In
elk huis wonen ongenode gasten, zeker hier in de
tropen. Een soort dierlijke asielzoekers, zal ik maar zeggen. En met
dezelfde
hardvochtigheid als Rita Verdonk, beslis ik of ze mogen blijven of dat
ze
moeten verdwijnen. Kakkerlakken, om maar een voorbeeld
te noemen, krijgen de
‘Ayaan Hirsi Ali-behandeling’: wegwezen !
Gekko’s daarentegen
zijn nuttig, ze eten lastige insecten,
die mogen
blijven.
Al
enige tijd hoorden wij een niet te duiden geluid
in de keuken, een beetje metalig, niet luid en zeker niet permanent.
Zoeken
leverde aanvankelijk niets op. Maar het geluid bleef, dus besloot ik
alle
voorwerpen op het aanrecht en de vensterbank,
want daar kwam het geluid
vandaan, aan een grondige inspectie te onderwerpen. Op de minst
verdachte plek,
in een Keulse
pot vol waxinelichtjes, vond ik uiteindelijk de veroorzaker: een
piepklein, groen-bruin kikkertje.
Nooit geweten dat kikkers van kaarsvet
houden. Behoedzaam zette ik het miniwezen buiten, daar is
zo’n
beestje meer op
zijn plaats.
Diezelfde
avond klinkt de metalige klank opnieuw en
jawel hoor, hij of zij is terug, temidden van de theelichtjes.
Andermaal zet ik
het
beestje buiten in het gras. Toeval, denk ik nog. Maar nee hoor, met de
regelmaat van de klok komt die kleine kwaker telkens
ongezien weer binnen en
met dezelfde regelmaat zet ik hem weer buiten. Op een avond zit hij aan
de
buitenkant op het raam als ik
de deur voor de nacht op slot doe. Da’s mooi, nu
zal hij wel buiten blijven, denk ik. Wanneer ik de volgende ochtend in
de
keuken
kom zit hij echter op de rand van de spoelbak en kijkt me met bolle
oogjes aan. Het is een raadsel hoe hij via die gesloten deur
binnen wist te
komen, maar daar zit hij. Even maar, ik neem hem
wéér mee
naar buiten.
Na
een weekje begin ik het te begrijpen. Dit is
recalcitrant, puberaal gedrag. Het beestje wil gewoon precies het
tegenovergestelde
van wat ik wil. Of heeft hij daarbuiten teveel vijanden,
bedreigen hem allerlei gevaren en zoekt hij daarom steeds de veiligheid
van
de
Keulse pot op ? We bespreken de kwestie samen en besluiten om hem dan
maar een
permanente verblijfsvergunning te geven.
Dat bevalt hem wel. Al snel breidt hij
zijn actieradius wat uit. Er staat een rijtje decoratieve flessen op de
vensterbank.
Als hij in een van die exemplaren kruipt klinkt zijn zachte gekwaak
wat voller, zo’n glazen klankkast resoneert lekker.
Ook de vochtige vaatdoek of
de rand van de spoelbak zijn intussen favoriete plekjes. Zeker
’s
ochtends ,
als ik nog niet helemaal
wakker ben, maakt ‘ie me wel eens aan het schrikken
door net onder mijn hand vandaan te springen.
Op
een avond komen we terug van een uitje en worden
allereerst enthousiast begroet door de hond en vervolgens blij
aangekeken
door
meneertje Kwaak, die zich had geïnstalleerd op de hals van een
van
de flessen.
“Wie weet, is het toch een prins, zou je hem
niet eens kussen ?”, stelt mijn
wederhelft voor. “Hoezo, ik heb toch al een prins,”
antwoord ik adrem.
Toch
twijfel ik wel eens eventjes, vooral wanneer hij
zo rustig op de waxinelichtjes zit en met zijn bolle oogjes indringend
naar me
kijkt.
En als niemand me kan horen fluister ik “Ja hoor, je bent
mijn
eigen
Petit Prince.”
Trees
van Herpen