Heeft Rembrandt onze chocolademelk gedronken?


door Juan Carlos Solórzano F,. Costaricaans historicus

vertaling en bewerking  Peter Hattink


De mooie chocoladeverkoopster, Jean Etienne Liotard uit Geneve
en de meest gewaardeerde Zwitserse kunstschilder.
 Het schilderij dat omstreeks 1745 werd gemaakt,
stelt juffrouw Baldauf voor met een dienblad waarop een kopje staat
 om chocolademelk uit te drinken en een glas water

De Spaanse Costaricanen in het Caribische gebied

Het zuidelijk Caribische gebied Costa Rica is altijd van belang geweest voor de Spaanse kolonisatoren die zich sinds 1570 in Cartago hadden gevestigd. Pas onder gouverneur Juan de Ocón y Trillo (1604-1609) werd in 1605 de stad Santiago de Talamanca gesticht op de oevers van de rivier Tarire (La Estrella). De bedoeling van de bewindsman was een nieuwe economische activiteit te scheppen in het zuidelijk Caribische gebied. Deze stad kon rekenen op een bepaald aantal inwoners, beter gezegd een aantal Spaanse families. Onder de stichters werden de “encomiendas” *) verdeeld en het rechtsgebied van het gemeentebestuur van de nieuwe stad werd vastgesteld. De economische activiteit bestond uit het kweken van landbouwgewassen en uit varkenshouderijen. Er werden ook een paar schepen gebouwd en al spoedig ontstond er via de zee een handel tussen de Spaanse kolonisten van Santiago de Talamanca en de stad Portobelo. Heeft men in die jaren cacao geëxporteerd? Dit kunnen wij niet met zekerheid vaststellen maar de geschiedenis vermeldt wel dat er in die jaren een zekere Felipe Monge leefde die een cacaoplantage in Doyabe had. Hoe dan ook Santiago de Talamanca werd in 1610 door een opstand van de indianen vernietigd en de Spanjaarden die daar woonden moesten vluchten naar Cartago.

Het gebied van de rivier Suerre, dat nu Parismina heet, ontwikkelde zich tot de enige plek waar de Spaans.Costaricaanse kolonisten enkele boerdijen bezaten en dit gebied werd de havenverbinding met de buitenwereld. Van hieruit exporteerde men meel uit graan, varkens en enkele andere goederen zoals braamstruiken en cacao naar Portobelo in Panama. Zoals bekend kwamen in Portobelo de schepen uit Spanje aan en de handelslui uit Peru nadat zij de landengte vanaf Panama-stad hadden overgestoken.Er was echter omstreeks 1650 weinig handel tussen Suerre en Portobelo; dit was voor een groot deel te wijten aan het verdwijnen van de indiaanse arbeidskrachten in de Centrale Vallei.

Vanuit Cartago begon men dus opnieuw met de ontwikkeling van de cacaoplantages aan de kust van het centraal-Caribische gebied in Portete (Punta Blanca) en op de oevers van de rivieren Matina en Moín. De export was in de eerste plaats bestemd voor de haven van Portobelo in Panama en later voor de haven van Cartagena in Colombia. Komend vanuit Cartago lagen de plantages op een reisafstand van acht dagen per muildier. Om de cacaoplantageontwikkeling gaande te houden hebben de gouverneurs Juan Fernández en Rodrigo Arias Maldonado tussen 1640 en 1660 troepen naar de regio van Talamanca gestuurd om de stammen Unirnamas en Talamancas te onderwerpen en om ze te dwingen cacaostruiken te planten. Sommige indianen werden permanent gestationeerd in de gebieden waar de cacao werd geteeld; anderen werden alleen maar tijdelijk ingezet voor de oogst. Op deze wijze begon in de helft van de zeventiende eeuw de “Cyclus van de Cacao” voor het centraal Caribische gebied van Costa Rica en deze cyclus hield stand tot het einde van de achttiende eeuw. Dankzij de export van dit product heeft Costa Rica commerciële banden opgebouwd met de Nederlanders op Curaçao van waaruit men diverse handelswaren importeerde uit de Lage Landen.


De verbreiding van de chocoladeconsumptie

De drijfveer om de productie van cacao te ontwikkelen was het succes dat dit goedje had gehad aan de kusten van Maracaibo en Caracas. Beide regio’s begonnen hun productie voor de export naar Mexico vanaf het begin van de zeventiende eeuw en wel in 1607, een jaar na de geboorte van Rembrandt. Zoals bekend consumeerden de Azteken cacao voordat de Spanjaarden aankwamen en de vraag naar dit product ging belangrijk omhoog na de Spaanse verovering. Deze cacao was afkomstig uit Soconusco, Chiapas, de kusten van de Stille Oceaan van Guatemala en El Salvador. Daarna begon men spoedig cacao te importeren uit Guayaquil, Ecuador, en uit de kuststeken van Venezuela. Deze laatste soort werd zeer gewaardeerd want deze was minder bitter dan die uit Guayaquil.

