Erik in aktie

La Ruta

La Ruta, oftewel la Ruta de los Conquistadores [1].  Voor de echte mountain bike liefhebber is dit een magisch en welhaast mythisch begrip, bijna vergelijkbaar met de elfstedentocht voor de schaatsers. ´La ruta´ wordt wel de zwaarste mountainbike race ter wereld genoemd, en waarschijnlijk is dat ook wel zo: 350 km in 3 dagen van de kust van de stille oceaan naar de caribische kust, dwars door de prachtige maar ongenaakbare natuur van Costa Rica, door nationale parken, oerwoud, rivieren, over 3000 meter hoge vulkanen, langs boerderijen, door de blubber en over vele kilometers spoorlijn, door ananas- en palmolieplantages en ook met heel af en toe een stuk asfalt.  Hitte, stof, regen, kou, wind, vlijmscherpe vulkaanstenen, gewone keien, blubber, gevaarlijke spoorbruggen, kans op overvallen en berovingen, je kunt het zo gek niet bedenken, maar deze tocht heeft alles in zich wat een mountain-biker zich maar kan wensen als extreme ultieme uitdaging. Sommigen zeggen dat je wel compleet gek moet zijn om je aan deze marteling vrijwillig te onderwerpen, maar ik heb besloten om het er maar eens op te wagen. Nu ik 4 jaar in Cost Rica woon en ik al heel wat mountain bike tochten heb gemaakt denk ik dat ik er klaar voor ben.

 

Het ontstaan

Ramón Urbina is een Costa Ricaan die in de VS heeft gewoond en daar  de smaak te pakken kreeg van extreme outdoor sports. Ruim 12 jaar geleden kwam hij op het idee om een tocht van kust naar kust te maken en met een groepje vrienden besloot hij deze uitdaging aan te gaan. Langzamerhand is er meer bekendheid gekomen rond deze monstertocht en inmiddels is de tocht uitgegroeid tot een enorm evenement, waaran zo´n 400 mensen deelnemen. Mountain-bikers uit de hele wereld komen speciaal naar Costa Rica om half November, als de regentijd op zijn eind loopt deze monstertocht te maken. De helft is Costa Ricaan, de andere helft komt uit de VS, Canada, Mexico, Panama, Perú, Colombia, België (4 Vlamingen dit keer), Zwitiserland, Duitsland, Noorwegen en dit jaar dus ook uit Nederland: 2 in totaal.  Volgens Pollo[2], de biinaam voor de rechterhand van Ramón) is het dit jaar voor het eerst dat er mensen uit Nederland deelnemen. De meeste deelnemers zijn mannen, maar er zijn ook een aantal vrouwen bij. (15%) Sinds ´97  doen er ook vrouwen mee, daarvoor was het een pure mannenaangelegenheid. <> 

En stuk van de folklore van de Ruta zit hem in het deelnemersveld. Zo rijdt er elk jaar een oude amerikaanse hippie mee die
ergens in Costa Rica als een soort halve kluizenaar ver van de bewoonde  wereld in de natuur met zijn gezin woont. Hij rijdt in een afgeknipte spijkerbroek, met ontbloot bovenlijf en op sandalen, maar hij rijdt de tocht al jaren uit en oogst altijd veel respect van het publiek en organisatoren. Ook is er een man met eén been die een prothese heeft waardaar hij toch kan fietsen. Hoe hij door de blubber en afdalingen komt weet ik niet, maar hij speelt het klaar.  Een ongelofelijke prestatie.  

Net als bij de elfstedentocht is het voor de meesten al een hele prestatie de tocht uit te rijden, maar er is ook een klein groepje dat er een echte wedstrijd van maakt en die de hele wereld afreist voor dit soort extreme tochten. Die zag ik alleen aan de start natuurlijk, want die reden er als een speer er vandoor.  Nog nooit heeft er bij de mannnen iemand van buiten de regio gewonnen.
10 keer won er een costaricaan en eén keer een Nicaraguaan die tot Tico is genaturaliseerd. Bij de vrouwen won vorig jaar een Noordamerikaanse.

 

Voorbereidingen

 
Ik had flink getraind van te voren met mijn costaricaanse fietsclubje en had aardig wat stukken van het parcours verkend in de weekenden. Toch waren er grote delen die ik nog niet kende. Je moet natuurlijk een uitstekende conditie hebben en zorgen dat je ook goed material hebt. Ik heb een 4 jaar oude Cannondale met voorvorkvering, ooit gekocht bij Snel in Utrecht.  Een prima fietsje, geen top of the bill maar wel een fiets waarmee je goed uit de voeten kunt komen en ik heb er al die jaren nog nooit echte problemen mee gehad en ik fiets aardig wat af hier. Onzekere factoren blijven er natuurlijk altijd te over: hoe is de vorm van de dag, krijg je geen materiaalpech, hoe is het weer, etc. Belangrijke tips die ik van mijn costaricaanse fietsmaatsjes kreeg waren: zorg dat je elke 15 minuten iets drinkt en eet, let op je hartslag (niet boven de 80% van je capaciteit uit want je betaalt de rekening later), zorg dat je je ketting goed blijft oliën (vergeet je kettingpons en reserveketting niet!) en zorg voor warme kleding en een winddicht jack op de 2e dag als je de vulkanen overgaat en tot bijna 3000 meter hoogte  komt.

