In de Republiek groeit in de 18de eeuw de gedachte dat het niet langer goed gaat met het land,
al is het maar omdat andere landen economisch harder groeien. Vooral de overwinning van een Engelse vloot
op de Nederlandse, in 1780, wordt gezien als bewijs dat het land in verval is.
Een nieuwe stroming komt op, die van de 'patriotten'. Zij wensen dat alle burgers terugkeren naar de
traditionele liefde voor het vaderland. Daarbij verenigen zij twee politieke opvattingen.
Ten eerste pleiten ze voor herstel van oude burgerrechten, die zouden zijn aangetast door de stadhouder
en diens partijgangers. Ten tweede pleiten ze voor nieuwe, 'democratische' rechten, met grotere
zeggenschap voor grote delen van de bevolking.
Dit zijn opvattingen die dan ook in Frankrijk en de Verenigde Staten klinken.
De nieuwe opvattingen leiden tot een reeks conflicten tussen de patriotten en de prinsgezinden.
Beide partijen vinden steun bij andere landen. Pruisen en Engeland steunen Oranje.
Frankrijk, waar na de Franse Revolutie in 1789 een revolutionair bewind heerst, steunt de patriotten.
In 1795 wordt Nederland door Franse legers 'bevrijd'. Revolutionaire patriotten, de 'democraten',
plegen in 1798 een echte staatsgreep. Zij kondigen een grondwet af - de eerste moderne constitutie
in de Nederlandse geschiedenis. Het land is voortaan 'een en ondeelbaar'.
Niet langer is de Republiek een unie van verschillende zelfstandige gewesten.
Er komt een scherpe scheiding tussen de staat en de kerk, waarmee de Gereformeerde Kerk
haar bevoorrechte positie verliest. Iedereen is in principe te benoemen in elke politieke functie.
Alle Nederlanders, onder wie voor het eerst ook joden, krijgen burgerrechten,
wat opheffing van standsverschillen betekent.
Soms moet een land een stevig handje worden geholpen om verder te kunnen.
De democratische grondwet stelt in de praktijk aanvankelijk nog weinig voor. Nederland komt in een maalstroom terecht van
1900-1950
Nederland weet in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) neutraal te blijven. In deze moeilijke jaren komt een einde
De Nederlandse samenleving is verzuild in de jaren vijftig. Vier verschillende levensovertuigingen maken de dienst uit:
grote militaire expansie van Napoleon. De Fransen laten zich steeds meer gelden in Nederland.
In 1810 volgt volledige inlijving bij Frankrijk
Nederland heeft veel te danken aan de Franse tijd.
Rusland, Oostenrijk en Engeland verslaan Napoleon in 1813.
Nederland krijgt zijn onafhankelijkheid terug, zo beslissen de Europese machthebbers op het Congres van Wenen.
De zoon van de laatste Oranje-stadhouder keert uit ballingschap terug.
Wanneer vervolgens Napoleon nog één keer weet op te rukken, worden Nederland en België verenigd
in een Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I.
Zijn zoon neemt deel aan de slag bij Waterloo (1815), waar Napoleon definitief ten val komt.
De prins raakt hierbij gewond en groeit dus uit tot held.
Het verenigd koninkrijk blijkt geen succes. In 1830 komen katholieken en moderne liberalen in het zuiden in opstand
tegen de overheersende koning en het arrogante noorden. België verklaart zich onafhankelijk.
Nederland erkent deze afscheiding pas in 1839, waarmee de huidige grenzen van Nederland definitief vastliggen.
Aanvankelijk kost het grote moeite de economie van Nederland, die ernstig heeft geleden door alle oorlogen,
weer op gang te brengen. Nieuwe problemen lijken te ontstaan als in 1848 overal in Europa
grote revoluties uitbreken, als roep om meer politieke en sociale rechten (Frankrijk)
en nationale eenheid (Duitsland). Om te voorkomen dat Nederland opnieuw in dit soort onrust terechtkomt,
krijgt de liberale politicus J.R. Thorbecke van een bezorgde koning Willem II de opdracht een
moderne, 'democratische' grondwet op te stellen.
