloniale tijd bezocht door Nederlandse zeevaarders, die wel een graantje van de Spanjaarden wilden meepikken. Jacob Le Maire deed het verlaten eiland eind februari 1615 aan en vertrok begin maart van datzelfde jaar naar Oost Indië. Jacob Roggeveen, die op 5 april 1722 de Paaseilanden ontdekte, bezocht het eiland Robinson Crusoe eind 1721. Hij wilde dit eiland, waar nu alleen geiten leefden, inrichten als basis voor de ontdekking van “Terra Australis”. De Schotse zeilmeester Alexander Selkirk werd in september 1704 na een daverende ruzie met een officier door zijn kapitein, de Engelse boekanier William Dampierre, op het eiland Robin Crusoe achtergelaten. De heethoofdige Selkirk, die smeekte om weer mee te mogen gaan, bleef achter met een geweer, munitie, een paar boeken, navigatie-instrumenten en enkele levensmiddelen. Na vier jaar en vier maanden werd Selkirk op 31 januari 1709 gered door dezelfde William Dampierre, die toen als stuurman dienst deed op het Engelse kaperschip “Duke” van kapitein Woodes Rogers. Alexander Selkirk, die Daniel Defoe persoonlijk heeft gekend, maakte een uitgebreid verslag van zijn avonturen maar deze zijn niet terug te vinden in het beroemde boek over Robinson Crusoe. In werkelijkheid heeft Daniel Defoe de meeste avonturen van Robinson Crusoe gehaald uit het boek “Beschrijving van het Machtige Koninkrijk Krinke Kesmes” van de Nederlandse auteur Hendrik Smeeks, chirurgijn en barbier uit Zwolle. Dit boek, waarvan de inhoud geheel verzonnen is, werd in 1708 gepubliceerd door uitgever Nicolaas ten Hoorn te Amsterdam. Daniel Defoe heeft dit boek gelezen want hij beheerste het Nederlands goed: hij was niet voor niets geheim agent van StadhouderWillem III, die in 1689 koning van Engeland werd. De avonturen van Robinson Crusoe –de man zelf heeft nooit bestaan- kunnen zich onmogelijk hebben afgespeeld op dit eiland voor de Chileense westkust. Het landschap en het klimaat stemmen niet overeen met die in het boek. De indiaan Vrijdag, die na een achtervolging door kannibalen op het eiland aanspoelde, kon onmogelijk van een eiland uit de buurt of van de Chileense kust afkomstig zijn. De literair begaafde spion Daniel Defoe heeft zich héél goed gedocumenteerd voordat hij zijn boek over Robinson Crusoe schreef. Voordat hij dit jongenboek op zestigjarige leeftijd publiceerde had hij alles gelezen over de verovering van het Caribische gebied door de Spanjaarden en de Engelsen. In Nederland luisterde hij altijd aandachtig naar de verhalen van de Zeeuwen die in het Caribisch gebied waren geweest. Vrijdag stond model voor een Taino-Indiaan, die werd achtervolgd door de Cariben. De Cariben, waarvan het woord kannibaal is afgeleid, was een mensenetende stam uit Venezuela, die het naar hen genoemde Caribische gebied terroriseerde. Vrijdag spoelde aan op het eiland waar Robinson Crusoe “echt” gewoond zou hebben. Uit de beschrijving in het boek van de landschappen en de fauna blijkt duidelijk dat dit het eiland Tobago is, dat van 1654 tot 1678 de Zeeuwse kolonie Nieuw Walcheren was. |
![]() |
De
verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar
overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.