Erik in aktie
La Ruta
La
Ruta, oftewel la Ruta de los Conquistadores . Voor
de echte mountain bike liefhebber is dit een magisch en welhaast
mythisch
begrip, bijna vergelijkbaar met de elfstedentocht voor de schaatsers.
´La
ruta´ wordt wel de zwaarste mountainbike race ter wereld
genoemd, en
waarschijnlijk is dat ook wel zo: 350 km in 3 dagen van de kust van de
stille
oceaan naar de caribische kust, dwars door de prachtige maar
ongenaakbare
natuur van Costa Rica, door nationale parken, oerwoud, rivieren, over
3000 meter
hoge vulkanen, langs boerderijen, door de blubber en over vele
kilometers
spoorlijn, door ananas- en palmolieplantages en ook met heel af en toe
een stuk
asfalt. Hitte, stof, regen, kou, wind,
vlijmscherpe vulkaanstenen, gewone keien, blubber, gevaarlijke
spoorbruggen,
kans op overvallen en berovingen, je kunt het zo gek niet bedenken,
maar deze
tocht heeft alles in zich wat een mountain-biker zich maar kan wensen
als
extreme ultieme uitdaging. Sommigen zeggen dat je wel compleet gek moet
zijn om
je aan deze marteling vrijwillig te onderwerpen, maar ik heb besloten
om het er
maar eens op te wagen. Nu ik 4 jaar in Cost Rica woon en ik al heel wat
mountain bike tochten heb gemaakt denk ik dat ik er klaar voor ben.
Het ontstaan
Ramón
Urbina is een Costa Ricaan
die in de VS heeft gewoond en daar de
smaak te pakken kreeg van extreme outdoor sports. Ruim 12 jaar
geleden
kwam hij op het idee om een tocht van kust naar kust te maken en met
een
groepje vrienden besloot hij deze uitdaging aan te gaan. Langzamerhand
is er
meer bekendheid gekomen rond deze monstertocht en inmiddels is de tocht
uitgegroeid tot een enorm evenement, waaran zo´n 400 mensen
deelnemen.
Mountain-bikers uit de hele wereld komen speciaal naar Costa Rica om
half
November, als de regentijd op zijn eind loopt deze monstertocht te
maken. De
helft is Costa Ricaan, de andere helft komt uit de VS, Canada, Mexico,
Panama,
Perú, Colombia, België (4 Vlamingen dit keer),
Zwitiserland, Duitsland,
Noorwegen en dit jaar dus ook uit Nederland: 2 in totaal.
Volgens Pollo,
de biinaam voor de rechterhand van Ramón) is het dit jaar voor
het eerst dat er
mensen uit Nederland deelnemen. De meeste deelnemers zijn mannen, maar
er zijn
ook een aantal vrouwen bij. (15%) Sinds ´97
doen er ook vrouwen mee, daarvoor was het een pure
mannenaangelegenheid.
<>
En stuk van de folklore van
de Ruta zit hem in het deelnemersveld. Zo rijdt er elk jaar een oude
amerikaanse hippie mee die ergens in Costa Rica als
een soort halve kluizenaar
ver van de bewoonde wereld in de natuur
met zijn gezin woont. Hij rijdt in een afgeknipte spijkerbroek, met
ontbloot
bovenlijf en op sandalen, maar hij rijdt de tocht al jaren uit en oogst
altijd
veel respect van het publiek en organisatoren. Ook is er
een man met eén been die een prothese heeft waardaar hij toch
kan fietsen. Hoe hij door de blubber en afdalingen komt weet ik niet,
maar hij
speelt het klaar. Een ongelofelijke
prestatie.
Net als bij de elfstedentocht
is het voor de meesten al een hele prestatie de tocht uit te rijden,
maar er is
ook een klein groepje dat er een echte wedstrijd van maakt en die de
hele
wereld afreist voor dit soort extreme tochten. Die zag ik alleen aan de
start
natuurlijk, want die reden er als een speer er vandoor.
Nog nooit heeft er bij de mannnen iemand van buiten
de regio gewonnen. 10 keer won er een
costaricaan en eén keer een
Nicaraguaan die tot Tico is genaturaliseerd. Bij de
vrouwen won vorig jaar een Noordamerikaanse.
Voorbereidingen
Ik had flink getraind van te
voren met mijn costaricaanse fietsclubje en had aardig wat stukken van
het
parcours verkend in de weekenden. Toch waren er grote delen die ik nog
niet
kende. Je moet natuurlijk een uitstekende conditie hebben en zorgen dat
je ook
goed material hebt. Ik heb een 4 jaar oude Cannondale met
voorvorkvering, ooit
gekocht bij Snel in Utrecht. Een prima
fietsje, geen top of the bill maar wel een fiets waarmee je
goed uit de
voeten kunt komen en ik heb er al die jaren nog nooit echte problemen
mee gehad
en ik fiets aardig wat af hier. Onzekere factoren blijven er natuurlijk
altijd
te over: hoe is de vorm van de dag, krijg je geen materiaalpech, hoe is
het
weer, etc. Belangrijke tips die ik van mijn costaricaanse fietsmaatsjes
kreeg
waren: zorg dat je elke 15 minuten iets drinkt en eet, let op je
hartslag (niet
boven de 80% van je capaciteit uit want je betaalt de rekening later),
zorg dat
je je ketting goed blijft oliën (vergeet je kettingpons en
reserveketting
niet!) en zorg voor warme kleding en een winddicht jack op de 2e dag
als je de
vulkanen overgaat en tot bijna 3000 meter hoogte komt.
