“Petites
Histoires” over de geschiedenis van Latijns-Amerika
Deze
verhalen gaan over de achterkant van historische
gebeurtenissen, die door officiële
geschiedschrijvers zelden
vanuit de mens
zelf is verteld.
1743 Van Schoenpoetser tot verguisde Miljonair |
||
|---|---|---|
![]() ![]() Kapersbrief van Willem van Oranje ![]() Miguel Henríquez ![]() Philips V ![]() ![]() Miguel Henríquez op oude leeftijd |
“Ik wil kunnen lezen en
schrijven!” zei de zevenjarige mulat Miguel
Henríquez tegen zijn moeder Graciana Henríquez,
die in een krot van San Juan
woonde. Graciana, een vrijgemaakte slavin uit Angola wist wel raad voor
haar
slimme zoontje, de jongste van tien kinderen die al een jaar lang als
schoenpoetsertje de kost verdiende. Hoewel in San Juan het gerucht ging
dat
Miguel het kind was van een Spaanse pater had zij een goede relatie met
de
pastoor van haar parochie. Er kwam een leraar in de armoedige woning en
de
zevenjarige Miguel leerde lezen en schrijven in het Spaans en in het
Latijn, de
taal van de geestelijkheid. Hij was de enige kleurling in het Puerto
Rico van
1685 die geletterd was. “Eens zal ik schoenen dragen zoals
die van de mensen
die ik poets”, dacht hij. Hij liet de mannen, van wie hij de
schoenen poetste,
merken dat hij kon lezen en schrijven. Zo bouwde hij vanuit de straten
van San
Juan zijn netwerk op. Miguel Henríquez groeide op in het
Spanje van verval. Het
staatsmonopolie op de handel tussen de Spaans-Amerikaanse kolonie en
het
moederland werkte niet meer. De klassieke vijanden van Spanje
–Nederland,
Frankrijk en Engeland- die wilden mee profiteren van de rijkdommen uit
de
Spaans-Amerikaanse kolonie, overvielen de Spaanse schepen en maakten
het goud,
zilver, parels en andere goederen buit. Het Caribische gebied zat vol
zeeroversnesten en tal van eilandjes waren in handen van Nederlanders,
Fransen
en Engelsen. Sommige piraten hadden van hun land kapersbrieven:
vergunningen om
schepen van de vijand te enteren en te beroven. De Spaanse overheid had
voor
Puerto Rico geen economisch plan en investeerde niet, zoals de Engelsen
op Jamaica,
in suikerplantages. De handel tussen de eilanden in het Caribische
gebied –in
Spaanse handen of niet- was verboden. De Spaanse soldaten op Puerto
Rico liepen
in versleten kleren rond en roofden om de honger te stillen. De burgers
verkochten smokkelwaar om te overleven. De arme schoenpoetser uit San Juan ondervond als
kind al dat
Nederlanders in het Caribische gebied een belangrijke rol speelden.
“¿Cuidado
cuando salgas que no te agarre el holandés!”
ofwel: “Als je weggaat wees dan op
de hoede zodat de Hollander je niet pakt!”, riepen de
kinderen als zij op
straat elkaar achterna zaten. Een andere uitdrukking uit die tijd was: "¡Que
me lleva el holandés!”, ofwel: “ Laat de
Hollander mij toch meenemen!", waarmee de Puerto Ricanen bedoelden dat zij
graag aan de ellende op het
eiland wilden ontsnappen. Miguel
Henríquez leerde dat deze gezegden, die in
Puerto Rico eeuwenlang gebruikt zijn, te danken waren aan de
Nederlander Balduino
Enrico, ofwel Boudewijn Hendrikz.
Admiraal Hendrikz deed in 1625
een poging om het strategisch gelegen Puerto Rico te
veroveren
veroveren. Hierbij werd het fort El Morro van Puerto Rico langdurig
beschoten
maar de Spanjaarden weerden zich dapper. Uit wraak omdat Boudewijn
Hendrickz er
niet in slaagde om het eiland voor Nederland in te nemen vernietigde
hij op de
terugtocht het paleis van bisschop Bernardo de Balbuena, waarbij de
gehele
bibliotheek met belangrijke boeken en documenten verloren ging. Manuel
Henríquez werd door de armoede op Puerto Rico heen en weer
geslingerd tussen
twee gedachten: hij zou die “Hollandse
boekverbranders” goed te grazen nemen óf
hij zou er goed aan verdienen. Miguel Henríquez zette zijn eerste
schreden op het commerciële pad tegen
het einde van de zeventiende eeuw. In die tijd verhielden de
verdiensten op
legale en illegale handel zich van 1:10. Hij werkte vanuit zijn woning
en
breidde zijn lokale netwerk zorgvuldig uit naar een aantal
internationale
contacten waarbij hij een evenwicht schiep tussen de legale handel
tussen de
Spanjaarden onderling en de illegale handel tussen Spanjaarden en de
rest van
de wereld. Spoedig had hij een kleine vloot waarmee hij voor eigen
rekening
Engelse, Nederlandse en Franse schepen kaapte en ombouwde tot
efficiënte
piratenschepen. Miguel Henríquez was in het jaar 1700 al een
gefortuneerde zakenman
die aanzien in San Juan genoot. Als gewiekste zakenman kreeg Miguel
Henríquez in
1702 de vuurproef. Gouverneur Gabriel
Suárez de Ribera ontdekte dat een Nederlands schip vol zat
met tropische
groenten en fruit uit het plaatsje
San
Germán. De gouverneur stelde een onderzoek in: de
plaatselijke bewoners deden
of zij van niets wisten en de Nederlandse zeelieden verklaarden dat de
lading
wel degelijk uit San Germán kwam. De gouverneur gaf alle
families uit San
Germán een geldboete en gooide het gehele gemeentebestuur
van San Germán in de
gevangenis. Miguel Henríquez, die goed aan deze partij had
verdiend, bleef
buiten schot. Door een goede planning groeide het vermogen van
Miguel Henríquez snel.
