“Petites Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika 

door Peter Hattink*
peterhattink@yahoo.es

 Deze “Petites Histoires” zijn anecdotische verhalen in hun historische context. Zij geven een inzicht  in het denken  
en het handelen van de volkeren van Amerika, de nieuwkomers en hun nakomelingen op dit continent. 

De officiële geschiedenis is veelal geschreven in het belang van de staat. 
Deze verhalen gaan over de achterkant van historische gebeurtenissen, die door officiële 
geschiedschrijvers  zelden vanuit de mens zelf is verteld.
 
 

1743 Van Schoenpoetser tot verguisde Miljonair


 Piratenschip







Kapersbrief
 Kapersbrief van Willem van Oranje






Miguel Henriquez
Miguel Henríquez




 Felipe V
Philips  V




 Geniculataand Genipa




Miguel Henriquez
Miguel Henríquez op oude leeftijd



“Ik wil kunnen lezen en schrijven!” zei de zevenjarige mulat Miguel Henríquez tegen zijn moeder Graciana Henríquez, die in een krot van San Juan woonde. Graciana, een vrijgemaakte slavin uit Angola wist wel raad voor haar slimme zoontje, de jongste van tien kinderen die al een jaar lang als schoenpoetsertje de kost verdiende. Hoewel in San Juan het gerucht ging dat Miguel het kind was van een Spaanse pater had zij een goede relatie met de pastoor van haar parochie. Er kwam een leraar in de armoedige woning en de zevenjarige Miguel leerde lezen en schrijven in het Spaans en in het Latijn, de taal van de geestelijkheid. Hij was de enige kleurling in het Puerto Rico van 1685 die geletterd was. “Eens zal ik schoenen dragen zoals die van de mensen die ik poets”, dacht hij. Hij liet de mannen, van wie hij de schoenen poetste, merken dat hij kon lezen en schrijven. Zo bouwde hij vanuit de straten van San Juan zijn netwerk op.

Miguel Henríquez groeide op in het Spanje van verval. Het staatsmonopolie op de handel tussen de Spaans-Amerikaanse kolonie en het moederland werkte niet meer. De klassieke vijanden van Spanje –Nederland, Frankrijk en Engeland- die wilden mee profiteren van de rijkdommen uit de Spaans-Amerikaanse kolonie, overvielen de Spaanse schepen en maakten het goud, zilver, parels en andere goederen buit. Het Caribische gebied zat vol zeeroversnesten en tal van eilandjes waren in handen van Nederlanders, Fransen en Engelsen. Sommige piraten hadden van hun land kapersbrieven: vergunningen om schepen van de vijand te enteren en te beroven. De Spaanse overheid had voor Puerto Rico geen economisch plan en investeerde niet, zoals de Engelsen op Jamaica, in suikerplantages. De handel tussen de eilanden in het Caribische gebied –in Spaanse handen of niet- was verboden. De Spaanse soldaten op Puerto Rico liepen in versleten kleren rond en roofden om de honger te stillen. De burgers verkochten smokkelwaar om te overleven.

De arme schoenpoetser uit San Juan ondervond als kind al dat Nederlanders in het Caribische gebied een belangrijke rol speelden. “¿Cuidado cuando salgas que no te agarre el holandés!” ofwel: “Als je weggaat wees dan op de hoede zodat de Hollander je niet pakt!”, riepen de kinderen als zij op straat elkaar achterna zaten. Een andere uitdrukking uit die tijd was: "¡Que me lleva el holandés!”, ofwel: “ Laat de Hollander mij toch meenemen!", waarmee de Puerto Ricanen bedoelden dat zij graag aan de ellende op het eiland wilden ontsnappen.

Miguel Henríquez leerde dat deze gezegden, die in Puerto Rico eeuwenlang gebruikt zijn, te danken waren aan de Nederlander Balduino Enrico, ofwel Boudewijn Hendrikz.  Admiraal Hendrikz deed in 1625  een poging om het strategisch gelegen Puerto Rico te veroveren veroveren. Hierbij werd het fort El Morro van Puerto Rico langdurig beschoten maar de Spanjaarden weerden zich dapper. Uit wraak omdat Boudewijn Hendrickz er niet in slaagde om het eiland voor Nederland in te nemen vernietigde hij op de terugtocht het paleis van bisschop Bernardo de Balbuena, waarbij de gehele bibliotheek met belangrijke boeken en documenten verloren ging. Manuel Henríquez werd door de armoede op Puerto Rico heen en weer geslingerd tussen twee gedachten: hij zou die “Hollandse boekverbranders” goed te grazen nemen óf hij zou er goed aan verdienen.

Miguel Henríquez zette zijn eerste schreden op het commerciële pad tegen het einde van de zeventiende eeuw. In die tijd verhielden de verdiensten op legale en illegale handel zich van 1:10. Hij werkte vanuit zijn woning en breidde zijn lokale netwerk zorgvuldig uit naar een aantal internationale contacten waarbij hij een evenwicht schiep tussen de legale handel tussen de Spanjaarden onderling en de illegale handel tussen Spanjaarden en de rest van de wereld. Spoedig had hij een kleine vloot waarmee hij voor eigen rekening Engelse, Nederlandse en Franse schepen kaapte en ombouwde tot efficiënte piratenschepen. Miguel Henríquez was in het jaar 1700 al een gefortuneerde  zakenman die aanzien in San Juan genoot.

