Barra Honda: Een hondsbarre tocht
Die titel is natuurlijk een
woordgrapje, maar wie naar het nationale park Barra Honda op het
schiereiland
van Nicoya wil gaan, doet er goed aan om er niet
alléén maar om te grinniken.
Het begint makkelijk. Op de
interamericana staan 10 meter na elkaar twee verschillende borden,
volgens het ene
leidt de afslag naar de ferry over de Rio Tempisque, volgens het andere
naar de nieuwe Taiwanese brug
La Amistad. Kleinigheidje, we weten immers dat de ferry nooit meer
vaart. De weg is prima en slingert
door groene heuvels met verre, paars gekleurde toppen aan de horizon.
Het lijkt alsof er nergens mensen wonen behalve direct langs de weg.
Bij het bekende bruine bord
slaan we een zandpad in dat dwars door het dorpje Barra Honda voert
aan de voet van een steile berg. De parkwachter wil ons een kaartje
voor het wandelpad verkopen,
maar als we zeggen de grotten te willen bezoeken komt hij achter de
balie vandaan om ons schoeisel
en de watervoorraad te inspecteren. De aanwezigheid van een jongere in
ons gezelschap doet hem besluiten
de gevraagde kaartjes toch maar te leveren. Hij ziet ons kennelijk
slechts als begeleiders.
Na 10 minuten, al buiten adem vanwege de hellingsgraad en de hoge
luchtvochtigheid, ontmoeten we enkele gidsen
die met een uitgeput maar opgetogen jong stel op terugtocht zijn. Twee
van de mannen gaan weer heuvelop
samen met ons. Je ziet dat ze moeite doen om zich aan ons aan te
passen, evenals wij proberen hun tempo bij te houden.
Voor alle partijen een zware opgave. Gelukkig ontdekken we een rode
ara, die moéten we uitgebreid bestuderen
natuurlijk. In de verte brullen de apen om het hardst.
Na 4 kilometer bergop over
keien en door moddersporen, die aanvoelen als een marathon afstand,
bereiken we
de grotingang. Geen portaal of verticale opening in de rotswand, nee
een diep gat in de grond waarin met
halsbrekende toeren ooit een trapleer of drie, aan elkaar verbonden,
aan de loodrechte binnenwand is vastgemaakt.
Daaronder heerst de duisternis.
We mogen even rusten alvorens
we in een tuig gehesen worden en een helm op ons hoofd geduwd krijgen.
De brulapen zijn nu heel dichtbij, ze krijsen alsof ze ons van onze
hachelijke voornemens willen weerhouden.
Een nylonkabel wordt vastgehaakt aan de gordel van onze gids, hij daalt
als eerste in de diepte af terwijl
twee helpers geleidelijk het touw laten vieren. Dan zijn wij aan de
beurt. Elk voorzien van een zaklamp worden
we een voor een aangehaakt. Achterwaards bewegend manoevreer ik
blindelings een voet op de sport van de
ladder, dan de volgende en tegelijktijd zoeken de handen naar houvast.
Op sommige plekken is
er geen ruimte
tussen de ladder en de rotswand, slechts de tenen rusten op de sporten,
17 meter boven de bodem van de grot.
Eenmaal beneden halen we opgelucht adem, te vroeg blijkt al snel, dit
was nog maar een voorproefje.
We gaan namelijk nog veel
dieper. Glibberend en glijdend over de kletsnatte keien
in de lichtbundel van de
zaklamp duiken we een zijgang in die ons naar een van de 'zalen'
brengt.
Een grote onderaardse ruimte vol hangende en staande druipstenen, we
herinneren ons uiteraard de lagere schoolgrapjes,
de ezelsbruggetjes om de stalactieten en de stalagmieten uit elkaar te
houden. Indrukwekkend is het zeker.
Weer gaat het verder nog
dieper en nog meer glibberen, we hummen Paul Simons' slip-sliding-away.
Af en toe moet de zaklamp in de broekzak, het is tenslotte een
zak-lamp, want dan heb je beide handen
nodig om te voorkomen dat je doorglijdt. Weer een ladder, deze keer een
kleintje die ons in de orgelgrot
brengt waar een druipsteenformatie in de vorm van een kerkorgel is te
bewonderen.
Verderop een smalle passage waarlangs versteende koraal is te zien.
Ooit was
dit gebied zee,
onvoorstelbaar na die taaie klim naar boven.
Dan komt de
laatste beproeving, allereerst verrijst er een muurtje op het pad, geen
ruimte om er omheen
te kunnen dus wordt het eroverheen. Aan de andere kant ligt de
rotsbodem een stuk lager wat betekent
dat de terugweg nog lastiger zal zijn. Vervolgens een verticale spleet
waar op het eerste gezicht alleen
Twiggies doorheen kunnen. Behendig glijdt onze gids er toch door, dus
wij volgen en het lukt met enig
wringen zowaar. De beloning is de moeite waard. Een grot vol met alle
mogelijk denkbeeldige vormen in
rotssteen: paddestoelen, koppen van mens of dier, witte, schitterende
edelstenen, een versteende omhelzing,
roze en bruine tinten, abstracte kunst door de begenadigste kunstenaar
allertijden, de natuur.
De weg terug is even bar maar
de wetenschap dat het heen ook is gelukt maakt het ietsje makkelijker.
Kletsnat van de (in)spanning en de vochtigheid steken we als verblinde
mollen ons hoofd weer uit het gat.
De terugweg gaat via een panoramisch uitkijkpunt. In de diepte ligt het
dorpje,
je kunt er bijna de mensen verstaan zo ver draagt het geluid. Als we
ons omdraaien zit er een tapir in
de boom aan de andere kant van het pad, smullend van een termietennest.
Bergaf gaat, ondanks de ongelijke ondergrond, heel wat sneller en
gemakkelijker.
Bij aankomst op ons uitgangspunt zijn de waterflessen leeg, de kleding
kletsnat, wij uitgeput maar voldaan.
Een woordeloze communicatie
tussen parkwachter en gids levert een waarderende blik in onze richting
op van de eerste, dat had hij niet verwacht,
we accepteren zijn compliment zonder veel woorden: hondsmoe van die
barre tocht.
Trees van Herpen