Costa Rica Revisited

Een korte indruk geven van Costa Rica, van al datgene wat een eenvoudige reiziger opmerkt, nadat hij al drie
keer eerder het land bereisde in 1986, 1988, 1999 en thans  weer in 2000-2001 is niet zo eenvoudig.
De mensen zijn nog even vriendelijk als veertien jaar geleden en zijn de onervaren reiziger graag behulpzaam.
Wat direct opvalt is, dat de hotelaccomodaties enorm zijn uitgebreid en verbeterd en dat de prijzen van deze
hotels en cabinas voor de doorsnee Nederlander behoorlijk zijn gestegen. In onze ogen is dat te wijten aan de
koppeling van de gulden aan de Euro en de koers van deze laatste munt ten opzichte van de dollar, ondanks of
juist dankzij de gekuifde Fries uit Frankfurt. Vreemd is, dat de buitenlandse bezoeker bij het betreden van
attracties vele keren meer moet betalen dan de Tico zelf, die de attractie bezoekt. “Some pigs are more equal than others”.

Het wegennet is sterk verbeterd en hersteld. Veertien jaar geleden nam ik een taxi in Heredia, waar ik toen
verbleef, om mij naar het Gran Hotel in  S.J. te laten brengen. Hier op het terras gezeten zag ik Eegje Schoo,
toen de eerste D66 minister en Arie Pais, die ik nog kende van de Amsterdamse afdeling van de VVD, aanschuiven
om van de heerlijke refresco`s te genieten, terwijl de ceramiek verkopers voor onze voeten hun waren aan de
man probeerden te brengen. De taxirit kostte toen 300 col. waarvoor je, door de kapotte schokbrekers van de
wagen, door alle gaten in het asfalt werd gesleurd. Je zat letterlijk met je billen op de weg. Dat is nu sterk
verbeterd. De taxiwagens zijn vernieuwd, de gaten gedempt en de ritprijs sterk verhoogd. Het feit dat je bij
Cañas een grote tak midden uit een diep gat in de Interamericana zag steken, is verleden tijd dankzij, naar ik
heb begrepen, sr. Mendez Mata. Dat het Costa Rica steeds beter gaat, zie je al bij binnenkomst in de nieuwe
aankomsthal op het vliegveld. Geen gesleur meer met je koffers op een stijl transportbandje terwijl je bij
aankomst al had gedacht alle hindernissen genomen te hebben.

Dan het land in naar de verblijfplaats en vakantiebestemming. De pied a terre is verlegd van Heredia naar
Escazú, hetgeen goed bevalt. Dan de verschillende vakantiebestemmingen. Kwam ik 14 jaar geleden `s nachts
met mijn gehuurde, gammele Toyota landcruiser in de stromende regen aan in San Gerardo de Dota, om te
moeten slapen in een vies hok met een paardendeken met inwoning van vlooien, waar ik tussen de wandplanken
door drie enge mannen iets verbodens zag doen, nu logeerden wij na een jaar opnieuw in het heerlijke oord in
Nosara, het Taype (van Tayana und Peter Schell) Beach Hotel, dat uit louter bungalows bestaat die in een
schitterende tuin met zwembaden zijn gelegen.

Die nachtelijke ervaring in San Gerardo deed mij denken aan die keer in 1972 toen ik met mijn gezin voor de
zoveelste keer in Ierland de vakantie doorbracht. Op de terugtocht van Oughterard naar de boot in Rosslare
moesten wij in Birr overnachten. Na het avondeten werden de kinderen direct in bed gestopt. Toen ik een half
uur later kwam kijken om te zien of zij heerlijk sliepen, zaten zij gedrieen naast elkaar op een bed door een
spleet tussen twee planken te kijken en te luisteren naar wat er zich in het restaurant van het hotel afspeelde.