Als gewiekste zakenman kreeg Miguel Henríquez  in 1702 de vuurproef. Gouverneur Gabriel Suárez de Ribera ontdekte dat een Nederlands schip vol zat met tropische groenten en fruit uit het plaatsje  San Germán. De gouverneur stelde een onderzoek in: de plaatselijke bewoners deden of zij van niets wisten en de Nederlandse zeelieden verklaarden dat de lading wel degelijk uit San Germán kwam. De gouverneur gaf alle families uit San Germán een geldboete en gooide het gehele gemeentebestuur van San Germán in de gevangenis. Miguel Henríquez, die goed aan deze partij had verdiend, bleef buiten schot.

Door een goede planning groeide het vermogen van Miguel Henríquez snel. Hij was een vurig voorstander van koning Philips V en hij had goede politieke contacten met de autoriteiten in het moederland Spanje, Española, het eiland dat tegenwoordig wordt gedeeld door de Dominicaanse Republiek en Haíti, het huidige Cuba, Mexico, Venezuela en Colombia. Zijn piraten haalden geregeld de opslagplaatsen van de Spaanse vijanden leeg in het Nederlandse Curaçao, het Franse Martinique en het Engelse Jamaica.

De carrière van de zakenman, die eens als schoenpoetsertje begon, viel op in Spanje. Koning Philips V bood hem in 1713 een kapersbrief aan op 50-50 basis van de buit en onderscheidde hem met de orde “Ridder van de Koninklijke Beeltenis” en met de titel “Admiraal van de Zee en Oorlog”. Het image van Miguel Hernríquez kon voor de Spaanse vorst niet meer stuk toen hij vernam dat hij in 1718 de Britten van het eiland Vieques had verjaagd. Deze heldendaad bezorge hem in Engelse kringen de bijnaam: De Aardsschurk”.    

Miguel Henríquez werd in het begin van de eerste helft van de achttiende eeuw de machtigste man van Puerto Rico. Hij verhief zijn eiland tot een grootmacht in het Caribische gebied dat de scheepvaartroute van de oude naar de nieuwe wereld controleerde. Hij had 25 schepen met 500 man in dienst. Zijn verdiende geld investeerde Miguel Hernández in zaken op het eiland. Op een gegeven moment was hij eigenaar van alle winkels in de hoofdstraat van San Juan. Daarnaast had hij landerijen waar hij onder meer suikerriet voor zijn suikerfabriek verbouwde, tropisch fruit oogstte en vee hield. Een rijke Puerto Ricaan had gemiddeld een vijftal slaven; Miguel Henríquez had er vijftig, waarvan tien vrouwen. Gouverneurs, zakenlieden en bisschoppen waren Miguel Henríquez’s vrienden en zij konden bij hem geld lenen als zij kort bij kas zaten.      

Omdat Miguel Henríquez zijn kennis te danken had aan de kerk gaf hij grote giften aan de katholieke scholen zodat de kinderen leerden lezen, schrijven, rekenen en godsdienstonderwijs kregen. De bisschop van San Juan was zo verheugd over zijn giften dat hij in de kathedraal van San Juan op zondag de mis pas liet beginnen als de beeldschone mulattin Ana Muriel, de minnares van Miguel Henríquez, aanwezig was. De geestelijke hoogwaardigheidsbekleders repten niet over het liefdesleven van hun rijke vriend, die van vier vrouwen elf kinderen had.

De moderne staatshervormingen van koning Philips V begonnen vanaf 1730 voelbaar te worden in Puerto Rico. De Spaanse vorst perkte de macht van de kerk in en voerde een beleid alsof Spanje een naamloze vennootschap was waarbij de ambtenaren op prestatie werden beoordeeld en waarbij –naar Nederlands en Engels voorbeeld- bepaalde bedrijven handelsprivileges kregen die het oude staatsmonopolie overbodig maakten. In deze veranderende wereld hoorden de Spaanse kapersactiviteiten en smokkel niet meer thuis. 

De gouverneur, luitenant kolonel Matías de Abadía, begon omstreeks 1732 de afgunst van de gevestigde orde op Puerto Rico te gebruiken om de Spanjaarden, die rijk geworden waren door piraterij en smokkel, zwart te maken. De gouverneur daagde Miguel Henríquez voor het gerecht wegens illegale handelspraktijken en onrechtmatige verrijking. Henríquez beklaagde zich bij koning Philips V maar deze liet zijn vriend, die hij negentien jaar eerder een grote onderscheiding gaf, keihard vallen. Tot zijn verbazing zag Miguel Henríquez dat zijn vroegere kennissen uit de elite van Puerto Rico, die vroeger geld van hem hadden geleend, zich nu tegen hem keerden.

Bij elk proces dat de gouverneur tegen Miguel Henríquez voerde werd een stuk van zijn bezittingen geconfisqueerd. Na zes jaar procederen vluchtte hij om een veroordeling te ontlopen naar het klooster van San Juan, waar hij liefdevol werd opgenomen. De broeders waren hem dankbaar voor zijn giften uit het verleden. Na vijf jaar afzondering van de wereld stierf Miguel Henríquez in 1743 als een eenzaam man zonder bezittingen. Zijn stoffelijke resten werden bijgezet in het massagraf van het klooster.

 Kaart Curacao


 Puerto Rico  






 Piraten vlag


 




El Morro de San Juan
Fort van San Juan







Bernardo de Balbuena
Bischop Bernardo
de Balbuena
 




suikerriet
 verbouw suikerriet






 Kathedraal San Juan P.R.





Monasterio San Juan
Klooster van
San Juan


 copyright Peter Hattink De verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.

terug naar Petites Histoires

Terug naar de voorpagina