De hele noordelijke rand van Venezuela, een gebied van ongeveer 350 km. lang en een 100 km. breed –in totaal ongeveer 35.000 km2 vruchtbare en vochtige grond vlakbij zee- ontwikkelde zich gedurende de zeventiende eeuw tot het meest belangrijke cacaocentrum van Amerika.

Cacao was al lang voor die tijd in Spanje bekend: men neemt aan dat deze in 1520 in Spanje werd ingevoerd en dat de cacao in het begin van de zeventiende eeuw populair werd in de rest van Europa. Men gelooft dat de eerste Europese chocoladefabriek in het geboortejaar van Rembrandt werd gebouwd in Italië. Bij de Europeanen had de cacao, vermengd met vanille en suiker, een groot succes. De indianen nuttigden de cacao vermengd met maïsmeel, honing en kruiden; het leek eenbeetje op het chocoladedrankje pinolillo. Cacao werd in Frankrijk gemeengoed tijdens het bewind van koning Luis XIV (1643-1715). Waarschijnlijk heeft Rembrand, net zoals zijn tijdgenoten, vanaf die tijd chocolade gebruikt. Het is juist in de periode van 1630 tot 1640 dat de export van de Venezolaanse cacao naar Europa behoorlijk toeneemt.

De Nederlanders op Curaçao

Gedurende meer dan honderd jaar na de ontdekking van Amerika door Columbus was er geen enkelegeorganiseerde poging om de heerschappij te breken van de Spanjaarden en Portugezen in Amerika. De Spanjaarden behielden in alle rust hun bezittingen met uitzondering van individuele pogingen –hoewel met de toestemming van koningin Elisabeth- die de Engelse boekaniers Francis Drake, Walter Raleigh en John Hawkins deden om semi-private kolonies te stichten. Tijdens het bestuur van koning Philips II (1556-1598) was er in Amerika geen serieuze bedreiging voor de Spaanse bezittingen. De situatie veranderde echter bij het begin van de zeventiende eeuw. Engelsen, Fransen en Nederlanders probeerden tussen 1595 en 1620  kolonies te stichten in Guyana.Tenslotte bemachtigden de Nederlanders het gebied bij de rivier Essequibo in 1616 en de omgeving bij de rivier Berbice in 1624.

De vloot van de Lage Landen was van groot belang in de strijd tegen de Spanjaarden. Vanaf 1568 streden de Nederlanden voor hun onafhankelijkheid. Deze strijd, die in Nederland de Tachtigtigjarige Oorlog genoemd wordt, werd onderbroken door het twaalfjarige bestand van 1609 tot 1621 en mondde uit in de officiële erkenning van de onafhankelijkheid in 1648 bij de Vrede van Munster, een onderdeel van het Congres van Westfalen waarbij ook een einde kwam van de Spaanse successieoorlog.

De West-Indische Compagnie toonde zich vanaf de oprichting in 1621 agressief in het Caribische gebied door de overvallen op de Spaanse vloten die de verbinding onderhielden tussen Veracruz in Mexico, Portobelo in Panama en Cadiz in Spanje, waarbij tegelijkertijd Nederlandse producten werden afgezet in de Spaanse havens. In 1624 veroverden de Nederlanders Bahia in Brazilië en gedurende 30 jaar waren zij heer en meester in noord-oost-Brazilië.

Met betrekking tot het nader tot elkaar komen van Nederlanders en Costaricanen is de periode 1630-1640 het meest belangrijk, vooral na de verovering van de eilanden Curaçao, Sint Eustachius en Saba. Deze eilanden werden namelijk veroverd om de commerciële activiteiten uit te breiden die de Nederlanders al hadden met Cumaná in Venezuela.

De Spaans-Amerikaanse kolonisten waren geïnteresseerd om commerciële banden met de Nederlanders aan te knopen om goederen te verkrijgen die de Spanjaarden heel weinig en tegen belachelijk hoge prijzen aanboden. De Nederlanders hebben op deze wijze vanaf 1640 de Amerikaanse markten weten te veroveren. De cacao haalden zij voornamelijk uit Venezuela. Feit is dat het Nederlandse succes bij het breken van het Spaanse monopolie de mogelijkheden opende voor Engelsen, Fransen en Denen om andere eilanden in het Caribische gebied te veroveren. Voor de Tweede Nederlands-Engelse Oorlog van 1665-1667 waren de Nederlanders de belangrijkste handelsagenten in het Caribische gebied. Hun kennis van landbouwtechnieken, transport en financiële mechanismen stak met kop en schouders boven die van de andere Europeanen uit.