 

De eerste dag wordt er vertrokken bij het krieken van de dag iets over 5 uur vanuit Jacó, een badplaatsje aan de kust van de stille oceaan. Ruim 400 mountain bikers nemen bezit. In de hal van het hotel waar velen overnachtten zie ik iemand lopen met een shirt aan van ´van Herwerden´. Ik spreek hem aan, hij blijkt Koos van Rangelrooy te heten, een journalist te zijn die voor het blad  FIETS een artikel wil schrijven over deze tocht. Ook lopen er een viertal Vlamingen rond, en ik raak aan de praat met Jan Geys, Filip Claes, Stij Delagaye en Bart de Schampheleire uit Gent en Sint Job in ´t Goor. Voor ons allemaal is het de eerste keer dat we meedoen en we zijn in gespannen afwachting van wat komen gaat.

Onder de klanken van de rockkraker ´I was made for loving you ´ (toepasselijk?) wordt het startschot gegeven voor de 12e editie van la Ruta. Zullen we van la Ruta gaan houden? Over 3 dagen weten we het antwoord. Eerst een klein stukje asfalt en dan gaat het al snel omhoog, het oerwoud en nationale park Carara in, berucht vanwege de blubber (en de giftige slangen, maar die zullen we vast niet zien).

 

De blubber van Carara

 
De eerste dag is altijd de dag waarop het grootste aantal mensen uitvalt. De blubber van Carara en de verzengende hitte van het droge laagland als je het oerwoud van Carara uitkomt  zijn de traditionele scherprechters van deze dag. Wie de eerste dag doorkomt, rijdt de tocht meestal wel uit, is de ijzeren wet van la Ruta. Meestal, want ook de 2e en 3e dag stappen er mensen af en het uitvalpercentage van la Ruta  is hoog: meestal rond de 25%.

Van de zon hebben we in de vroege ochtend nog geen last: het bladerdek houdt de stralen lange tijd van de ochtend goed tegen. De zonnebril hoeft niet op en ik stop die in mijn shirt. Stom, want later zal ik die verliezen tijdens een hobbelige afdaling. Je ziet sowieso voortdurend van alles langs de weg liggen van spullen die mensen verliezen door het gehobbel: bidons vooral, maar ook bandenplaksetjes, bananen, mueslirepen, en fietspompjes. Uitgerolde binnenbanden langs de weg zijn stille getuigen van een reparatie die uitgevoerd is.

Een langgerekte stoet kleurrijke fietsers trekt het oerwoud in en iedereen gaat in gevecht tegen de zwaartekracht. Al gauw komen de eerste stukken blubber. Soms moet je van je fiets omdat er geen doorkomen meer aan is. In de afdaling kun je soms skieënd naar beneden, waarbij de remmen volledig blokkeren door de rode aarde die zich vastzet op de remblokjes. Schijfremmen zijn in principe handiger voor dit soort blubberige stukken maar ook hier zul je moeten lopen als je high-tech schijfremmen hebt, want aan de blubber van Carara helpt geen moedertjelief. Geregeld zie ik mensen vallen en ook kom ik al de eerste fietsers tegen die een gebroken ketting hebben en hulpeloos met een kettingponsje in het oerwoud aan de weer zijn. Geregeld moeten we door verfrissende bergbeekjes, sommigen nemen de gelegenheid te baat om de fiets schoon te maken en te ontdoen van de ergste blubber.  Even later zit de fiets weer onder. Veel kilometers moeten gelopen worden met de fiets op de rug over glibberige paadjes omhoog. Via de plaatselijke fietsenboer bij mij uit het dorp Santa Ana bij de hoofdstad San José in de buurt (Ciclo Guïlly, sprek uit als Willy op zijn Helmonds) heb ik een servicepakket genomen waarbij hij aan de finish klaar staat en mijn fiets weer zal opkalefateren voor de volgende dag. Maar eerst moet ik nog heelhuids over de streep komen en zorgen dat die ketting van me -die voortdurend vastloopt- weer op gang komt. Mijn fietsmaatje Goñi die met me opfietst brengt gelukkig uitkomst en helpt me in de ergste blubber van Carara uit de brand. Geduldig kijkt hij naar mijn vastgelopen ketting, spoelt de ergste drek eraf en gooit olie uit zijn magische flesje op de belangrijkste onderdelen en adviseert me: ´Hay que chinear la guila, mae´[3].  Mijn Cannondale kan er weer tegen en verder gaat het, door de blubber van Carara.