In Nosara werd de bar van Doña Olga opgezocht om te zien of daar, net als vorig jaar, met een locale Tico
een afspraak te maken was voor een dagje zeevissen. Na enkele overheerlijke kreeften te hebben genoten
kwam de inmiddels gewaarschuwde Coco (geen familie) opdagen, die wij voor de volgende dag contracteerden.
Dat werd een waar vissersfestijn.  Voor Cabo Guiones werden 10 tonijnen gevangen, die allen werden teruggezet.
Ze waren blij met hun herkregen vrijheid in het warme pacifistische water, want toen beseften zij pas dat zij in
het water terugkeerden. De vis is namelijk het enige dier dat niet beseft dat hij in het water verkeert.
Tijdens zo`n dagje op zee zie je veel. De meeste mensen denken dat het met een enkele meeuw wel gebeurd is,
maar niets is minder waar.  Onder onze boot zwom een reusachtige manta door, terwijl ook de gevreesde driehoek
van een haaienrugvin van nabij werd gezien. Zat hij misschien achter de vliegende vissen aan? Ook tientallen
groenrug schildpadden zagen wij in open zee. Op weg van de paaigronden op Playa Ostional, of juist er naar
toe zwemmend. De vorige dag hadden wij op dat strand de arribada van 1000 tot 1500 olive ridley schildpadden
gezien. Een zeer indrukwekkend gebeuren, dat uitgebreid werd gefotografeerd.
 
Een ander uitstapje naar het Noord-oosten van het land bracht ons in Sarapiquí van waaruit wij met een lancha
onder commando van el capitan Ceasar in 4 uur over de Rio Sarapiquí tussen de croco`s door en de Rio San Juan
naar Rio Colorado lodge voeren. Hier verbleven wij 3 dagen in volmaakte eenzaamheid, samen met een zwarte,
het manusje van alles, of liever manus van alles, “of all names” Nero geheten, die ons in de delta van de Sint Jan
rivier rondvoer. Waarschijnlijk hadden de ouders van deze engels sprekende zwarte tijdig Shakespeare gelezen
en onthouden “What is in a Name”?

Toen wij na 3 dagen eenzaamheid en met 3 volgeschoten filmrolletjes terugvoeren, kwamen wij onderweg een
volle lancha tegen met 10 of 12 personen. Ik zei tegen mijn vrouw  ”dat kunnen wel Hollanders zijn zo uit de verte
te zien”. En ja hoor, dichterbij gekomen kon ik zien dat de bemanning bestond uit oude senioren. Er moest iemand
zijn geweest die de deur van huize “Avondrood”  in Wommels of Kesteren had laten openstaan. Ik vroeg mij af of
deze Hollandse toeri`s wel wisten waar zij zich bevonden.
Het antwoord zou niet lang op zich laten wachten. Wij voeren de brede San Juan rivier over, richting de douanepost
op de Nicaraguaanse oever om daar onze passen te laten afstempelen. Net boven aan de trap van de aanlegsteiger
gekomen, legde ook onze Hollandse vloot aan en begonnen de oudjes hun verplichte opmars naar boven.
Nauwelijks was het eerste vrouw Holle typetje boven gekomen of er klonk een schot. Ik draaide mij om en zag
hoe een onrijpe knaap van 17-18 jaar, gehuld in een drie maten te grote camouflagebroek, met een AK 47 om de
blote borst gegord met een nog rokend pistool in de hand, zojuist een giftige slang bij de trap had doodgeschoten.
Waarop het vrouwtje in bloemetjesjurk over het gedode dier heenstapte, zich tot de jonge schutter wendde en in
plat Achterhoeks vroeg ”Kunn`n wie hier oak `n kop koffie krieg`n?”

