De
geschiedenis van de totempaal
Een jaar of vier
geleden
reden wij, op weg naar de boot die ons naar Tortugero in
Limón zou brengen,
langs een eenvoudige galerie. Het was meer een verkooppunt aan huis van
een
jonge houtkunstenaar, net buiten Quatro Esquinas iets boven Cariari.
Een dag
later, na ons bezoek aan het schildpaddendorp, stopten we om de
collectie te
bekijken. De jonge kunstenaar heet Javier Cubillo Sanchez. Zijn werk is
deels
hedendaags, deels geïnspireerd door de ethnische invloed van
zijn indiaan-se
voorouders. Verrassend, ambachtelijk en origineel zou ik het willen
noemen. De
beide ouders liepen ons trots van de ene naar de andere ruimte voor om
steeds
iets anders te tonen. Er was veel te zien, van heel klein tot heel
groot.
Maskers, mensfiguren, bustes, dieren, ook abstracte vormen. Javier zelf
bleef
bescheiden op de achtergrond en glimlachte vriendelijk. De vriendin die
bij ons
was en ook wij kochten uiteindelijk ieder een van zijn werken. De
schitterende
totempaal bleef echter staan, te groot en te duur om als impulsaankoop
mee te
nemen, helaas.
De koop werd
besloten met
een slok agua de pipa en een banaan. Op de Tico-eigen, hartelijke wijze
werden
we uitgeleide gedaan als goede vrienden.
Zes
honderd meter verderop
sprongen twee gemaskerde en gewapende struik-rovers op de weg die van
plan
waren ons te beroven. Jammer voor hen sprongen ze te vroeg,
zo’n 60 tot 70
meter vóór de auto met hun geweren op ons
gericht. Alsof we het hadden geoefend
riepen we als uit één mond: “achteruit
!” Jos sloot de ramen, ik vergrendelde
de portieren, de vriendin lag op de vloer van de auto en achteruit ging
het in
volle vaart. De verbouwereerde overvallers renden eerst onze kant op,
vervolgens begonnen ze te schieten op de banden en de voorruit, zonder
overigens iets te raken. Zo waren we snel weer terug bij Javier en zijn
familie
die de schoten ook gehoord hadden. De politie werd gebeld en elke
voorbijganger, als mogelijke getuige, aangehouden door de
verontwaardigde
moeder. Waarschijnlijk hadden de boeven het specifiek op ons gemunt,
niemand
anders had iets gezien of gehoord. Meer agua de pipa, banaan en
troostende
woorden kwamen eraan te pas. Na de aangifte reden we, onder politie
begeleiding
tot Cariari, weg van die plek. Geschrokken ja, maar er was niets
ernstigs
gebeurd tenslotte, dan kun je het ook snel weer achter je laten en
vergeten.
Wel
bleef die totempaal in
ons geheugen rondspoken. Om de zoveel tijd begon een van ons er weer
over. We
hadden al een mooie plek in de tuin in gedachten waar die volledig tot
zijn
recht zou komen.
De afgelopen maand was het dan zover. We hadden wat geld voor een speciaal kado gehad, er was bezoek dat graag naar Limón wilde en het werd hoog tijd toe te geven aan die niet te onderdrukken impuls. Vanaf Cariari kreeg ik wat kriebels in mijn buik maar die redeneerde ik weg: De overvallers wisten niets van onze komst immers. Vlak voordat we op de plek des onheils aankwamen passeerden we een huis waarvoor iemand stond te telefoneren. Het was nog minstens een kilometer tot aan het huis van de ouders van Javier. Ik aarzelde, was dat Javier of niet? Liet mijn herinnering me na vier jaar in de steek? Degenen die voorin zaten hadden echter al een uithangbord gezien: Galería.
We keerden en reden terug naar de telefonerende persoon, daarbij zagen we voor de tweede keer het terrein achter het uithangbord: uitgebrande gebouwen, grauwe as en waterplassen. Wat was hier gebeurd? Javier, want die was het wel degelijk, kwam al op ons toe. Hij had ons en de auto herkend, want, zo vertelde hij in de loop van het gesprek, wij waren de eerste buitenstaanders die iets van hem hadden gekocht en sindsdien was het hem voor de wind gegaan. Tot twee dagen daarvoor!
In stukjes en beetjes vertelde Javier zijn verhaal. Af en toe viel er een korte stilte als zijn emoties hem even overmanden. Hij had erkenning en succes gevonden de afgelopen jaren, hij kreeg opdrachten door het hele land. Dat alles had hem in staat gesteld om een huis, een werkplaats en een galerie te bouwen op dit stukje land waar wij naast stonden. Uiteraard alles van hout. Ook op het persoonlijke vlak ging het hem goed, hij trouwde en was nu de vader van een acht maanden oude baby. Hij gebaarde naar de jonge vrouw met de baby op de arm die vanuit een schuurtje toekeek. Twee nachten geleden echter had iemand brand gesticht, zijn huis, atelier en galerie en al zijn werk, inclusief de foto’s ervan. Alles, ook de totempaal, ging in vlammen op. “Er is niets meer over, ik moet weer helemaal opnieuw beginnen.” Op onze vraag of hij weet wie de brand heeft gesticht, kijkt hij wat beteuterd naar de grond. Het is zijn mentaal gehandicapte schoonzus die nu is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. “Gelukkig maar dat zij het was, dat is beter dan dat je dergelijke vijanden zou hebben”, voegt hij er relativerend aan toe.
Die ochtend had hij tussen het puin zijn amulet van jade teruggevonden, een pre-columbiaanse afbeelding van de geluksgod. “En nu zijn jullie hier met een opdracht voor een totempaal. Dit moet het keerpunt zijn,” redeneerde hij met een gelaten glimlach temidden van dat troosteloze decor.
De totempaal laat dus nog wat op zich wachten maar heeft bij voorbaat al een lange en veelbewogen geschiedenis.
Trees van Herpen