Na een paar uur door deze hel van blubber gebanjerd te hebben over smalle oerwoudpaadjes komt er eindelijk licht aan het einde van deze groene tunnel. Bij de eerste controlepost kun je eten (bananen, papaya, watermeloen, power bars, muffins, pinda´s, broodjes) en ook veel drinken: water, gatorade en red bull.  De rest van de dag voert de fietsers door een landschap waar het oerwoud heeft plaatsgemaakt voor weilanden, akkers, bosschages en kleine dorpjes. Iedereen is uitgelopen om dit spektakel te zien en vele mensen staan klaar met de tuinslang om de fietsers verkoeling te bieden.  Op sommige punten staan vrienden en familieleden klaar om de fietsers te voorzien van eten en drinken. Ook mijn vrienden staan langs de kant en helpen me met de nodige logistieke ondersteuning.

 

De hitte van het laagland

 

Na de hel van Carara en de blubber is het nu de zon die de grootste vijand is. In de  verzengende hitte gaat het omhoog, omlaag en weer omhoog en weer omlaag en weer omhoog etc. Het gaat maar door.  Een ontelbare hoeveelheid heuvels moeten genomen worden met hellingen waar je met de grootste moeite op het kleinste verzet nog maar net omhoog kunt komen. Dit stuk van de route ken ik van mijn trainingsritjes. Het zijn weggetjes waar je ook met de auto kunt komen, ze zijn erg steil, maar wel te doen en de afdalingen zijn niet te gevaarlijk en door flinke vaart te maken kun je soms aardig omhoog de volgende helling opkomen. Ik weet dat er geen blubber meer komt en dat mijn ketting het zal kunnen halen (en ik ook , als ik tenmiste mijn krachten goed weet te verdelen) Ik verlies heel wat vocht, maar zorg er goed voor dat ik blijf eten en drinken en ik kom uiteindelijk rond 3 uur ´s middags in de eindbestemming Atenas aan. Moe, maar gelukkig niet volledig gesloopt.  Met de vrachtwagen van Guïlly rijd ik naar Santa Ana.

 

Uiteindelijk zal ik de 100 km na bijna 9 en een half uur met een gemiddeld van bijna 11 km per uur finishen.  Ik kom als 191e  van de 344 deelnemers over de streep maar eerlijk gezegd interesseert met de plek in de rangschikking weinig; ik heb de eerste dag overleefd en daar ging het vandaag om. 11% van de deelnemers is al uitgevallen, en daaronder zit ook de enige andere Nederlander Koos van Rangelrooy die ik de volgende dag langs de route als toeschouwer tegenkom. Hij is afgestapt in de hel van Carara. De 4 Vlamingen halen de eindstreep wel voorzover ik kan nagaan.

De vulkanen op

 
De tweede dag staat in het teken van de beklimming (en afdaling!) van 2 vulkanen: de Irazú en de Turrialba.  De Irazú is vanuit San José te zien, de Turrialba ligt er net achter. De Irazú is de hoogste vulkaan van Costa Rica met 3450 m. En de Turrialba is slechts ietsje lager.
De top van beide bergen is een maanlandschap a la Mont Ventoux en het kan er even hard spoken met regen, wind en kou. De Turrialba is zelfs nog een actieve vulkaan.

Vandaag is het zonnig en helder weer en dat is een enorme meevaller, want het kan echt vreselijk tekeer gaan op die bergen en je vingers kunnen er bijna afvriezen als het regent in de afdaling.  Maar de weergoden zijn ons gunstig gezind en onder een stralende zon gaan we op pad om 7 uur ´s ochtends.

 <>Vertrek is uit het centrum van San José. Aan de start maak ik een praatje met bekende en onbekende fietsers. Koos zie ik niet, de Vlamingen wel. Mijn fietsclubje is inmiddels aardig uitgedund want van de 6 gestarten heeft slechts de helft de eerste dag overleefd: drie zijn er dus op de eerste dag mee gestopt. Slechts Omar, een vreselijke tempobeul met 100 kilo schoon aan de haak die altijd tot de laatste snok gaat op ons vaste trainingsplekje op een stil stukje vlakke autobaan op de woensdagochtend, en Goñi, de stilist van mijn fietsculbje die muisstil op zijn fietsje zit en technisch heel verzorgd rijdt, hebben de hel van Carara overleefd.  De drie andere trainingsmaatjes van me: veteraan Mario, de jongere Lothar en de praatgrage Fofo, zijn dus allemaal afgestapt. Mario heeft kotsend opgegeven in Atenas, vlak voor de finish. Hij doet al jaren mee aan la Ruta en is echt een geoefende fietser maar de hitte van de eerste dag speelt hem altijd parten.