De eerste dag wordt er
vertrokken bij het krieken van de dag iets over 5 uur vanuit
Jacó, een
badplaatsje aan de kust van de stille oceaan. Ruim 400 mountain bikers
nemen
bezit. In de hal van het hotel waar velen overnachtten zie ik iemand
lopen met
een shirt aan van ´van Herwerden´. Ik spreek hem aan, hij
blijkt Koos van
Rangelrooy te heten, een journalist te zijn die voor het blad FIETS een artikel wil schrijven over deze
tocht.
Ook lopen er een viertal Vlamingen rond, en ik raak aan de praat met
Jan Geys,
Filip Claes, Stij Delagaye en Bart de Schampheleire uit Gent en Sint
Job in ´t
Goor. Voor ons allemaal is het de eerste keer dat we meedoen en we zijn
in
gespannen afwachting van wat komen gaat.
Onder de klanken van de
rockkraker ´I was made for loving you ´ (toepasselijk?)
wordt het startschot
gegeven voor de 12e editie van la Ruta. Zullen we van la Ruta
gaan houden?
Over
3 dagen weten we het antwoord.
Eerst een klein stukje asfalt en dan gaat het al snel omhoog, het
oerwoud en
nationale park Carara in, berucht vanwege de blubber (en de giftige
slangen,
maar die zullen we vast niet zien).

De blubber van Carara
De
eerste dag is altijd de dag waarop het grootste aantal
mensen uitvalt. De blubber van Carara en de verzengende hitte van het
droge
laagland als je het oerwoud van Carara uitkomt
zijn de traditionele scherprechters van deze dag. Wie de eerste
dag
doorkomt, rijdt de tocht meestal wel uit, is de ijzeren wet van la
Ruta.
Meestal, want ook de 2e en 3e dag stappen er mensen af en het
uitvalpercentage
van la Ruta is hoog: meestal rond de
25%.
Van
de zon hebben we in de vroege ochtend nog geen last: het
bladerdek houdt de stralen lange tijd van de ochtend goed tegen. De zonnebril
hoeft niet op en ik stop die in mijn
shirt. Stom, want later zal ik die verliezen tijdens een hobbelige
afdaling. Je
ziet sowieso voortdurend van alles langs de weg liggen van spullen die
mensen
verliezen door het gehobbel: bidons vooral, maar ook bandenplaksetjes,
bananen,
mueslirepen, en fietspompjes. Uitgerolde binnenbanden langs de weg zijn
stille
getuigen van een reparatie die uitgevoerd is.
Een langgerekte stoet
kleurrijke fietsers trekt het oerwoud in en iedereen gaat in gevecht
tegen de
zwaartekracht. Al gauw komen de eerste stukken blubber. Soms moet je
van je
fiets omdat er geen doorkomen meer aan is. In de afdaling kun je soms
skieënd
naar beneden, waarbij de remmen volledig blokkeren door de rode aarde
die zich
vastzet op de remblokjes. Schijfremmen zijn in principe handiger voor
dit soort
blubberige stukken maar ook hier zul je moeten lopen als je high-tech
schijfremmen hebt, want aan de blubber van Carara helpt geen
moedertjelief.
Geregeld zie ik mensen vallen en ook kom ik al de eerste fietsers tegen
die een
gebroken ketting hebben en hulpeloos met een kettingponsje in het
oerwoud aan
de weer zijn. Geregeld moeten we door verfrissende bergbeekjes,
sommigen nemen
de gelegenheid te baat om de fiets schoon te maken en te ontdoen van de
ergste
blubber. Even later zit de fiets weer
onder. Veel kilometers moeten gelopen worden met de fiets op de rug
over
glibberige paadjes omhoog. Via de plaatselijke fietsenboer bij mij uit
het dorp
Santa Ana bij de hoofdstad San José in de buurt (Ciclo
Guïlly, sprek uit als
Willy op zijn Helmonds) heb ik een servicepakket genomen waarbij hij
aan de
finish klaar staat en mijn fiets weer zal opkalefateren voor de
volgende dag.
Maar eerst moet ik nog heelhuids over de streep komen en zorgen dat die
ketting
van me -die voortdurend vastloopt- weer op gang komt. Mijn fietsmaatje
Goñi die
met me opfietst brengt gelukkig uitkomst en helpt me in de ergste
blubber van
Carara uit de brand. Geduldig kijkt hij naar mijn vastgelopen ketting,
spoelt
de ergste drek eraf en gooit olie uit zijn magische flesje op de
belangrijkste
onderdelen en adviseert me: ´Hay que chinear la guila,
mae´. Mijn
Cannondale kan er weer tegen en verder gaat het, door de blubber van
Carara.