Fortuna Revisited

For old time`s sake bezochten mijn echtgenote en ik begin januari jl. Fortuna de San Carlos opnieuw. Vijftien jaar
geleden waren wij hier ook. Ik had toen vanaf de oever  ergens langs het Arenal meer gevist. Van de kant van Tilarán
bij het meer gekomen, had ik een man op de weg zien lopen die een hengel en mij twee onbekende vissen droeg.
Deze aanblik maakte iets bij mij los. Gelukkig had ik mijn hengelspullen uit Nederland meegenomen. Een geschikte
plek om te vissen langs de oever was snel gevonden. Een lichte werphengel tuigde ik vlug op met vijfentwintig
honderste nylonlijn, en een spinner Ondex nr. 5 werd als kunstaas bevestigd. Ik viste wel ¾ uur zonder een
aanbeet te krijgen. Het was tijd om van kunstaas te wisselen.  Een mooie, gelede, rood-witte Rapalla plug werd
gemonteerd en al snel hing er een baarsachtig gestreepte vis van een pond of 3 aan. Ik had met mijn vrouw
afgesproken, dat wij onze mogelijke vangst zouden meenemen naar het hotel. Dus kwam “the priest” er aan te pas,
zoals de Ieren zeggen, om de vis “the last rites” toe te dienen. Na het vissen hobbelden wij uren lang in onze
gehuurde rammelkast naar Fortuna, toen een vlek van niets. Ik wilde wel eens zien hoe de mensen als moderne
inwoners van Pompei vlak onder de levende vulkaan Arenal woonden. Onderweg bezochten wij de warme bronnen
van Tabacón, die nog volmaakt natuurlijk in het nevelwoud lagen. Nu helaas een commerciele bedoening geworden
met hotels, cabinas en parkeerplaatsen en nog meer naars. De Arenal werd toen een eindje over de lavavelden
beklommen tot de plaatsen waar stoom uit de lavabodem kwam.

Na in Fortuna te hebben rondgekeken, keerden wij hotsend en botsend 80 km terug naar ons hotel in Cañas.
Hier in het hotel Cañas waar wij enkele dagen logeerden, mocht mijn vrouw de gevangen guapote, want zo heette
het dier, in triomf binnendragen en zelf in de keuken klaarmaken. Iedereen was vol bewondering voor deze vissende vreemdeling. De kop van het dier werd aan de eigenaar van het hotel, op zijn verzoek, geschonken, die daar heel blij mee was.

Terug dus nu in Fortuna in 2001. Thans een uitgegroeid pretentievol gat. Reisbureaux, souvenirwinkels,
2 benzinepompen en een handvol nieuwe cabinas. Je voelt je haast in een echt toeristencentrum. Toen ik op
het balkon van mijn cabine zat, met uitzicht op de Arenal volgens de folder,  herinnerde ik mij het volgende
dat ik vorig jaar van een reisgenoot hoorde, toen wij met een gezelschap de Etna op Sicilie bezochten.

“Ik wilde, dat ik een vulkaan was. Lekker liggen roken in het gras.   En de mensen maar zeggen,  kijk  hij werkt!”

De Arenal heb ik deze keer, gedurende ons meerdaags verblijf niet gehoord noch gezien, wel veel regen!

El  Tópe

Op tweede Kerstdag zijn wij naar el Tópe in San José geweest. Toen mij gevraagd werd om mee te gaan kon ik
aanvankelijk niet goed begrijpen waar het over ging. Het woord Tópe kende ik uit Ierland. Ik had er daar immers
enige tientallen van gevangen “off the Arran Islands” in Galway Bay. Het is een soort haai tot 1.20 m. lengte van
de kleur taupe, de kleur die dameskousen vaak hebben. Ook kende ik uit Mexico el Tópe, de asfalten drempels op
straat in dorpen en steden, bedoeld om het autoverkeer af te remmen. Dat andere verkeersdeelnemers dan autos,
zoals vrachtwagens, autobussen, ambulances en ook fietsers er bijzonder veel hinder van ondervinden, daarover
is nimmer nagedacht. Tijdens een bustocht door de binnenlanden van de staat Jalisco bleken ergens drie drempels
vlak bij elkaar gelegen, eigenlijk kleine loodrechte muurtjes van zodanige afmeting, gemetseld te zijn, dat onze bus
er overheen klom met een vaart van een halve kilometer per uur terwijl de onderzijde van het chassis over de muren
schuurde. Dat na deze beklimming door auto´s en vrachtwagens, de voituren vaak met afgebroken knalpotten en
uitlaten naast de weg terecht kwamen, had er voor gezorgd, dat er een reeks kleine neringen naast deze reuzentope
was ontstaan. Fruitstalletjes, minisupers, soda´s en zelfs een soort uitlaat-taller. Hier konden de gestrande
automobilisten hun knalpotten laten repareren terwijl zij zelf in de soda´s weer op verhaal konden komen.