Het eerste half uur rijden we in een lang lint door de stad en de buitenwijken van San José over asfalt, nagestaard en aangemoedigd door velen. Meteen buiten de stad begint de helling van de vulkaan en de klim is meteen fors, ik schat zo´n 12% of zo. We moeten een hoogteverschil van 1800 meter overbruggen tot de top van de route, deels over asfalt, deels over onverharde weggetjes. Vrijwel alles is berijdbaar met de fiets, met uitzondering van een stukje landweg dat heel diep is uitgesleten door de regens en waar de fiets op de schouder moet.  Naarmate we hoger komen wordt het kouder en winderiger en ik doe mijn windjack en armstukken aan.  Je rijdt gelukkig nooit echt alleen,  maar je moet ook niet proberen je te laten meeslepen door het tempo van een ander. Afgezien van het begin wordt er niet veel in groepjes gereden, daar leent het terrein zich ook niet voor, al zijn er wel clubjes van 4 á 6 mensen die bij elkaar rijden. Rustig je eigen race rijden, niet forceren, op je hartslag letten en op tijd eten en drinken is het motto. Ik probeer niet boven de 140 uit te komen met mijn hartslag, af en toe op hele steile stukken zit hij op 153 maar dat is eigenlijk teveel. Onderweg haal ik het groepje Vlamingen in.
 De Red Bull doet wonderen! Na een paar uur klimmen met de laatste 8 km over asfalt met veel mensen langs de kant die iedereen aanmoedigen bereik ik het hoogste punt, vlak onder de top van de vulkaan op 2900 m.  Ik stop bij de controlepost en ga even bunkeren want ik zit tegen een hongerplof aan en voordat de afdaling naar de Turrialba-vulkaan begint wil ik een beetje op krachten komen. De speciaal door Guïlly aanbevolen mierzoete honing power-gel doet wonderen en ik voel mijn krachten weer langzaam  terug komen. Op het hoogste punt verlaten we het asfalt en begint de afdaling door een gebied dan onlangs is verzakt als gevolg van de vele hevige regens. Een paar keer is de weg afgesloten en moeten we met de fiets op de nek door de landverschuivingen klauteren. Daarna begint een stuk afdaling met hele grote, losliggende en scherpe vulkaanstenen. Uitkijken geblazen in de afdaling want voordat je het weet lig je en is je Ruta voorbij. Ik ben met mijn 47 jaar niet zo´n held in de afdaling en wordt geregeld voorbij gespurd door jongere kamikazepiloten die met veel lef de uitdaging van het downhillen aangaan. Prima, maar ik doe het liever wat rustiger aan en neem geen risico´s. Een paar jaar geleden heb ik een keer mijn sleutelbeen gebroken bij een valpartij (op de racefiets) en ik merk dat ik toch nog steeds bang ben om te vallen. Af en toe stop ik om mijn polsen en armen rust te gunnen, die namelijk vreselijk door elkaar worden getrild  Na een paar uur kom ik op een soort zadel terecht tussen de 2 vulkanen op 2500 m. Daar begint de klim naar de top van de Turrialba-vulkaan die af en toe in de wolken zit. Vlak onder de top op 2750 m. buigt de weg af naar de vallei waar het plaatsje Turrialba ruim 2100 (!) meter lager ligt. Het lijkt wel of ik in een vliegtuig zit; het uitzicht is ongelofelijk mooi en de natuur is overweldigend: alles is groen en niet voor niets wordt Costa Rica wel het Zwitserland van Midden Amerika genoemd. Wel, in deze streek klopt dat wel, want het ziet er erg lieflijk en Europees uit vanuit de hoogte met al die weilanden en koeien die daar vredig aan het grazen zijn en voor de beste kaas van het land zorgen.
 Maar de afdaling is minder lieflijk als het landschap oogt: vooral in het eerste en steilste gedeelte is het een kilometers lang traject met stenen, stenen en nog eens stenen waar je gemakkelijk je nek op kunt breken. Een pad is het haast niet te noemen en veel fietsers stappen ook af en lopen naar beneden, behalve de echte waaghalzen en experts die fluitend over dit maanlandschap crossen en zich niets van al die messcherpe vulkaanstenen aantrekken.  Na een uur dalen word ik haast gek van al die losliggende vulkaanstenen. Vooral hoog op de berg liggen er heel veel en het vereist erg veel concentratie en kracht om dit vol te kunnen houden. Ik stop dan ook weer regelmatig, rust even uit, masseer mijn polsen en handen en ga dan weer verder.  Na een paar uur is het ergste voorbij en begint de afdaling wat normalere properties aan te nemen en kan ik weer kilometers maken en ik hoef niet voortdurend af te stappen om bij te komen. Vlak voor de aankomst dalen we prachtig af door een enorme koffieplantage en uiteindelijk kom ik na bijna zeven en een half vuur en 100 km fietsen aan in een voorstadje van Turrialba waar het zonnetje nog altijd lekker schijnt. De tweede dag zit erop, wederom geen druppel regen gehad en ik doe nog altijd mee. Ik ben natuurlijk wel moe en begin mijn zitvlak goed te voelen maar ik heb goede hoop dat ik het ook de derde dag zo kan volhouden.
De blubber van gisteren en de vulkaanstenen van vandaag waren de grootste vijanden totnogtoe, maar beide hindernissen heb ik goed doorstaan. Onmiddellijk na aankomst neemt de equipe van Ciclo Guïlly mijn fiets over en wordt deze aan een onderhouds- en inspectiebeurt onderworpen. Olie wordt gesmeerd op de vitale onderdelen en morgenochtend zal  mijn fiets weer piekfijn voor me klaarstaan bij de start. Mijn partner Annette is zo lief me op te halen, samen met haar collega Mieke en ze brengen me naar mijn hotelletje in Turrialba, vlak bij de start van de derde en laatste etappe van morgen. Ik neem een warme douche en duik mijn bed in om uit te rusten.