Na een paar uur door deze hel
van blubber gebanjerd te hebben over smalle oerwoudpaadjes komt er
eindelijk
licht aan het einde van deze groene tunnel. Bij de eerste controlepost
kun je
eten (bananen, papaya, watermeloen, power bars, muffins, pinda´s,
broodjes) en
ook veel drinken: water, gatorade en red bull.
De rest van de dag voert de fietsers door een landschap waar het
oerwoud
heeft plaatsgemaakt voor weilanden, akkers, bosschages en kleine
dorpjes.
Iedereen is uitgelopen om dit spektakel te zien en vele mensen staan
klaar met
de tuinslang om de fietsers verkoeling te bieden. Op sommige punten staan
vrienden
en familieleden klaar om de fietsers te voorzien van eten en drinken.
Ook mijn
vrienden staan langs de kant en helpen me met de nodige logistieke
ondersteuning.
De hitte van het laagland
Na
de hel van Carara en de blubber is het nu de zon die de grootste vijand
is. In de
verzengende hitte gaat het omhoog, omlaag en weer omhoog en weer
omlaag
en weer omhoog etc. Het gaat maar door.
Een ontelbare hoeveelheid heuvels moeten genomen worden met
hellingen
waar je met de grootste moeite op het kleinste verzet nog maar net
omhoog kunt
komen. Dit stuk van de route ken ik van mijn trainingsritjes. Het zijn
weggetjes waar je ook met de auto kunt komen, ze zijn erg steil, maar
wel te
doen en de afdalingen zijn niet te gevaarlijk en door flinke vaart te
maken kun
je soms aardig omhoog de volgende helling opkomen. Ik weet dat er geen
blubber
meer komt en dat mijn ketting het zal kunnen halen (en ik ook , als ik
tenmiste
mijn krachten goed weet te verdelen) Ik verlies heel wat vocht, maar
zorg er
goed voor dat ik blijf eten en drinken en ik kom uiteindelijk rond 3
uur ´s
middags in de eindbestemming Atenas aan. Moe, maar gelukkig niet
volledig
gesloopt. Met de
vrachtwagen van Guïlly rijd ik naar Santa Ana.
Uiteindelijk zal ik de 100 km
na bijna 9 en een half uur met een gemiddeld van bijna 11 km per uur
finishen. Ik kom als 191e
van de 344 deelnemers over de streep maar
eerlijk gezegd interesseert met de plek in de rangschikking weinig; ik
heb de
eerste dag overleefd en daar ging het vandaag om. 11% van de deelnemers
is al
uitgevallen, en daaronder zit ook de enige andere Nederlander Koos van
Rangelrooy die ik de volgende dag langs de route als toeschouwer
tegenkom. Hij
is
afgestapt in de hel van Carara. De 4 Vlamingen halen de eindstreep wel
voorzover ik kan nagaan.

De vulkanen op
De
tweede dag staat in het teken van de beklimming (en
afdaling!) van 2 vulkanen: de Irazú en de Turrialba. De Irazú is vanuit San José te
zien, de
Turrialba ligt er net achter. De Irazú is de hoogste vulkaan van
Costa Rica met
3450 m. En de Turrialba is slechts ietsje lager. De top van
beide bergen is een maanlandschap a la Mont Ventoux en het
kan er even hard spoken met regen, wind en kou. De Turrialba is zelfs
nog een
actieve vulkaan.>
Vandaag is het zonnig en
helder weer en dat is een enorme meevaller, want het kan echt vreselijk
tekeer
gaan op die bergen en je vingers kunnen er bijna afvriezen als het
regent in de
afdaling. Maar de weergoden zijn ons
gunstig gezind en onder een stralende zon gaan we op pad om 7 uur
´s ochtends.
<>Vertrek
is uit het centrum
van San José. Aan de start maak ik een praatje met bekende en
onbekende
fietsers. Koos zie ik niet, de Vlamingen wel. Mijn fietsclubje is
inmiddels
aardig uitgedund want van de 6 gestarten heeft slechts de helft de
eerste dag
overleefd: drie zijn er dus op de eerste dag mee gestopt. Slechts Omar,
een
vreselijke tempobeul met 100 kilo schoon aan de haak die altijd tot de
laatste
snok gaat op ons vaste trainingsplekje op een stil stukje vlakke
autobaan op de
woensdagochtend, en Goñi, de stilist van mijn fietsculbje die
muisstil op zijn
fietsje zit en technisch heel verzorgd rijdt, hebben de hel van Carara
overleefd. De drie
andere trainingsmaatjes van me: veteraan Mario, de jongere Lothar en de
praatgrage Fofo, zijn dus allemaal afgestapt. Mario heeft
kotsend opgegeven in Atenas, vlak voor de finish. Hij doet
al jaren mee aan la Ruta en is echt een geoefende fietser maar de hitte
van de
eerste dag speelt hem altijd parten.>
Het eerste half uur rijden we
in een lang lint door de stad en de buitenwijken van San José
over asfalt,
nagestaard en aangemoedigd door velen. Meteen buiten de stad
begint de
helling van de vulkaan en de klim is meteen fors, ik schat zo´n
12% of zo. We moeten een hoogteverschil van 1800 meter overbruggen
tot de top van de route, deels over asfalt, deels over onverharde
weggetjes.