Hij was een vurig voorstander van koning Philips V en hij had goede
politieke
contacten met de autoriteiten in het moederland Spanje,
Española, het eiland
dat tegenwoordig wordt gedeeld door de Dominicaanse Republiek en
Haíti, het
huidige Cuba, Mexico, Venezuela en Colombia. Zijn piraten haalden
geregeld de
opslagplaatsen van de Spaanse vijanden leeg in het Nederlandse
Curaçao, het
Franse Martinique en het Engelse Jamaica. De carrière van de zakenman, die eens
als schoenpoetsertje begon, viel
op in Spanje. Koning Philips V bood hem in 1713 een kapersbrief aan op
50-50
basis van de buit en onderscheidde hem met de orde “Ridder
van de Koninklijke
Beeltenis” en met de titel “Admiraal van de Zee en
Oorlog”. Het image van
Miguel Hernríquez kon voor de Spaanse vorst niet meer stuk
toen hij vernam dat
hij in 1718 de Britten van het eiland Vieques had verjaagd. Deze
heldendaad
bezorge hem in Engelse kringen de bijnaam: De Aardsschurk”. Miguel Henríquez werd in het begin van
de eerste helft van de achttiende
eeuw de machtigste man van Puerto Rico. Hij verhief zijn eiland tot een
grootmacht in het Caribische gebied dat de scheepvaartroute van de oude
naar de
nieuwe wereld controleerde. Hij had 25 schepen met 500 man in dienst.
Zijn
verdiende geld investeerde Miguel Hernández in zaken op het
eiland. Op een
gegeven moment was hij eigenaar van alle winkels in de hoofdstraat van
San
Juan. Daarnaast had hij landerijen waar hij onder meer suikerriet voor
zijn
suikerfabriek verbouwde, tropisch fruit oogstte en vee hield. Een rijke
Puerto
Ricaan had gemiddeld een vijftal slaven; Miguel Henríquez
had er vijftig, waarvan
tien vrouwen. Gouverneurs, zakenlieden en bisschoppen waren Miguel
Henríquez’s
vrienden en zij konden bij hem geld lenen als zij kort bij kas zaten.
Omdat Miguel Henríquez zijn kennis te
danken had aan de kerk gaf hij
grote giften aan de katholieke scholen zodat de kinderen leerden lezen,
schrijven, rekenen en godsdienstonderwijs kregen. De bisschop van San
Juan was
zo verheugd over zijn giften dat hij in de kathedraal van San Juan op
zondag de
mis pas liet beginnen als de beeldschone mulattin Ana Muriel, de
minnares van
Miguel Henríquez, aanwezig was. De geestelijke
hoogwaardigheidsbekleders repten
niet over het liefdesleven van hun rijke vriend, die van vier vrouwen
elf
kinderen had. De moderne staatshervormingen van koning Philips V
begonnen vanaf 1730
voelbaar te worden in Puerto Rico. De Spaanse vorst perkte de macht van
de kerk
in en voerde een beleid alsof Spanje een naamloze vennootschap was
waarbij de
ambtenaren op prestatie werden beoordeeld en waarbij –naar
Nederlands en Engels
voorbeeld- bepaalde bedrijven handelsprivileges kregen die het oude
staatsmonopolie overbodig maakten. In deze veranderende wereld hoorden
de
Spaanse kapersactiviteiten en smokkel niet meer thuis.
De gouverneur, luitenant kolonel Matías
de Abadía, begon omstreeks 1732
de afgunst van de gevestigde orde op Puerto Rico te gebruiken om de
Spanjaarden, die rijk geworden waren door piraterij en smokkel, zwart
te maken.
De gouverneur daagde Miguel Henríquez voor het gerecht
wegens illegale
handelspraktijken en onrechtmatige verrijking. Henríquez
beklaagde zich bij
koning Philips V maar deze liet zijn vriend, die hij negentien jaar
eerder een
grote onderscheiding gaf, keihard vallen. Tot zijn verbazing zag Miguel
Henríquez dat zijn vroegere kennissen uit de elite van
Puerto Rico, die vroeger
geld van hem hadden geleend, zich nu tegen hem keerden. Bij elk proces dat de gouverneur tegen Miguel
Henríquez voerde werd een
stuk van zijn bezittingen geconfisqueerd. Na zes jaar procederen
vluchtte hij
om een veroordeling te ontlopen naar het klooster van San Juan, waar
hij
liefdevol werd opgenomen. De broeders waren hem dankbaar voor zijn
giften uit
het verleden. Na vijf jaar afzondering van de wereld stierf Miguel
Henríquez in
1743 als een eenzaam man zonder bezittingen. Zijn stoffelijke resten
werden
bijgezet in het massagraf van het klooster. |
![]() ![]() Fort van San Juan ![]() Bischop Bernardo de Balbuena ![]() verbouw suikerriet ![]() ![]() Klooster van San Juan |
De
verhalen of gedeelten daarvan mogen alleen maar
overgenomen worden na schriftelijke toestemming van de auteur.