 

De laatste dag

 De derde en laatste dag kondigt zich aan met regen. ´s Nachts word ik wakker van een tropische hoosbui die zich boven Turrialba ontlaadt. Omdat we al flink laag zitten (600 m) is het niet zo koud als het regent en is het eigenlijk wel lekker afkoelend. Om 7 uur startten we iets buiten Turrialba op een rustige asfaltweg. Inmiddels is de regen opgehouden en is het half bewolkt, met een zonnetje ertussendoor.  Dit is een gedeelte van de Ruta dat ik nog niet ken en ik probeer van mensen als Omar en Goñi die dit al vaker gereden hebben te weten te komen wat ons nu weer te wachten staat. De grootste hindernissen hier zijn een blubberpassage waar je zo´n half uur je fiets moet tillen en een klim die de fraaie naam ´la Alegría´[4] heeft. De vreugde zal hem dan vooral wel zitten in het feit dat je dan de laatste klim achter de rug hebt en het verder alleen nog maar afdalen en vlak rijden is door het tropische laagland. Omar heeft me ook gewaarschuwd voor het traject met de spoorrails. Daar moet je tussen de rails rijden, soms liggen er stenen maar die zijn nooit goed aangestampt waardoor je tempo moet houden om niet de macht over het stuur te verliezen en lelijk kunt vallen op de rails en soms liggen er geen of te weinig stenen waardoor je helemaal door elkaar geschud wordt. Dat is eigenlijk het enige traject waar je meer hebt aan een ´doble suspe´, een fiets met vóor- en achtervering. (Mijn fiets heeft alleen een verende voorvork). Ook wordt er gewaarschuwd voor de vele bruggen, waar je over de spoorbielsen moet balanceren terwijl onder je de ruwstromende ijskoude bergrivieren voorbijstromen. En tot slot is er nog een speciaal lokaal gevaar: in het verleden is het geregeld voorgekomen dat fietsers overvallen zijn in de uitgestrekte oliepalmplantages van het tropische laagland, waar de werkloosheid hoog is en de sociale problematiek schrijnend.  Er wordt aangeraden om daar altijd in een groepje te rijden om het risico van een overval te verminderen. Tsja, als je op een mountain bike rijdt met een dagwaarde waar de gemiddelde Tico[5] een heel jaar voor moet werken is de verleiding groot om zo´n karretje te bemachtigen van een rijke ´gringo[6]´. En tenslotte raadt de koersdirectie bij de start per megafoon aan om ook geen fiets af te geven aan ´behulpzame´ lokale jongetjes die hun oversteek-diensten bij de moeilijk te passeren bruggen en rivieren aanbieden. Die kunnen er n.l. wel eens met je fiets vandoor gaan. Dag 1 stond in het teken van de blubber, dag 2 waren het  de vulkaanstenen in de afdaling en dag 3 heeft dus ook zo zijn eigen uitdagingen! De etappe van vandaag is de langste met 150 km. De eerste 2 dagen was telkens 100 km elk.

 