Vrijwel alles is berijdbaar met de fiets, met uitzondering van een
stukje
landweg dat heel diep is uitgesleten door de regens en waar de fiets op
de
schouder moet. Naarmate we hoger komen
wordt het kouder en winderiger en ik doe mijn windjack en armstukken
aan. Je rijdt gelukkig nooit echt alleen, maar je moet ook niet proberen je te laten
meeslepen door het tempo van een ander. Afgezien van het begin wordt er
niet
veel in groepjes gereden, daar leent het terrein zich ook niet voor, al
zijn er
wel clubjes van 4 á 6 mensen die bij elkaar rijden. Rustig je
eigen race
rijden, niet forceren, op je hartslag letten en op tijd eten en drinken
is het
motto. Ik probeer niet boven de 140 uit te komen met mijn hartslag, af
en toe
op hele steile stukken zit hij op 153 maar dat is eigenlijk teveel.
Onderweg
haal ik het groepje Vlamingen in.
De Red Bull doet wonderen! Na een
paar uur
klimmen met de laatste 8 km over asfalt met veel mensen langs de kant
die
iedereen aanmoedigen bereik ik het hoogste punt, vlak onder de top van
de
vulkaan op 2900 m. Ik stop bij de
controlepost en ga even bunkeren want ik zit tegen een hongerplof aan
en
voordat de afdaling naar de Turrialba-vulkaan begint wil ik een beetje
op
krachten komen. De speciaal door Guïlly aanbevolen mierzoete
honing power-gel
doet wonderen en ik voel mijn krachten weer langzaam
terug komen. Op het hoogste punt verlaten we
het asfalt en begint de afdaling door een gebied dan onlangs is verzakt
als
gevolg van de vele hevige regens. Een paar keer is de weg afgesloten en
moeten
we met de fiets op de nek door de landverschuivingen klauteren. Daarna
begint
een stuk afdaling met hele grote, losliggende en scherpe vulkaanstenen.
Uitkijken geblazen in de afdaling want voordat je het weet lig je en is
je Ruta
voorbij. Ik ben met mijn 47 jaar niet zo´n held in de afdaling en
wordt
geregeld voorbij gespurd door jongere kamikazepiloten die met veel lef
de
uitdaging van het downhillen aangaan. Prima, maar ik doe het
liever wat
rustiger aan en neem geen risico´s. Een paar jaar geleden heb ik
een keer mijn
sleutelbeen gebroken bij een valpartij (op de racefiets) en ik merk dat
ik toch
nog steeds bang ben om te vallen. Af en toe stop ik om mijn polsen en
armen
rust te gunnen, die namelijk vreselijk door elkaar worden getrild Na een paar uur kom ik op een soort zadel
terecht tussen de 2 vulkanen op 2500 m. Daar begint de klim naar de top
van de
Turrialba-vulkaan die af en toe in de wolken zit. Vlak onder de top op
2750 m.
buigt de weg af naar de vallei waar het plaatsje Turrialba ruim 2100
(!) meter
lager ligt. Het lijkt wel of ik in een vliegtuig zit; het uitzicht is
ongelofelijk mooi en de natuur is overweldigend: alles is groen en niet
voor
niets wordt Costa Rica wel het Zwitserland van Midden Amerika genoemd.
Wel, in
deze streek klopt dat wel, want het ziet er erg lieflijk en Europees
uit vanuit
de hoogte met al die weilanden en koeien die daar vredig aan het grazen
zijn en
voor de beste kaas van het land zorgen.
Maar de afdaling is minder
lieflijk als
het landschap oogt: vooral in het eerste en steilste gedeelte is het
een
kilometers lang traject met stenen, stenen en nog eens stenen waar je
gemakkelijk je nek op kunt breken. Een pad is het haast niet te noemen
en veel
fietsers stappen ook af en lopen naar beneden, behalve de echte
waaghalzen en
experts die fluitend over dit maanlandschap crossen en zich niets van
al die
messcherpe vulkaanstenen aantrekken. Na
een uur dalen word ik haast gek van al die losliggende vulkaanstenen.
Vooral
hoog op de berg liggen er heel veel en het vereist erg veel
concentratie en
kracht om dit vol te kunnen houden. Ik stop dan ook weer regelmatig,
rust even
uit, masseer mijn polsen en handen en ga dan weer verder.
Na een paar uur is het ergste voorbij en
begint de afdaling wat normalere properties aan te nemen en kan ik weer
kilometers maken en ik hoef niet voortdurend af te stappen om bij te
komen.