Tegen 1648 waren de Nederlanders goed ingeburgerd in het Caribische gebied en de Spaanse koning Philips IV moest erkennen dat Spanje als grote mogendheid van het wereldtoneel verdwenen was toen hij aan Nederland de kolonies moest overdragen die men in het Caribische gebied had bezet.

Van de Nederlandse bezittingen –Aruba en Bonaire kwamen ook in handen van Nederland terecht- domineerde Curaçao: hoewel het grondgebied van iets meer dan 400 km2 vrij steriel was dankte dit eiland zijn belangrijkheid aan zijn ligging op een afstand van ongeveer 75 km. van de kust van Venezuela in een zone dat buiten de banen ligt van de wervelwinden die het Caribische gebied teisteren.Daarbij komt nog dat aan de zuidkust van het eiland grote baaien liggen, ideaal voor het ankeren van schepen, zoals in het bijzonder Willemstad.

In het begin was Curaçao een militaire basis maar al spoedig veranderde het in een belangrijk commercieel centrum: eerst als opslagplaats en later als tussenhandelaar. Van het begin af aan startten de Nederlanders de handel met de Spaanse kolonies in het Caribische gebied. Cacao uit Caracas en Maracaibo werd een van de belangrijkste goederen. De handelslui uit Curaçao hadden niet alleen handelsbetrekkingen met het gehele Caribische gebied maar ook met Nieuw Amsterdam dat van 1614 tot 1668 Nederlands was en later onder Engels beheer New York werd. Tegen autochtone goederen (cacao, tabak, leer, muildieren -die naar Jamaica gingen-, houtsoorten, verfstoffen, suiker, katoen, indigo, koffie –deze goederen kwamen van de Franse eilanden- sarsaparillawortel, zeeschildpadden, vanille, cochenille) leverden de Nederlanders eindproducten waaronder lakens, fluweel, wollen stoffen, linnen kleding, kant, porselein, hoeden, buskruit, steekwapens, artikelen van de ijzerhandel, hammen, gekruide worsten, kabeljauw, zalm, Nederlandse kazen en specerijen.

Binnen het commerciële netwerk dat de Nederlanders in Curaçao op hebben gezet speelde de joods.sefardische kolonie een fundamenteel belangrijke rol. Vermeldenswaard is dat de eerste synagoge in Amerika die van Curaçao is welke dateert van het begin van de achttiende eeuw. Deze joden waren sefardisch van afkomst en –dank zij hun Spaanse taalvaardigheid- bleken zij onmisbaar bij het zaken doen met de Spanjaarden van Amerika. Zij veranderden Curaçao ook in een verspreidingspunt van Amerikaanse producten niet alleen naar Amsterdam maar ook naar andere Europese havens. In dit licht moeten wij niet de diaspora vergeten van de ongeveer 200.000 joden, die in 1942 Spanje werden uitgedreven, die later kleine maar dynamische joodssefardische kolonies stichtten in Amsterdam, Londen, Bayonne, Bordeaux, waarbij niet vergeten moet worden dat er zich een groot aantal vestigden op de Balkan en in Salónica, Griekenland.

Men kan vaststellen dat de sefardische joden meer dan een eeuw lang de handel van Curaçao met de Amerikaanse kolonies beheersten. In de periode 1700-1885 waren meer dan 600 schepen in handen van Curaçaose joden. Nadrukkelijk vermeld moet worden dat toen de Engelsen vanuit Jamaica een gelijksoortige handel als Curaçao begonnen deze handel gedurende een lange periode in handen was van sefardische joden.

Gezien hun kennis van de markt in het Caribische gebied en de bloedband die enkelen van hen hadden in andere Amerikaanse kolonies overheersten de joden ook op de posten van vertegenwoordigers van Nederlandse handelshuizen. Vanaf 1640 werd de Caribische zee meer dan een eeuw lang voornamelijk bevaren door schoeners en zeilboten uit Curaçao, waarvan een groot aantal eigendom was van sefardische joden.

De cacao van Matina in Costa Rica

Waarom waren de Nederlanders geïnteresseerd in de cacao van Costa Rica als zij de Venezolaanse cacao konden bemachtigen?