De Costaricaanse Tópe echter bleek niet de engelse “dead policeman” te zijn, hoewel zij die ook kennen, maar een
optocht van ouderwetse koffiekarretjes en een stelletje ruiters, werd mij verzekerd. Wij installeerden ons om
10.30 uur met de kleinkinderen langs de route op de Paseo Colon. Ons werd gezegd dat de optocht van de karretjes
om 11.30 uur zou beginnen en als gedegen Amsterdammer zorg je er dan voor, dat je ruim op tijd bent als je iets
wilt zien. Wij zagen in anderhalf uur tijd zegge en schrijve twee ossekarretjes aan ons voorbij gaan om zich voor
het grote gebeuren op te stellen. Wel kwamen er twee zogenaamde rijdende disco-móvillen voor onze neus staan,
die met speakers van 5 megawatt ons ongeveer wegbliezen met hun Tico smartlappen. Het liep langzaam vol met
politie en publiek. Ik telde wel negen soorten politieagenten, te voet, te paard, per motorfiets, per brommer, op
mountainbikes, per truck en dan nog al die verschillende uniformen! Een agent in donkerblauw costuum kwam
zelfs de bananenschillen van de kleinzonen ophalen om ze voor ons in een afvalemmer te deponeren. Onze kleinste
kleinzoon had het plotseling begrepen op een oudere, door de tand des tijds aangevreten heer met een zelfgevlochten vrijetijdshoed die achter ons kwam staan. De kleinzoon riep steeds maar luid, wijzende op deze meneer,  “Mono,
mono”. Waarschijnlijk had  deze heer een gehoorstoornis, want het liep, mede door ingrijpen van het vaderlijk
gezag, gelukkig niet uit de hand.

Tegen 14 uur, wij wachtten al meer dan 3 en half uur, terwijl iedereen die maar een beetje officieel leek aan het
mobiel bellen was, zette de Tópe zich in beweging. En wat zag ik tot mijn stomme verbazing? Duizend, misschien
wel tweeduizend ruiters, aan ons voorbij trippelen. Een soort duizendvoudig optreden van navolgers van gouden
Ankie van Grunsven. Het gigantisch getrappel was niet van de lucht. Het schoot maar niet op. Geen rijdende ruiters,
maar trappelende ijdele egotrippelaars in bonte stoet. Het was een getrippeltrappel van jewelste. Zo iets had ik in
jaren niet gezien…

Stel je zoiets, zo´n gebeurtenis, voor in Amsterdam. Eerst opstellen op het plein voor het C.S., dan over het Damrak,
de Dam en het Rokin naar het Muntplein en daar linksaf de Reguliersbreestraat in…  Zo´n stoet ruiters, dat kan
gewoon niet meer. Meters paardenmest als de stoet voorbij is. Ik hoor de wethouder van de gemeente reiniging al…
Geef mij maar Amsterdam met z´n auto´s en parkeerproblemen.

Dirk Kappelle
 
 

gepubliceerd in de Hollandse Nieuwe van januari 2001
Terug naar de costa rica pagina Terug naar de index