Vlak voor de aankomst dalen we prachtig af door een enorme
koffieplantage en
uiteindelijk kom ik na bijna zeven en een half vuur en 100 km fietsen
aan in
een voorstadje van Turrialba waar het zonnetje nog altijd lekker
schijnt. De
tweede dag zit erop, wederom geen druppel regen gehad en ik doe nog
altijd mee.
Ik ben natuurlijk wel moe en begin mijn zitvlak goed te voelen maar ik
heb
goede hoop dat ik het ook de derde dag zo kan volhouden. De blubber
van gisteren en de vulkaanstenen van vandaag waren de grootste vijanden
totnogtoe, maar beide hindernissen heb ik goed doorstaan. Onmiddellijk
na
aankomst neemt de equipe van Ciclo Guïlly mijn fiets over en wordt
deze aan een
onderhouds- en inspectiebeurt onderworpen. Olie wordt
gesmeerd op de vitale onderdelen en morgenochtend zal
mijn fiets weer piekfijn voor me klaarstaan
bij de start. Mijn partner Annette is zo lief me op te halen, samen met
haar
collega Mieke en ze brengen me naar mijn hotelletje in Turrialba, vlak
bij de
start van de derde en laatste etappe van morgen. Ik neem een warme
douche en
duik mijn bed in om uit te rusten.

De laatste dag
De
derde en laatste dag kondigt zich aan met regen. ´s
Nachts word ik wakker van een tropische hoosbui die
zich boven Turrialba ontlaadt. Omdat we al flink laag zitten (600 m) is
het
niet zo koud als het regent en is het eigenlijk wel lekker afkoelend.
Om 7 uur
startten we iets buiten Turrialba op een rustige asfaltweg. Inmiddels
is de
regen opgehouden en is het half bewolkt, met een zonnetje ertussendoor. Dit is een gedeelte van de Ruta dat ik nog
niet ken en ik probeer van mensen als Omar en Goñi die dit al
vaker gereden
hebben te weten te komen wat ons nu weer te wachten staat. De grootste
hindernissen hier zijn een blubberpassage waar je zo´n half uur
je fiets moet
tillen en een klim die de fraaie naam ´la Alegría´
heeft. De vreugde zal hem dan vooral wel zitten in het feit dat je dan
de
laatste klim achter de rug hebt en het verder alleen nog maar afdalen
en vlak
rijden is door het tropische laagland. Omar heeft me ook gewaarschuwd
voor het
traject met de spoorrails. Daar moet je tussen de rails rijden, soms
liggen er
stenen maar die zijn nooit goed aangestampt waardoor je tempo moet
houden om
niet de macht over het stuur te verliezen en lelijk kunt vallen op de
rails en
soms liggen er geen of te weinig stenen waardoor je helemaal door
elkaar
geschud wordt. Dat is eigenlijk het enige traject waar je meer hebt aan
een ´doble
suspe´, een fiets met vóor- en achtervering. (Mijn
fiets heeft alleen een
verende voorvork). Ook wordt er gewaarschuwd voor de vele bruggen, waar
je over
de spoorbielsen moet balanceren terwijl onder je de ruwstromende
ijskoude
bergrivieren voorbijstromen. En tot slot is er nog een speciaal lokaal
gevaar:
in het verleden is het geregeld voorgekomen dat fietsers overvallen
zijn in de
uitgestrekte oliepalmplantages van het tropische laagland, waar de
werkloosheid
hoog is en de sociale problematiek schrijnend.
Er wordt aangeraden om daar altijd in een groepje te rijden om
het
risico van een overval te verminderen. Tsja, als je op een mountain
bike rijdt
met een dagwaarde waar de gemiddelde Tico
een heel jaar voor moet werken is de verleiding groot om zo´n
karretje te
bemachtigen van een rijke ´gringo´.
En tenslotte raadt de koersdirectie bij de start per megafoon aan om
ook geen
fiets af te geven aan ´behulpzame´ lokale jongetjes die hun
oversteek-diensten
bij de moeilijk te passeren bruggen en rivieren aanbieden. Die kunnen
er n.l.
wel eens met je fiets vandoor gaan. Dag 1 stond in het teken van de
blubber,
dag 2 waren het de vulkaanstenen in de
afdaling en dag 3 heeft dus ook zo zijn eigen uitdagingen! De etappe
van vandaag is de langste met 150 km. De
eerste 2 dagen was telkens 100 km elk.>

La Alegria
Het
startschot valt en we
beginnen aan de 15 km lange klim over het asfalt. Ik zie de
wedstrijdrijders
als een speer wegrijden de helling op. De weg is niet al te steil, ik
voel me
uitstekend en klim lekker omhoog. Ik hou
niet zo van die hele steile beklimmingen (boven de 10%) en dit is
duidelijk
meer mijn terrein met mijn gewicht van 80 kilo. Ik haal de Vlamingen,
Goñi en
zelfs de hulk Omar in en begin de gevreesde afdaling door het
blubbertraject,
maar tot mijn vreugde is het daar al tijden kurkdroog geweest en in een
stoffige omgeving daal ik razendsnel af naar een hangbrug waar je
fietsend
overheen kunt. Daarna begint de eerste klim. Omar heeft me ondertussen
al
ingehaald in die afdaling en ik verwacht hem niet meer te zien. Maar
toen ik
een half uurtje of zo lekker aan het kllimmen en zweten was zag ik
ineens het
shirt van Omar voor me. Had hij een slechte dag of was ik echt zo
lekker aan
het klimmen? Mijn hartslag zat niet in het rood en ik reed continue
138-143.