Deze legt de basis van het politieke stelsel dat in Nederland nog altijd bestaat:
een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel. De koning(in) opereert voortaan onder
verantwoordelijkheid van de ministers. De macht van het parlement neemt sterk toe.
Vooralsnog is het kiesrecht echter zeer beperkt: 2,5 procent van de bevolking mag meedoen aan verkiezingen.
Geleidelijk verwerven de liberalen een groter overwicht in het parlement. Allerlei handelsbeperkingen weten zij
op te ruimen. De industrie streeft langzaamaan de handel en de landbouw in belang voorbij.
Fabrieken verrijzen alom. Stoommachines nemen daarin een steeds belangrijker plaats in.
Kanalen, spoorlijnen en telegraafkabels spannen een netwerk door het land. De economie groeit gestaag, de welvaart neemt weer toe.
In de tweede helft van de negentiende eeuw houden drie 'kwesties' het land verdeeld. Om te beginnen is
dat de schoolstrijd. Orthodoxe protestanten (en katholieken) willen dat hun kinderen op een school
'met den Bijbel' worden opgevoed. Liberalen zijn hiertegen, omdat het volk dan verdeeld zou raken
in rivaliserende groepen gelovigen. De strijd spitst zich toe op de vraag of de Staat subsidie
moet geven aan christelijke scholen die gelovigen zelf mogen oprichten.
Om dit af te dwingen, ontstaat de eerste politieke partij, de Anti-Revolutionaire Partij (ARP, 1878),
opgericht door Abraham Kuyper. Andere groepen gaan nu ook politieke partijen oprichten om hun doelen te bereiken.
Dan is er de kiesrechtkwestie. Steeds luider klinkt de roep om uitbreiding van het kiesrecht,
wat meer mensen een stem in de politiek moet geven. De meeste liberale politici zijn daar niet voor,
omdat zij armen en lager opgeleiden niet erg capabel vinden om invloed uit te oefenen op de
ingewikkelde politieke besluitvorming. Desondanks wordt, naarmate het opleidingspeil van de bevolking stijgt,
het kiesrecht mondjesmaat uitgebreid.
Tot slot is er de sociale kwestie. Het schamele lot van arbeiders vraagt dringend om verbetering.
Uitbuiting moet worden voorkomen en bestreden, onder meer door een verbod op kinderarbeid (1874),
een Arbeidswet (1889) en invoering van de leerplicht (1900).
Een menswaardiger volkshuisvesting vergt subsidies van de overheid. De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij
(SDAP) onder leiding van P.J. Troelstra zal zich vanaf 1894 sterk maken voor de arbeidende klasse.
De Nederlandse buitenlandse politiek is neutraal. Het land kiest zorgvuldig geen partij in de vele
conflicten binnen Europa.
In de tropische gebieden worden de koloniën intussen fors uitgebreid. In Oost-Indië, het huidige Indonesië,
komt een steeds groter gebied direct onder Nederlands bewind te staan.
Het levert een krachtige bijdrage aan de Nederlandse economie, waaruit grote multinationals
als Shell en Unilever voortkomen. Dit alles gaat gepaard met grootschalige repressie tegen
de 'inlandse' bevolking. Met name op Atjeh (West-Sumatra) brengen de Nederlanders duizenden mensen om het leven.
In West-Indië, het huidige Suriname en de Antillen, wordt in 1863 na lange aarzeling de slavernij afgeschaft.
Tijd van wereldoorlogen
aan de drie slepende kwesties. Bij de Pacificatie van 1917 wordt geruild. Protestanten en katholieken bereiken
dat hun 'confessionele' scholen net zoveel subsidie krijgen als openbare scholen.
Liberalen en socialisten halen het algemeen kiesrecht binnen. Aanvankelijk gaat het alleen om kiesrecht
voor mannen, maar vanaf 1919 geldt het ook voor vrouwen.
