Vlak
over de grens in Rivas, Nicaragua woont een vriendin van me waar ik
af en toe een paar dagen heenga.
Een telefonische noodkreet is
meestal de aanleiding voor die bezoekjes. Al jaren probeert zij in
haar eentje iets te doen
aan de schrijnende armoede daar, maar soms
zakt ook haar de moed in de schoenen en moet ze d’r verhaal
even
kwijt.
Tegenwoordig
is die grens passeren een kostbare zaak. Als resident in Costa Rica
betaal je iedere keer twintig dollar bij
het in- of uitgaan van het
land. De Nicaragu-aanse douane incasseert zeven dollar bij
binnenkomst, twee dollar bij vertrek,
daarbovenop komt één
dollar gemeentebelasting en, sinds het uitbreken van het
grensconflict over de Rio San Juan,
betalen Tico’s èn
residenten vijfentwintig dollar extra. Dat zou op zich al aanleiding
genoeg zijn om met het lokale
openbaar vervoer te gaan en niet met de
Ticobus, waarmee ik toch maar een klein stuk van het hele traject
meerijd
en toch de volle mep mag betalen. De ware reden echter dat ik
voor dat transport kies ligt op een ander vlak.
Tot
aan de
grens zoef
je met een aircobus, die half gevuld is, door bekende coulissen,
rechts de Rincon de la Vieja,
links uitgestrekte koeienweides en
vanaf La Cruz beginnen de bergen. Na de grens krijg je een
cultuurschok waar ik
steeds weer van geniet. Een man schreeuwt de
longen uit zijn lijf om de bus naar Rivas aan te prijzen: een oude
afgedankte Amerikaanse schoolbus met doorgezakte stoelen en open
ramen. Met een rotgang jakkert de chauffeur
over de bijna verlaten
weg richting Rivas. Om de haverklap trekt hij aan een koord boven
zijn hoofd dat de claxon in werking zet.
Luid toeterend passeren we
vrachtwagens en andere bussen. Het verschil in welvaart tussen beide
landen is onmiddelijk
zichtbaar aan het geringe aantal
personenauto’s. Bij grote hacienda’s en in dorpjes
onderweg
stappen passagiers op.
Moeders met kinderen, landarbeiders en
scholieren. Steevast krijg ik een, vaak zilverblikkerende glimlach.
Zo’n vreemde buitenlander in hun bus, een vrouw alleen met en
klein
rugzakje zijn ze niet gewend.
De bijrijder haalt onderweg het geld
op, een paar cordoba’s per persoon.
Ongeveer
halverwege komt het moment waar ik steeds naar uitkijk. Een van de
passagiers staat op en begint
een wervend verhaal over een pilletje
of zalfje voor alle denkbare kwalen. Iedereen krijgt een potje of
tube in zijn
hand gedrukt om het product goed te kunnen bekijken.
Vóór de volgende halte komt hij of zij vragen of
je tot
aankoop wilt overgaan. Er zijn steevast kopers aan boord.
Tijdens
mijn laatste rit gebeurde er wat anders. Halverwege stond er
weliswaar een man op die voorin de bus
ging staan en zijn stem
verhief. Hij vertelde dat hij een vertegenwoordiger van het
gevangeniswezen was die ons uit
de bijbel wilde voorlezen.
Hij opende een in leer gebonden, versleten bijbel bij een, met een
lintje gemarkeerde
passage en las een tekst voor over mededogen met
de zondaars.
Met
een ernstig gezicht vervolgde hij zijn verhaal. Zoveel gevangenen die
langdurig opgesloten zitten zonder ooit bezoek
te krijgen, zonder een
attentie van buiten, zonder aandacht van de maatschappij. Jaren in
eenzaamheid, vergeten en uit-gesloten.
Terwijl
de man verder sprak volgde ik mijn eigen gedachten. ‘Ze
zitten toch
niet voor niets opgesloten, hadden ze zich maar
aan de wet moeten
houden, eigen schuld, dikke bult! In de maatschappij maken we
afspraken met elkaar en als we ons daar
niet aanhouden wordt het een
rotzooitje.’ Ik ving weer een flard op van wat de man zei.
Hij had
het over christelijke naastenliefde
. “Jezus heeft alle mensen lief,
ook degenen die een misstap begaan.” Vervolgens haalde hij
een
plastic doorkijkmap met vakjes
tevoorschijn waarin kleurige
ballpoints aan een koordje zaten. Voor het symbolische bedrag van
vijf cordoba’s ging hij die verkopen.
De opbrengst kwam ten goede
aan gevangenen, daarmee werden de genoemde attenties gekocht, een
paar sokken, pen en papier
f een reep chocola, zo meldde hij ons.
Christelijke naasten-liefde, daar moest ik even over nadenken.
Hoe
zat dat bij mij ? Vanuit mijn katholieke opvoeding heb ik een
overdosis aan christelijk gedachtengoed overgehouden en
bewaard ook
al ga ik al jaren niet meer naar de kerk. Tegenwoordig hang ik een
meer humanistische visie aan, daar past
vergevingsgezindheid toch ook
in ? Ieder mens is uniek en waardig, ook een gevangene.
Het
wel of niet kopen van zo’n pen werd een moreel dilemma.
Eigenlijk
was ik er nog niet uit toen de man me passeerde
zonder een poging te
wagen tot verkoop. ‘Die buitenlandse heeft geen woord
verstaan van
wat ik heb gezegd’, zal hij mogelijk
gedacht hebben. Dat deed de
balans doorslaan. “Señor, dame dos, por
favor”, een voor
mijn vriendin en een voor mij.
Even
later stopte de bus in Rivas. Met een goed gevoel stapte ik uit. Dat
overkomt je zomaar in de lijnbus in Nicaragua:
een filosofische
diskussie met mezelf en een paar mooie pennen op de koop toe. Kom
daar maar eens om bij de N.S. !
Trees van Herpen