Omar staat 10e in de algemene rangschikking van 80 deelnemers in onze
categorie
van 40-50 jaar en ikzelf stond na de tweede dag 29e. Ik besloot maar
eens een
tijdje in Omar´s wiel te gaan hangen en stenen te gaan tellen en
als ik me
voelde gaan forceren zou ik hem laten gaan. Maar ik kon tot mijn eigen
verbazing het tempo goed bijhouden en vlak voor de eerste controlepost
reed ik
hem zelfs even uit mijn wiel. Ik stopte bij de controlepost en deed me
tegoed
aan de Gatorade, de bananen en de papaya´s. Maar Omar stopt
nooit, hij laat
zich bevoorraden door zijn vrouw vanuit zijn prachtige 4x4 terreinwagen
dus
toen ik even had geravitailleerd was ik hem meteen weer kwijt. In de
afdaling
probeerde ik weer bij hem in de buurt te komen. Eerst was er een lang
stuk
onverharde weg en later kwam er een prachtig stuk asfalt waar ik wel 70
km
haalde op mijn mountain bike. Toen we weer gingen klimmen over een
onverharde
weg op weg naar la Alegría zag ik Omar in de verte ploeteren. Ik
besloot rustig
mijn eigen tempo te rijden maar hield hem wel in het vizier en langzaam
maar
zeker kwam ik bij hem. Zijn stijl is
niet echt fraai, hij stoempt als en knipmes omhoog en je vraagt je soms
af hoe
lang zijn fiets dit zal volhouden maar effectief is het wel want hij is
een
ongelofelijk krachtmens. Langzamerhand kwam ik
dichterbij en in de laatste 3
km klimmen van la Alegría reden we samen op. Ik kreeg wat
cola van zijn helpers en ik nam brutaal de kop over.
Op de top was er weer een ravitaillering en
weer reed Omar door en weer kon ik er na mijn etenspauze achteraan
kachelen.
Ook nu was er een fraaie afdaling over asfalt en we reden nu echt de
laagvlakte
in. In de verte kon je zelfs de caribische zee zien liggen, ook al was
die nog
100 km ver weg, zo helder was het. Ik
kon aanklampen bij een renner die ´s ochtends ook al bij de start
ongeveer
hetzelfde tempo omhoog reed als ik. Het was een Tico die goed tempo kon
maken
in de langzame afdaling en kop over kop reden we geleidelijk richting
Omar. De
teller wees rond de 50 aan.>
Het laagland in
En
toen begon de gevreesde laagvlakte. Het bedrieglijke van
dat deel is dat je denkt dat je er bijna bent maar dat je qua
kilometers nog
100 km moet en dat je hele stukken hebt waar je niet opschiet door de
treinrails en de bruggen. Na een tijdje stiefelen door de laagvlakte
waar het
bewolkt en daardoor niet té warm was, kregen we Omar in het
vizier en we
klampten aan bij hem en zijn clubje. Er
hadden zich inmiddels groepjes gevormd om de lokale gevaren te
weerstaan. Bij
de eerste brug waar we lopend overmoesten kon je gaan bepalen hoe je
dat wilde
doen: de fiets kon je niet aan je hand meenemen en duwen: je moest hem
tillen,
maar hoe? onder je arm, op je schouder
of op je nek? Ik heb alle technieken geprobeerd en voor kleine korte
bruggetjes
til ik de fiets het liefst gewoon even op met mijn arm, voor de langere
bruggen
heb ik hem het liefst op mijn schouder (stuk schuimrubber mee!) en voor
de echt
halsbrekende capriolen wil ik mijn fiets het liefst op mijn rug/half in
mijn
nek.