La Alegria

 
Het startschot valt en we beginnen aan de 15 km lange klim over het asfalt. Ik zie de wedstrijdrijders als een speer wegrijden de helling op. De weg is niet al te steil, ik voel me uitstekend en klim lekker omhoog.  Ik hou niet zo van die hele steile beklimmingen (boven de 10%) en dit is duidelijk meer mijn terrein met mijn gewicht van 80 kilo. Ik haal de Vlamingen, Goñi en zelfs de hulk Omar in en begin de gevreesde afdaling door het blubbertraject, maar tot mijn vreugde is het daar al tijden kurkdroog geweest en in een stoffige omgeving daal ik razendsnel af naar een hangbrug waar je fietsend overheen kunt. Daarna begint de eerste klim. Omar heeft me ondertussen al ingehaald in die afdaling en ik verwacht hem niet meer te zien. Maar toen ik een half uurtje of zo lekker aan het kllimmen en zweten was zag ik ineens het shirt van Omar voor me. Had hij een slechte dag of was ik echt zo lekker aan het klimmen? Mijn hartslag zat niet in het rood en ik reed continue 138-143. Omar staat 10e in de algemene rangschikking van 80 deelnemers in onze categorie van 40-50 jaar en ikzelf stond na de tweede dag 29e. Ik besloot maar eens een tijdje in Omar´s wiel te gaan hangen en stenen te gaan tellen en als ik me voelde gaan forceren zou ik hem laten gaan. Maar ik kon tot mijn eigen verbazing het tempo goed bijhouden en vlak voor de eerste controlepost reed ik hem zelfs even uit mijn wiel. Ik stopte bij de controlepost en deed me tegoed aan de Gatorade, de bananen en de papaya´s. Maar Omar stopt nooit, hij laat zich bevoorraden door zijn vrouw vanuit zijn prachtige 4x4 terreinwagen dus toen ik even had geravitailleerd was ik hem meteen weer kwijt. In de afdaling probeerde ik weer bij hem in de buurt te komen. Eerst was er een lang stuk onverharde weg en later kwam er een prachtig stuk asfalt waar ik wel 70 km haalde op mijn mountain bike. Toen we weer gingen klimmen over een onverharde weg op weg naar la Alegría zag ik Omar in de verte ploeteren. Ik besloot rustig mijn eigen tempo te rijden maar hield hem wel in het vizier en langzaam maar zeker kwam ik bij hem.  Zijn stijl is niet echt fraai, hij stoempt als en knipmes omhoog en je vraagt je soms af hoe lang zijn fiets dit zal volhouden maar effectief is het wel want hij is een ongelofelijk krachtmens. Langzamerhand kwam ik dichterbij en in de laatste 3 km klimmen van la Alegría reden we samen op. Ik kreeg wat cola van zijn helpers en ik nam brutaal de kop over.  Op de top was er weer een ravitaillering en weer reed Omar door en weer kon ik er na mijn etenspauze achteraan kachelen. Ook nu was er een fraaie afdaling over asfalt en we reden nu echt de laagvlakte in. In de verte kon je zelfs de caribische zee zien liggen, ook al was die nog 100 km ver weg, zo helder was het.  Ik kon aanklampen bij een renner die ´s ochtends ook al bij de start ongeveer hetzelfde tempo omhoog reed als ik. Het was een Tico die goed tempo kon maken in de langzame afdaling en kop over kop reden we geleidelijk richting Omar. De teller wees rond de 50 aan.

 

Het laagland in

 

En toen begon de gevreesde laagvlakte. Het bedrieglijke van dat deel is dat je denkt dat je er bijna bent maar dat je qua kilometers nog 100 km moet en dat je hele stukken hebt waar je niet opschiet door de treinrails en de bruggen. Na een tijdje stiefelen door de laagvlakte waar het bewolkt en daardoor niet té warm was, kregen we Omar in het vizier en we klampten aan bij hem en zijn clubje. Er hadden zich inmiddels groepjes gevormd om de lokale gevaren te weerstaan. Bij de eerste brug waar we lopend overmoesten kon je gaan bepalen hoe je dat wilde doen: de fiets kon je niet aan je hand meenemen en duwen: je moest hem tillen, maar hoe?  onder je arm, op je schouder of op je nek? Ik heb alle technieken geprobeerd en voor kleine korte bruggetjes til ik de fiets het liefst gewoon even op met mijn arm, voor de langere bruggen heb ik hem het liefst op mijn schouder (stuk schuimrubber mee!) en voor de echt halsbrekende capriolen wil ik mijn fiets het liefst op mijn rug/half in mijn nek.

 
Afijn, de houten bielzen waren gelukkig niet al te glad en trippelend van biels naar biels (nooit naar beneden kijken naar wat er onder die bielzen zit in de diepte!) ging het aardig snel.  De bielzen lagen gem. op 40 cm van elkaar, soms zelfs ietsjes verder en daartussen was helemaal niets, alleen een gat waar je in kon verdwijnen.
 

Vorige week waren er hier nog overstromingen in dit gebied door ernstige regenval en onderweg kwamen een ploeg railwerkers tegen die met man en macht bezig waren een stuk rails te repareren.
De provisorische bielsen waren van staal en beton, erg smal en lagen heel ver uit elkaar. Ik schat dat ze wel op zo´n 90-100 cm uit elkaar lagen en je moest dus heel goed mikken om niet een rotsmak in de diepte te maken. De wegwerkers stonden erbij en moedigden je aan maar erg jofel was het toch niet. Gelukkig lukte het me zonder problemen die grote stappen te maken maar ik vroeg me wel af hoe mensen dat moesten doen die niet gezegend waren met een lengte van 1.90 m zoals ik.