In 1630 vernietigde een plaag bijna de helft van de cacaobomen aan de Venezolaanse kust en in 1641 vernielde een aardbeving de gebouwen in Caracas waarvan de huuropbrengst gebruikt werd ter financiering van de cacaoteelt en van de werving van de slavenarbeid op de plantages.

De vraag van de handelslui uit Curaçao was waarschijnlijk niet de enige drijfveer om de cacaoteelt te bevorderen in de regio van Matina. Ook de Engelsen, die zich sinds 1665 in Jamaica hadden gevestigd, konden de Costaricanen aangezet hebben om de cacaoteelt, die in de regio in het wild groeide, uit te breiden.

Tegen 1660 organiseerde de gouverneur van Costa Rica Andrés Arias Maldonado enkele expedities om de indianen van Talamanca te onderwerpen en in te zetten als arbeidskrachten op de cacaoplantages. Als de gouverneur in 1661 sterft en zijn zoon Rodrigo Arias Maldonado hem tijdelijk verving vermeldt de geschiedenis dat deze de cacaoplantage van zijn vader, bestaande uit 230 in productie zijnde cacaobomen, verkocht.

In 1666 richtte de overval van zeerovers, aangevoerd door de bejaarde Nederlander Eduard Mansvelt en zijn jonge Engelse ondercommandant Henry Morgan, schade aan in de cacaoplantages. Twee jaar later schijnt de productie opnieuw een hoogteconjunctuur beleefd te hebben. Een voorbeeld: een notariële akte van een erfenis uit 1668 beschrijft dat een emigrant uit het Spaanse Extremadura, Rodrigo Calderón, een plantage heeft bezeten van 1.670 cacaobomen waarvan het grootste gedeelte is geplant na de overval van de zeerovers in 1666.

                                                                                                               

                                                                     Eduard Mansvelt                                                                Henry Morgan

De twee meest belangrijke eigenaren van cacaoplantages in de eerste jaren waren geen Spanjaarden. Antonio Acosta Arévalo, een Griek die als officier artillerie had gediend en in 1659 in Costa Rica aankwam heeft 15.200 cacaobomen gehad. De ander was een Italiaan uit Genua, Jerónimo Valerino, die eveneens in 1659 in Costa Rica aankwam en die omstreeks 1673 5.000 cacaobomen had. Zijn broer Benito kwam omstreeks 1675 ook naar Costa Rica en deze kocht enkele plantages. Beide broers boerden goed want zij hadden op het laatst meer dan 22.000 cacaobomen.

Tot slot: bij de eerste inventarisatie van cacaoplantages in 1678 telde men een totaal van 136.730 cacaobomen. In deze telling worden twee personen vermeld met vreemde achternamen, waarvan de oorsprong niet achterhaald is. Nicolás Pareferico is er een van en hij was goed voor 10.000 cacaobomen. De andere persoon wordt alleen maar aangeduid met de naam Amavíscar en deze was eigenaar van 400 cacaobomen. Deze inventaris vermeldt ook enkele eenvoudige nederzettingen van Engelsen waarin 11 cacaobomen stonden. Welnu –ik ben mij ervan bewust dat ik speculeer- het zou zo kunnen zijn dat –in de wetenschap dat het in de achttiende eeuw gebeurde- enkele van deze mensen Engelsen joden uit Jamaica waren en hetzelfde zou gezegd kunnen worden van de individuen met de namen Amavíscar en Pareferico. Waren zij misschien sefardische joden –Nederlanders, Engelsen of joden uit Salónica, Griekenland-, die zich in Costa Rica gevestigd hadden?

Conclusies

Toen Rembrandt in 1669 stierf waren de commerciële betrekkingen tussen de Costaricanen en de Nederlanders stevig verankerd in de Vallei van Matina en deze zouden meer dan een eeuw zo blijven. Hoewel de Engelsen uit Jamaica een groeiende invloed uitoefenden in het handelsverkeer bleven de Nederlanders van Curaçao op zoek naar cacao hun zeilschepen naar Costa Rica sturen. Op deze manier bleven de handelswaren afkomstig uit de Lage Landen  Cartago binnen komen. Terwijl de tijdgenoten van Rembrandt chocolade uit Costa Rica bleven nuttigen gebruikten de Costaricanen kant, droegen zij Nederlandse kleding en wellicht, zonder dat het bevestigd kan worden, versierde een wandtapijt uit Haarlem met een reproductie van Rembrandt of Rubens het huis van een rijke cacaoboer in Cartago.

encomienda:
indiaans gebied waar iemand belasting mocht heffen en waar indianen in ruil voor de door de Spanjaarden opgelegde “bescherming” moesten werken.

terug naar de literatuur pagina