Afijn, de houten bielzen
waren gelukkig niet al te glad en trippelend van biels naar biels
(nooit naar
beneden kijken naar wat er onder die bielzen zit in de diepte!) ging
het aardig
snel. De bielzen lagen gem. op 40 cm van
elkaar, soms zelfs ietsjes verder en daartussen was helemaal niets,
alleen een
gat waar je in kon verdwijnen.>
Vorige week waren er hier nog
overstromingen in dit gebied door ernstige regenval en onderweg kwamen
een
ploeg railwerkers tegen die met man en macht bezig waren een stuk rails
te
repareren. De
provisorische bielsen waren van staal en beton, erg smal
en lagen heel ver uit elkaar. Ik schat
dat ze wel op zo´n 90-100 cm uit elkaar lagen en je moest dus
heel goed mikken
om niet een rotsmak in de diepte te maken. De wegwerkers stonden erbij
en
moedigden je aan maar erg jofel was het toch niet. Gelukkig lukte het
me zonder
problemen die grote stappen te maken maar ik vroeg me wel af hoe mensen
dat
moesten doen die niet gezegend waren met een lengte van 1.90 m zoals ik.>

De spoorrails
Ik reed die vlakte door in
een groepje met Omar maar voelde me eigenlijk zo sterk dat ik op een
gegeven
moment van dat groepje weg besloot te rijden in het spoor van een ander
groepje
mee. Ze reden een lekker tempo en ik kon goed meekomen en onder het
motto: ´lange halen, vroeg
thuis´ kachelde ik op de
grote plaat door het laagland. Op een gegeven moment na een uurtje of
zo reden
ze me toch net effe iets te hard en ik besloot ze te laten gaan. Er
reden
aardig wat mensen daar op dat traject en ik reed even alleen in
afwachting van
een ander groepje dat me ongetwijfeld snel achterop zou komen. Het
paard rook
de stal, maar toen sloeg het noodlot toe: een lekke band in the middle
of
nowhere. Geen nood, ik had alles bij me, maar bij het vervangen van de
binnenband zag ik dat de buitenband aan gort was. En ik had nog wel
speciaal
voor de Ruta een nieuwe set gekocht! De binnenband kwam iets naar
buiten en ik
wist dat je daar niet Limón mee kon halen. Dat was zeker gebeurd
in dat traject
over het spoor waar grote dikke stenen erg los lagen en je hard moest
ploegen
om vooruit te komen. Tot overmaat van ramp kwamen er ook nog 2 duistere
lokale
types aangefietst of fietsjes waar ik nog geen dubbeltje voor zou geven
en die
naar mijn smaak iets te nieuwsgierig kwamen kijken naar wat er met die gringo
op zijn mooie mountain bike aan de hand was daar in de bush-bush.
Gelukkig kwam
Eduardo op dat moment langs, een
fietsmaatje van me dat stopte en ik verzocht hem (in het engels!) om
bij me te
blijven omdat ik de boel niet vertrouwde. Hij bevestigde mijn
argwaan en zei
dat we bij elkaar moesten blijven. Even
later reden we gezamenlijk weer verder, onze locale fietsers
achterlatend, maar ik wist dat deze band
het niet zou
houden in de 30 of 40 km die me nog restte van de finish in Playa
Bonita in
Limón.
Ik had al verschillende
stukken
spoorrails gehad maar het ergste stuk moest nog komen: een lang
kaarsrecht stuk
spoorrails v an 15 km. dwars door een moeras met palmolieplantages. Qua
variatie in landschap even afwisselend als de Flevopolder. En ja hoor,
daar
kreeg ik mijn tweede lekke band en tot overmaat van ramp begon het ook
nog te
regenen. En als het in de tropen regent kan het ook lekker hard
regenen. Niets
aan te doen, ik probeerde mijn mobieltje te gebruiken maar in dat
geïsoleerde
gebied was geen signaal. Lopen dus, er zat niets anders op. En met de
fiets aan
de hand liep ik daar door het laagland. Omdat het was gaan hozen deed
mijn
kilometerteller het ook niet meer dus ik kon ook niet precies nagaan
hoe ver
het nog was. Geregeld moest ik met mijn fiets van het spoor om de
voortploeterende fietsers als Omar die me achterop reden er langs te
laten
gaan. Iedereen vroeg wel of ze iets voor me konden doen, maar het enige
dat me
kon helpen was een reservebuitenband en die had niemand bij zich. Ik
had
inmiddels wel tegen een paar fietsers gezegd dat ze maar tegen
Guïlly moesten
zeggen wat er met mijn fiets aan de hand was, maar het kon nog wel
enkele uren
duren voordat er een oplossing in zicht kwam want ik moest eerst dat
moeras uit
lopen voor ik weer in de bewoonde wereld zou komen. De Wet van
Murphy in optima forma. En zo liep
ik uren en uren door die saaie
palmbomenplantage over die $%·&”$”&$ spoorrails. De
enige afwisseling
werd gevormd door de ontelbare kleine bruggetjes die je moest nemen en
de vele
fietsers die me achterop kwamen en waar ik voor moest uitwijken. Mijn
mobieltje
was inmiddels ook kapot en natgeregend. Murphy strikes again.>
Na een paar uur lopen kwam
ik eindelijk in de bewoonde wereld: bij
het strand en bij een controlepost. Ik kon daar gelukkig bellen via de
telefoon
van een medewerker en ik kon Annette bereiken die 15 km. verder bij de
finish
was. Ze ging op zoek naar Guïlly en zijn equipe en zou me proberen
tegemoet te
rijden met de reservebanden in onze jeep. Ondertussen bleef ik maar
doorlopen, inmiddels gelukkig niet meer
over de rails maar over een zand-modderpad tussen de rails en het
strand. In de
verte kon ik de haven van Limón zien liggen en ik wist dat ik
-zelfs al zou ik
het hele laatste stuk moeten blijven lopen-
ik voór donker en vóor de sluiting van de controle
bij de finish de
eindstreep zou moeten kunnen halen en dat geeft de fietser moed. Af en
toe
moest ik kniediep door de blubber en het water waden maar ik kwam al
dichter
bij de bewoonde wereld. Een uurtje lopen na de controlepost zag ik in
de
horizon een mannetje op de rails staan in het gifgroene Ciclo
Guïlly-shirtje.