De spoorrails

 
Ik reed die vlakte door in een groepje met Omar maar voelde me eigenlijk zo sterk dat ik op een gegeven moment van dat groepje weg besloot te rijden in het spoor van een ander groepje mee. Ze reden een lekker tempo en ik kon goed meekomen en onder het motto:  ´lange halen, vroeg thuis´ kachelde ik op de grote plaat door het laagland. Op een gegeven moment na een uurtje of zo reden ze me toch net effe iets te hard en ik besloot ze te laten gaan. Er reden aardig wat mensen daar op dat traject en ik reed even alleen in afwachting van een ander groepje dat me ongetwijfeld snel achterop zou komen. Het paard rook de stal, maar toen sloeg het noodlot toe: een lekke band in the middle of nowhere. Geen nood, ik had alles bij me, maar bij het vervangen van de binnenband zag ik dat de buitenband aan gort was. En ik had nog wel speciaal voor de Ruta een nieuwe set gekocht! De binnenband kwam iets naar buiten en ik wist dat je daar niet Limón mee kon halen. Dat was zeker gebeurd in dat traject over het spoor waar grote dikke stenen erg los lagen en je hard moest ploegen om vooruit te komen. Tot overmaat van ramp kwamen er ook nog 2 duistere lokale types aangefietst of fietsjes waar ik nog geen dubbeltje voor zou geven en die naar mijn smaak iets te nieuwsgierig kwamen kijken naar wat er met die gringo op zijn mooie mountain bike aan de hand was daar in de bush-bush. Gelukkig kwam Eduardo op dat moment langs,  een fietsmaatje van me dat stopte en ik verzocht hem (in het engels!) om bij me te blijven omdat ik de boel niet vertrouwde.
Hij bevestigde mijn argwaan en zei dat we bij elkaar moesten blijven. Even later reden we gezamenlijk weer verder, onze locale fietsers achterlatend,  maar ik wist dat deze band het niet zou houden in de 30 of 40 km die me nog restte van de finish in Playa Bonita in Limón.
 
Ik had al verschillende stukken spoorrails gehad maar het ergste stuk moest nog komen: een lang kaarsrecht stuk spoorrails v an 15 km. dwars door een moeras met palmolieplantages. Qua variatie in landschap even afwisselend als de Flevopolder. En ja hoor, daar kreeg ik mijn tweede lekke band en tot overmaat van ramp begon het ook nog te regenen. En als het in de tropen regent kan het ook lekker hard regenen. Niets aan te doen, ik probeerde mijn mobieltje te gebruiken maar in dat geïsoleerde gebied was geen signaal. Lopen dus, er zat niets anders op. En met de fiets aan de hand liep ik daar door het laagland. Omdat het was gaan hozen deed mijn kilometerteller het ook niet meer dus ik kon ook niet precies nagaan hoe ver het nog was. Geregeld moest ik met mijn fiets van het spoor om de voortploeterende fietsers als Omar die me achterop reden er langs te laten gaan. Iedereen vroeg wel of ze iets voor me konden doen, maar het enige dat me kon helpen was een reservebuitenband en die had niemand bij zich. Ik had inmiddels wel tegen een paar fietsers gezegd dat ze maar tegen Guïlly moesten zeggen wat er met mijn fiets aan de hand was, maar het kon nog wel enkele uren duren voordat er een oplossing in zicht kwam want ik moest eerst dat moeras uit lopen voor ik weer in de bewoonde wereld zou komen.
De Wet van Murphy in optima forma.  En zo liep ik uren en uren door die saaie palmbomenplantage over die $%·&”$”&$ spoorrails. De enige afwisseling werd gevormd door de ontelbare kleine bruggetjes die je moest nemen en de vele fietsers die me achterop kwamen en waar ik voor moest uitwijken. Mijn mobieltje was inmiddels ook kapot en natgeregend. Murphy strikes again.

