COSTANERA

Deze week hebben we weer eens een heel stuk van Costa Rica verkend. Onze dochter en schoonzoon
hebben bij ons gelogeerd en willen nog een paar dagen doorbrengen bij onze andere familie voor
ze weer terug gaan naar Nederland. De familie woont in het noorden van Costa Rica,
aan de grens met de provincie Guanacaste. Ik heb besloten om ze er met de auto heen te brengen,
daar een nacht over te blijven en dan de volgende dag terug te rijden.
Tegen acht uur in de morgen vertrekken we. We hobbelen het dorp Ojochal uit over de onverharde weg
en gaan dan rechtsaf naar Dominical. Deze weg heet de Costanera, de kustweg.
Op deze plaats is de weg prachtig geasfalteerd en hier en daar zelfs drie banen breed.
Hele gedeeltes hebben ook al borden, strepen en zelfs kattenogen, het lijkt wel een landingsbaan
voor een vliegtuig. Men is echter wat te kwistig geweest met de kattenogen, want ze staan wel
erg dicht bij elkaar. Tot een bepaald punt, toen waren ze op, en vanaf hier moeten we het
alleen met de gele strepen doen. Maar het blijft een fantastische weg.

In Dominical gaan we de Río Barú over en we genieten van het uitzicht op de branding waar deze rivier
in de zee uitkomt. Vlak over de brug passeren we de politiepost. We mogen altijd doorrijden,
want ze kennen ons inmiddels. Links en rechts zijn hier fruitstalletjes met de heerlijkste tropische vruchten.
Vandaag stoppen we daar niet, want we hebben nog een heel eind voor de boeg. We vervolgen de Costanera,
maar die is hier niet meer verhard. Waarom, dat weet eigenlijk niemand, maar men praat al tientallen
jaren over het asfalteren van dit gedeelte en het komt er maar steeds niet van.
Wat een contrast met het vorige gedeelte van de weg, je bent ineens 80 jaar in de tijd terug.
We hobbelen over de stoffige weg, af en toe moet je een vrachtwagen inhalen en dan zie je even
helemaal niets vanwege de stofwolken.

Gelukkig geven de vrachtwagenchauffeurs het meestal wel aan als je in kunt halen.
We passeren een aantal stoffige dorpjes tussen het groen en komen dan aan in het gedeelte met de oliepalmplantages.
Kilometers oliepalmen, zo ver je zien kunt. Vroeger werd dit gebied allemaal geëxploiteerd door
de United Fruit Company. Deze maatschappij heeft ook de ijzeren bruggen aangelegd, die er nog
steeds net zo bij liggen als toen ze, lang geleden, gebouwd werden. IJzeren gevaartes, heel smal,
en af en toe in zeer slechte staat. Men heeft maar wat beton geplakt op de plekken waar de ergste gaten zijn,
of er ligt een rijplaat over. Het rammelt en klettert als je er overheen rijdt.
De langste brug gaat over de Río Savegre, een hele brede, prachtige rivier. Ook aan de overkant zien
we weer enorme oliepalmplantages, en in de verte een zwarte rookkolom. Hier is een palmoliefabriek
en het stinkt er behoorlijk, een weeïge lucht. Het is wel een aparte sfeer.
De dorpjes zijn hier ook allemaal aangelegd door de United Fruit Company, houten huizen rond
een voetbalveld gegroepeerd, met een school en een winkel, die hier comisariato heet.

Na 40 kilometer hobbelen zien we een bordje: vliegveld. En ja hoor, hier begint plotseling het asfalt weer.
We passeren de drukke plaats Quepos en vervolgen onze weg via Parrita.
Onderweg zien we nog de gevolgen van de aardbeving van een paar maanden geleden, grote scheuren en
hobbels in de weg. Maar verder is de Costanera hier prima, goed asfalt, en we schieten lekker op.
In Jacó, ook een drukke badplaats, stoppen we voor de lunch. We lopen er even wat rond, maar niet te
lang want het is inmiddels midden op de dag en bloedheet.
En we vinden eigenlijk alle drie dat ons dorpje toch leuker is dan zo'n drukke plaats.
Grote hotels schieten hier als paddestoelen uit de grond. Langzamerhand zien we de plantengroei veranderen.
In het zuiden is het nu, in de droge tijd, nog steeds erg groen, maar hoe verder we naar het noorden komen,
hoe droger het wordt. We zien geelbruine grasvelden en veel bomen zonder blad.
Er zijn daarentegen wel weer veel bomen die prachtig in bloei staan.

Natuurlijk maken we nog even een stop bij de brug over de Río Tárcoles.
Op de brug staat een aantal toeristen naar beneden te koekeloeren. En ja hoor, ze zijn er, zoals altijd.
Een stel dikke krokodillen die lui aan de kant van de rivier liggen en zich afvragen waarnaar
al die mensen boven hen op de brug nou staan te staren, en waarom ze niet liever eens een lekker
kippetje of zo naar beneden gooien.

Na dit fenomeen beginnen we aan onze laatste etappe. De weg blijft geasfalteerd,
maar er zitten nog hele stukken in die vol gaten zitten. Dat is nog geniepiger dan een onverharde weg,
want dit verwacht je niet. En er zitten behoorlijke gaten tussen, we moeten goed opletten
en je leert er wel slalomrijden van. Maar het laatste stuk gaat weer gladjes, want dan rijden
we over de Interamericana, de grote weg die van noord naar zuid door het Amerikaanse continent loopt.
Zo'n zes uur na vertrek komen we aan op de plaats van bestemming, waar we hartelijk ontvangen worden
met een drankje en een duik in het zwembad. Zo, dat zit er op. Nu alleen nog terug, de volgende dag,
en dan helemaal in mijn eentje. Eerst het afscheid van onze kinderen, dat blijft altijd het vervelendste
van het wonen in het buitenland. De terugweg verloopt ook prima, het gaat zelfs nog vlotter
dan de vorige dag. En ook het hobbelen langs de onverharde weg valt mee, in dit land moet je nu eenmaal aan zulke dingen wennen.
Maar ik ben wel blij als ik na een dikke vijf uur weer heelhuids in Ojochal aankom.

Anja Geesink

Terug naar reizen met Anja