Ik wist dat dit mijn redding moest zijn en jawel hoor, daar was Annette
met de
auto van ons en daar stond Hans, een maatje van Guïlly met
reserveband en 2
binnenbanden klaar. Vliegensvlug zette hij mijn fiets weer in elkaar en
ik kon
weer doorrijden! Ongelofelijk, wat was ik opgelucht en blij en ik ging
weer op
pad. De eerste kilometers moest ik nog over de rails want de weg was te
nat en
het water kwam te hoog en je fiets kwam volledig vast te zitten. Ik
snapte niet
hoe Annette het gelukt was om daar met de jeep door te komen. Geleidelijk
aan kwamen de buitenwijken en haven van Limón in zicht en kon ik
de
vermaledijde spoorrails verlaten. Nog
even mijn ketting oliën en de laatste kilometers konden beginnen.
Eerst nog een
stuk blubber maar langzamerhand werd de weg beter en het laatste stuk
was zelfs
weer asfalt.
De finish!
Na
8 uur en 32 minuten kwam ik over de finish. Ik had het
gehaald, ik heb de Ruta de los Conquistadores gereden! In total heb ik over de 350 km. 25 uur , 25 minuten en 16
seconden gedaan en daarmee ben ik 183e van de 275 gefinishten in de
algemene
eindrangschiking geworden. Goñi bleef ik daarmee zelfs nog ruim
voor. Omar werd uiteindelijk 79e. In
mijn categorie 40-49 jaar werd ik 33e van
de 60 gefinishten, met 25% uitval want er waren 80 mannen in mijn groep
gestart. Omar werd 9e in mijn groep.>
De
andere Nederlander Koos reed de laatste etappe wel uit:
hij finishte ruim 2 uur na mij die dag.
Het
zit erop. Ik kan met recht en vol trots zeggen dat ik de Ruta de los
Conquistadores heb volbracht!
Annette haalde me liefdevol
op en na een duik in zee en een bord caribische ´rice ´n
beans´ stapte
ik zeer tevreden in de auto terug naar huis.
Nog even wat statistieken (www.adventurerace.com of www.ticomania.com)
Bij
de vrouwen startten 27
vrouwen, waarvan er 21 de finish haalden. (22% uitval) Net als vorig
jaar won
de Noord-Amerikaanse Louise Kobin onbedreigd met in 18:47:01.
>
275
mannen hebben la Ruta uitgereden. 74 zijn er
afgestapt (21% uitval.) >
Bij
de mannen won Paolo Montoya (uit Santa Ana) in 14.37.40.
Paolo is de 19e-jarige zoon van een oud dubbelvoudige Ruta-winnaar. Op de tweede
dag werd hij voorbijgereden door Jonathan
Ramírez (ook een Tico) maar die reed
verkeerd in de afdaling en werd gediskwalificeerd door de jury.>
Beste Belg was Jan Geys, die
148e werd in de eindrangschikking.>
Beste Nederlander was
ondergetekende, met een 183e plek.>

Tot slot
Kun
je zo´n tocht nou aanraden ook te doen? Nou, dan moet je
wel in een hele goede conditie zijn, een goede fiets hebben en de
nodige
voorbereidingen treffen, door je bv. bij een groepje aan te sluiten
waarbij de
technische assistentie is geregeld, zoals ik deed bij Ciclo Guïlly. Het
leukste is het natuurlijk als je het met een stel vrienden doet zoals
die
Vlamingen. Hun
vriendinnen hadden een auto gehuurd en stonden langs de
kant. Als je spaans kent wordt het ook een
stuk leuker. De sfeer is overigens erg kameraadschappelijk en iedereen
is de
vriendelijkheid en behulpzaamheid zelve. Als je het vanuit Nederland
regelt
kost het je natuurlijk een flink bedrag voor de vliegreis,
inschrijving,
verblijf en wat niet al. De Vlamingen
vlogen met United Airlines, waar de fiets gratis mee kon. Bij Martinair
moet je
daar apart voor betalen.
>
Ik heb natuurlijk het geluk
dat ik hier woon in dit prachtige land en in de loop der jaren aardig
wat
fietsvrienden heb gevonden en aardig ben ingeburgerd. Wel moet je als
je het
lokaal regelt een startbewijs verdienen door mee te doen aan de
pre-ruta, een
mountain bike tocht van eén dag die ook geen kattepis is en die
een maand voor de echte Ruta wordt
gehouden.
San
José, Costa Rica
Erik Nijland
erikanna@correo.co.cr