Na een paar uur lopen kwam ik  eindelijk in de bewoonde wereld: bij het strand en bij een controlepost. Ik kon daar gelukkig bellen via de telefoon van een medewerker en ik kon Annette bereiken die 15 km. verder bij de finish was. Ze ging op zoek naar Guïlly en zijn equipe en zou me proberen tegemoet te rijden met de reservebanden in onze jeep. Ondertussen bleef ik maar doorlopen,  inmiddels gelukkig niet meer over de rails maar over een zand-modderpad tussen de rails en het strand. In de verte kon ik de haven van Limón zien liggen en ik wist dat ik -zelfs al zou ik het hele laatste stuk moeten blijven lopen-  ik voór donker en vóor de sluiting van de controle bij de finish de eindstreep zou moeten kunnen halen en dat geeft de fietser moed. Af en toe moest ik kniediep door de blubber en het water waden maar ik kwam al dichter bij de bewoonde wereld. Een uurtje lopen na de controlepost zag ik in de horizon een mannetje op de rails staan in het gifgroene Ciclo Guïlly-shirtje. Ik wist dat dit mijn redding moest zijn en jawel hoor, daar was Annette met de auto van ons en daar stond Hans, een maatje van Guïlly met reserveband en 2 binnenbanden klaar. Vliegensvlug zette hij mijn fiets weer in elkaar en ik kon weer doorrijden! Ongelofelijk, wat was ik opgelucht en blij en ik ging weer op pad. De eerste kilometers moest ik nog over de rails want de weg was te nat en het water kwam te hoog en je fiets kwam volledig vast te zitten. Ik snapte niet hoe Annette het gelukt was om daar met de jeep door te komen. Geleidelijk aan kwamen de buitenwijken en haven van Limón in zicht en kon ik de vermaledijde spoorrails verlaten. Nog even mijn ketting oliën en de laatste kilometers konden beginnen. Eerst nog een stuk blubber maar langzamerhand werd de weg beter en het laatste stuk was zelfs weer asfalt.

 

De finish!

 Na 8 uur en 32 minuten kwam ik over de finish. Ik had het gehaald, ik heb de Ruta de los Conquistadores gereden! In total heb  ik over de 350 km. 25 uur , 25 minuten en 16 seconden gedaan en daarmee ben ik 183e van de 275 gefinishten in de algemene eindrangschiking geworden. Goñi bleef ik daarmee zelfs nog ruim voor. Omar werd uiteindelijk 79e.  In mijn categorie 40-49 jaar werd ik 33e van de 60 gefinishten, met 25% uitval want er waren 80 mannen in mijn groep gestart. Omar werd 9e in mijn groep.

De andere Nederlander Koos reed de laatste etappe wel uit: hij finishte ruim 2 uur na mij die dag. 

Het zit erop. Ik kan met recht en vol trots zeggen dat ik de Ruta de los Conquistadores heb volbracht!

Annette haalde me liefdevol op en na een duik in zee en een bord caribische ´rice ´n beans´ stapte ik zeer tevreden in de auto terug naar huis.

 

Nog even wat statistieken (www.adventurerace.com of www.ticomania.com)

Bij de vrouwen startten 27 vrouwen, waarvan er 21 de finish haalden. (22% uitval) Net als vorig jaar won de Noord-Amerikaanse Louise Kobin onbedreigd met in 18:47:01.  

275 mannen hebben la Ruta uitgereden.
74 zijn er afgestapt (21% uitval.)  

Bij de mannen won Paolo Montoya (uit Santa Ana) in 14.37.40. Paolo is de 19e-jarige zoon van een oud dubbelvoudige Ruta-winnaar.
Op de tweede dag werd hij voorbijgereden door  Jonathan Ramírez (ook een Tico) maar die reed verkeerd in de afdaling en werd gediskwalificeerd door de jury.  

Beste Belg was Jan Geys, die 148e werd in de eindrangschikking.
 

Beste Nederlander was ondergetekende, met een 183e plek.

           

 

Tot slot

Kun je zo´n tocht nou aanraden ook te doen? Nou, dan moet je wel in een hele goede conditie zijn, een goede fiets hebben en de nodige voorbereidingen treffen, door je bv. bij een groepje aan te sluiten waarbij de technische assistentie is geregeld, zoals ik deed bij Ciclo Guïlly.  Het leukste is het natuurlijk als je het met een stel vrienden doet zoals die Vlamingen. Hun vriendinnen hadden een auto gehuurd en stonden langs de kant. Als je spaans kent wordt het ook een stuk leuker. De sfeer is overigens erg kameraadschappelijk en iedereen is de vriendelijkheid en behulpzaamheid zelve. Als je het vanuit Nederland regelt kost het je natuurlijk een flink bedrag voor de vliegreis, inschrijving, verblijf en wat niet al.  De Vlamingen vlogen met United Airlines, waar de fiets gratis mee kon. Bij Martinair moet je daar apart voor betalen.

Ik heb natuurlijk het geluk dat ik hier woon in dit prachtige land en in de loop der jaren aardig wat fietsvrienden heb gevonden en aardig ben ingeburgerd. Wel moet je als je het lokaal regelt een startbewijs verdienen door mee te doen aan de pre-ruta, een mountain bike tocht van eén dag die ook geen kattepis is en die een maand  voor de echte Ruta wordt gehouden.

San José, Costa Rica

Erik Nijland

erikanna@correo.co.cr



[1] Vertaling: de route van de veroveraars (refererend aan de spaanse kolonisatoren die ooit dit land doortrokken en veroverden op de inheemse bevolking)

[2] Vertaling: kip

[3] Vertaling: je moet je liefje vertroetelen, maat.

[4] De vreugde

[5] Costa Ricaan

[6] Scheldnaam voor Noordamerikaan of Europeaan