Baby Blauw en Goud Geel

Rijdend over de interamericana richting grens is, net voorbij Cañas, de afslag naar Upala.
Een weg als een lang, slingerend lint rolt door de heuvels, er is nauwelijks verkeer.
In het gladde asfalt zijn de spoorradische, maar diepe kuilen des te verradelijker.
Naarmate we noordelijker komen wordt het land steeds groener.
Voorbij Bijaguas staat het bordje waarnaar we zoeken: Parque Nacional de Tenorio.

Hier houdt het asfalt op en begint een gestage klim naar boven. We passeren een melkveehouderij,
een macadamia- en een koffieplantage, een ananas finca en een verscholen dorpje San Miguel genaamd.
De bomen zitten vol epifieten, meest bromelia's, in de berm doet het vlijtige liesje haar naam eer aan.
Het is maar tien kilometer tot het park maar het lijkt veel meer door alle putten, rotsen en plassen in de weg.

De kaartjesverkoper van de Minae, die het park beheert, lacht als ik vraag of het deze keer niet eens
droog kan blijven. "Het regent hierboven veertien maanden per jaar," krijg ik als antwoord
terwijl de eerste druppels al vallen. Gewapend met poncho en paraplu gaan we het pad op dat
onder een dicht gebladerte ligt, voorlopig hebben we geen last van de regen.
Het eerste gedeelte bereidt de bezoeker absoluut niet voor op wat er komen gaat:
een makkelijk beloopbaar pad met aan weerszijden grote bomen en veel verschillende heleconia's.

Na een tijdje komen we op een driesprong. Links gaat het omlaag naar de waterval zegt het bordje
en rechts omhoog naar het uitkijkpunt en de teñidos. We gaan naar links.
Middels een soort reuzentreden dalen we in snel tempo. Straks moeten we even zo steil weer omhoog,
bedenk ik me al. Soms is de ondergrond vochtig en glibberig. Halverwege horen we het geluid van
vallend water en, na een draai in het pad, zien we het ineens in de diepte: hemelsblauw water, de Rio Celeste.
Je kunt erover lezen maar wanneer je het in werkelijkheid ziet geloof je je ogen amper, zo intens blauw,
zo baby blauw als de kleur van het water hier is. Onder de waterval van een meter of twintig hoog,
heeft zich een natuurbad gevormd waarin kletterend en klaterend het water neerkomt en verder stroomt.

Op dat moment breekt de zon door waardoor het blauw nog meer opgloeit. Snel heisen we ons in badkleding
en nemen een duik, oef, dat is fris ! Het valt niet mee om dicht bij de waterval te komen, de stroming
is te sterk en je adem wordt afgesneden door de druk van het vallende water.

Na een tijdje rondpoedelen in het water laten we ons op de rotsen drogen door het zonnetje.
Er komt een gezinnetje op laarzen aan. De man helpt heel gallant zijn vrouw en dochter over de rotsen heen.
De laarzen gaan uit en de benen bungelen in het water. Dan komt er een ananas uit de rugzak,
met de machete wordt die overlangs geschild en daarna in plakken gesneden.
Ook wij mogen meesmullen van die heerlijke, zongerijpte vrucht.
Daarna delen we onze koekjes met hen voordat we weer verder gaan.
Omhoog is precies wat ik dacht: zwaar en vermoeiend, regelmatig staan we even stil om op adem te komen.
"Morgen voelen we pas echt goed dat we bovenbeenspieren hebben", zeggen we tegen elkaar.

Op de driesprong gekomen, nemen we de enige overgebleven route. Die voert ons omhoog en omlaag langs
het uitkijkpunt, vanwaar de hele wereld alleen maar groen is, langs naar zwavel ruikende, borrelende waters,
een aantal kilometers verder tot aan een nieuw bruggetje. Aan de overkant van die heldere stroom
komen we even later bij een zijrivier waar, op één specifiek punt het heldere water plotsklaps
verandert in hemelsblauw. Alsof er een scheidingslijn is getrokken en er onder water kleurstof
wordt toegevoegd, zo ziet het er uit. Ook de stenen onder water zijn blauwig van kleur.
Waarschijnlijk wordt de verkleuring veroorzaakt door kopersulfaat, maar die nuchtere verklaring
neemt niets weg van de magie van die plek. Rechts is het heldere water, links de lichtblauwe
stroom en ergens vlak voor je voeten vindt de transformatie plaats.
Balancerend over een boomstam gaan we naar de overkant en volgen de stroom nog een tijdje.
Het is stil, vredig en droog in het bos al kun je aan de vegetatie de dagelijkse regenbuien afzien.


De terugweg verloopt zonder verrassingen, we puffen bij het stijgen en komen op adem bij het dalen.
Het blijft zaak om goed te kijken waar je je voeten neerzet. Als we de laatste stappen op het pad
zetten barst de bui los, de poncho en paraplu blijven in de rugzak. Het kon niet mooier.
We rusten wat en trekken de modderige wandelschoenen uit. De bui is inmiddels over.
Dan gaan we richting huis. Als we langs de ananasfinca rijden, loopt het water ons weer in de mond
bij de herinnering aan dat lunchhapje. Er komt net een vrachtwagentje van het veld afrijden.
Impulsief roep ik, hangend uit het autoraam, naar de jongens achterin de laadbak of de ananassen te koop zijn.
Daarvoor moet ik bij de baas zijn. Die komt uit de cabine gestapt en voor hij of ik iets kunnen zeggen,
reiken behulpzame handen al twee goudgele ananassen aan. De Jefe gebaart dat er nog een moet komen.
Daar sta ik met drie van die heerlijke vruchten en ik mag er niet eens voor betalen behalve
met een zeer welgemeend muchisimas gracias. De vrachtwagen rijdt traag voor ons uit tot aan San Miguel,
daar gaat ie aan de kant en we zwaaien ten afscheid naar de mannen alsof we oude bekenden zijn.

Trees van Herpen

Terug naar reizen met Trees