De nieuwe democratie stelt veel mensen al snel teleur. Dit komt vooral in de jaren dertig tot uiting,
als blijkt dat ook een democratisch parlement geen oplossing weet te bieden voor de grote economische crisis,
die zeer velen langdurig werkloos maakt. Daardoor komen er nieuwe groepen op, zoals de NSB
(Nationaal Socialistische Beweging) onder leiding van Anton Mussert, die zich laat inspireren
door het Italiaanse fascisme en Duitse nationaal-socialisme.
Nederland blijkt, ondanks een volgehouden neutraliteit, niet buiten de Tweede Wereldoorlog te blijven.
In mei 1940 trekken Duitse troepen binnen. Koningshuis en regering vluchten naar Londen.
Het is een ellendige periode van onderdrukking, roof en moord. Vooral het systematisch wegvoeren
en vermoorden van joodse Nederlanders is een trauma gebleven.
Anne Frank, die tot haar deportatie een dagboek heeft bijgehouden, is uitgegroeid tot symbool van de Bezetting.
In september 1944 wordt het zuiden van het land bevrijd door geallieerde troepen.
Na een hongerwinter in het noorden volgt de bevrijding van de rest van het land in 1945.
Intussen hebben Japanse troepen Nederlands Indië veroverd en bezet (1942-1945).
Na de verdrijving van Japan, door Engelse en Amerikaanse troepen, blijkt hier inmiddels een sterk streven naar
onafhankelijkheid te zijn opgekomen. In 1945 roepen nationalisten de Republiek Indonesië uit.
Nederland wenst hieraan aanvankelijk niet toe te geven, maar na twee politionele acties en een klassieke
guerrillaoorlog volgt in 1949, onder sterke druk van de VS, erkenning van de onafhankelijkheid van Indonesië.
Amerikaanse druk is ook nodig om in 1962 het laatste stukje Indonesië, Nieuw-Guinea, af te staan.
Suriname en de Antillen blijven onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden, maar krijgen in 1954 een zekere
zelfstandigheid. In de jaren zeventig groeit de overtuiging dat deze gebieden onafhankelijk moeten worden.
Suriname wordt dat in 1975. De Antillen blijven binnen het Koninkrijk.
Over hun positie wordt nog steeds gesteggeld en druk vergaderd.
De toekomst van Nederland ligt in een voortgezet bondgenootschap met de voormalige partners uit de
Tweede Wereldoorlog.
De veiligheid wordt verzekerd door militaire samenwerking van enkele Europese landen met de Verenigde Staten,
waarvoor in 1949 de NAVO wordt opgericht. Nauwe economische samenwerking begint met een EGKS
(Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal) in 1952. Het moet de verhoudingen in Europa verbeteren,
na een halve eeuw van verwoestende wereldoorlogen.
Een volgende stap wordt gezet in 1957 met de oprichting van de EEG (Europese Economische Gemeenschap),
vastgelegd in het Verdrag van Rome.
Tijd van televisie en computer
1950-2000
katholieken, gereformeerden, liberalen en sociaal-democraten. De zuilen vormen vlechtwerken van organisaties die het hele
leven van de eigen groep willen omspannen - van de zuigelingenzorg, via de scholen, vakbonden en omroepen tot en met begrafenisfondsen.
Verzuiling kan de tegenstellingen binnen een samenleving, aanwakkeren, terwijl het na de Tweede Wereldoorlog
juist dringend nodig is samen te werken aan de wederopbouw van het land.
Dit lukt dankzij nauwe samenwerking tussen de elites van de verschillende zuilen. Zo komt een succesvolle
economische en sociale modernisering van Nederland tot stand, waarin premier Willem Drees (PvdA) een belangrijke rol speelt.
Aan de stabiliteit van de jaren vijftig komt vanaf de jaren zestig een einde. De zuilen vallen uit elkaar door
een soort betonrot: steeds meer mensen nemen de vrijheid er eigen overtuigingen op na te houden
('individualisering'). Snelle ontkerkelijking volgt. Introductie van 'de pil' leidt tot grotere vrijheid
in de relatie tussen vrouwen en mannen. De elite, uitgedaagd door een nieuwe opstandigheid van de jeugdcultuur,
verliest aan gezag. De razendsnel opkomende televisie maakt zichtbaar dat conflicten ('polarisatie')
het moderne leven tekenen, in plaats van samenwerking ('consensus').
