Mobiel bereikbaar
door Trees van Herpen
Onlangs waren we een paar dagen
op stap om weer een ander stukje Costa Rica aan een van onze kinderen
te
laten zien. Na San José reden we door naar Cartago om de
ruïnes en de basiliek te bekijken.
Bijna iedereen kent ze wel, daar kan ik weinig nieuws over vertellen,
al vinden wij de aanblik van al
die gouden en zilveren uitingen van dankbaarheid aan de
Señora de los Angeles, steeds weer de moeite waard.
Vervolgens reden we door, via Paraíso naar Orosí,
een vriendelijk bergdorp omgeven door koffiestruiken.
De uitbaters van de twee lokale hotsprings beconcureren elkaar met de
hoogste watertemperatuur,
maar het valt te betwijfelen of iemand het verschil voelt.
De volgende ochtend bekeken we het kerkje van Orosí. Gebouwd
in 1735 is het de oudste nog in gebruik zijnde
kerk van het land, klein en eenvoudig. De kronkelige bergweg met
spectaculaire vergezichten bracht
ons uiteindelijk tot aan de oevers van het rond 1960 aangelegde,
kunstmatige meer van Cachí.
Een gammele brug overspant de dam, die door zijn enorme omvang erg
indrukwekkend is.
Zo aan het begin van het regenseizoen stond de boel nog droog en werden
er onderhouds-werkzaamheden verricht.
Vlak bij die plek staat het 'huis van de dromer', dat is de werk- en
woonplek van de inmiddels overleden
houtsnijder Macedonio Quesada. Zijn zoons Miguel en Hermes zetten de
traditie voort in dit uit hout en
bamboe opgetrokken, twee verdiepingen tellende huis. Al het hout is
afkomstig van de koffiestruiken.
Takken, wortels en stammen worden verwerkt tot kunstige beelden of
handige wandelstokken.
Na het oversteken van de dam gingen we langzaamaan weer richting
Paraíso. Onderweg stopten we in Ujarrás
om naar de ruïnes van de kerk van Nuestra Señora de
la Limpia Concepción te gaan.
Deze bouwval uit de 17e eeuw staat in een prachtige, parkachtige tuin
met mooie oude bomen.
De gaten in de ruïnes zijn een natuurlijk omkadering voor
menig mooi plaatje van de steile bergen
die dit dorpje in het dal omgeven. We kregen er niet snel genoeg van,
zo vredig en mooi is het daar.
Uiteindelijk stapten we toch op en via Paraíso en Cartago
gingen we de Cerro de la Muerte op richting
San Isidro de El General en vandaar naar de kust, dat was de bedoeling.
Na ongeveer een uurtje hielden
we halt om een hapje te eten. Tijdens het eten slaat ineens de paniek
toe. Waar is de telefoon van manlief ?
Zoals ik in een eerder verhaal vertelde, hebben wij in ons dorp geen
vaste telefoonlijn.
Op naam van iemand anders was het ons een paar jaar geleden gelukt om
een mobiele telefoon te bemachtigen,
terwijl onze eigen aanvraag op de wachtlijst belandde.
Kortelings waren we dan eindelijk aan de beurt en kregen onze GSM, dat
systeem had tenslotte veel
voordelen volgens de ICE. Maar de ironie van de telefonie in dit land
is dat daar waar géén vaste lijn
is de signaalsterkte en het bereik minimaal zijn en visa versa.
GSM of niet, een betrouwbare ontvangst hebben we vaak niet. Ondanks dat
besloten we de twee mobiele
abonnementen aan te houden zodat we in geval van nood elkaar misschien
kunnen bereiken.
Manlief was dan ook nog niet helemaal gewend aan die telefoon aan zijn
riem en nu was 'ie weg.
Het eten werd koud terwijl hij naarstig de auto aan een inspectie
onderworp: geen telefoon.
Wat nu ? Ik opperde de mogelijkheid om met het andere toestel naar zijn
nummer te bellen.
Maar wat als zijn toestel nog niet was gevonden, of ergens lag waar
geen ontvangst was ?
Onze zoon kreeg een geniale inval: de digitale fotocamera ! Hij had
onderweg heel wat plaatjes geschoten,
misschien was op die manier te achter halen wanneer de telefoon er nog
was.
Die truc werkte, op de laatste foto in Ujarrás hing het
toestel nog aan de riem,
daarna waren we de auto niet meer uitgeweest.
Er zat niets anders op: we moesten terug.
Inmiddels regende het, niet zo best voor een verloren telefoon, en was
het verkeer intenser geworden.
De kronkelige weg vertraagde ons tempo, in Cartago stond, om
onverklaarbare redenen, een vrachtwagen
midden op de rijbaan stil en na Paraíso was het filerijden
achter een walmende,
stinkende voorganger tegen de hellingen op. Door al het oponthoud
raakten we steeds meer overtuigd
van de zinloosheid van onze missie en bedachten we almaar andere
redenen waarom we de telefoon niet terug zouden krijgen;
Mijn nummer en naam waren ingeprogrammeerd in het andere toestel, de
vinder zou niet opnemen als hij dat zag.
Spelende kinderen hadden het gevonden, die hielden wel van een
geheimpje en ga zo maar door.
Tot overmaat van ramp liep er net een man met een voddenkar weg uit de
richting van de oude kerk van Ujarrás.
Na wat een eeuwigheid leek draaiden we het plein bij de ruïnes
op. Het was nog net zo stil en vredig als
toen we er een paar uur eerder vertrokken. In omgekeerde volgorde
legden we dezelfde weg door de tuin
af als de eerste keer, terwijl ik intussen het nummer van de verloren
telefoon belde.
Al na enkele tientallen meters klonk het triomfantelijk: "Ik heb hem,"
tegelijkertijd weerklonk
het oproep signaal. Daar lag 'ie, in het zachte gras onder een
reusachtige boom.
Daardoor ook hadden we niks horen vallen.
Opgelucht stapten we weer in en reden andermaal de kronkelige bergweg
af naar Paraíso en Cartago
en de mistige Cerro de la Muerte op. Bij het invallen van de duisternis
bereikten we
San Isidro de El General. Het strand moest nog maar een dagje
wachten......