Deze ontzuiling verandert ook het politieke leven, waarbij politieke partijen niet langer kunnen rekenen
op een stabiele achterban, maar op jacht moeten naar steeds wispelturiger kiezers.
De nieuwe vrijheid in het persoonlijk leven is mogelijk door een sterke uitbreiding van de verzorgingsstaat.
Allerlei sociale wetten (Bijstand, WAO, enz.) bieden een grotere bestaanszekerheid.
Dit vergt echter veel geld, terwijl de economie tegelijk ingrijpend verandert.
Er komen steeds minder boeren en ook de werkgelegenheid in de 'oude'industrie (waaronder scheepsbouw
en textiel) krimpt snel door zware internationale concurrentie. Nederland moet omschakelen naar een nieuwe
economie, met een groter gewicht voor moderne dienstverlening en technologie.
Door deze omschakeling groeit het aantal werklozen en arbeidsongeschikten.
Hoe afhankelijk het land is van de internationale economie blijkt vooral in 1973, als Nederland in een
oliecrisis even geen olie meer krijgt van Arabische landen. Pogingen stevig te bezuinigen op de uitgaven
van de overheid willen niet erg lukken. Het benodigde geld komt deels uit de opbrengst van aardgas,
maar de overheid moet ook veel geld lenen, wat tot een geweldige staatsschuld leidt.
In 1982 wordt een Akkoord van Wassenaar gesloten - een nieuwe Pacificatie, deze keer tussen de werkgevers
en de werknemers. Zij vinden elkaar in de opvatting dat de loonkosten fors naar beneden moeten om
bedrijven weer internationaal concurrerend te maken. Werkgevers maken deeltijdwerk mogelijk, in ruil waarvoor
werknemers genoegen nemen met zeer matige loonstijging. Sommigen noemen dit akkoord het begin van het poldermodel,
terwijl anderen het mooier vinden dit te zien als uitvloeisel van een eeuwenoude traditie van 'typisch Nederlands' overleg.
Hoe dat ook zij, na verloop van tijd begint de economie weer te groeien. Onder het motto 'werk, werk, werk'
stimuleert de overheid dat zoveel mogelijk mensen een baan hebben. Het aantal deeltijdbanen groeit snel,
vooral voor vrouwen. De economie moderniseert in hoog tempo, mede dankzij de communicatierevolutie:
iedereen gaat op internet en begint elkaar mobiel te bellen, wat onder meer leidt tot zoveel pratende mensen in de trein en op straat.
Nederland raakt steeds meer vergroeid met Europa. Dit blijkt niet alleen uit de nadruk op betere verbindingen
(uitbreiding Schiphol, aanleg Betuwelijn en hogesnelheidslijn). Het symbool bij uitstek van deze nieuwe
verwevenheid is de afschaffing van de nationale munt, de gulden, en de invoering van de euro per 1 januari 2002.
Ondanks de werkloosheid in de jaren zestig en zeventig zijn voor het ongeschoolde, vaak vuile werk onvoldoende
arbeiders te vinden. Grote bedrijven beginnen werknemers te halen uit landen rondom de Middellandse Zee,
vooral uit Turkije en Marokko. Dit is het begin van een grootscheepse immigratie.
In het midden van de jaren zeventig komen ook grote aantallen inwoners van Suriname naar Nederland,
die geen vertrouwen hebben in de toekomst van hun onafhankelijke land. Ook van elders komen mensen
naar het 'vrije', rijke Westen. In betrekkelijk korte tijd veranderen aard en kleur van de samenleving.
Vooral in de Randstad ontstaat een multiculturele samenleving.
In tal van landen rijst protest tegen deze immigratie. Ook in Nederland valt dit geluid te horen, dat kort
na het jaar 2000 steeds luider klinkt. Het vormt de achtergrond van
brede steun voor een buitenstaander in de politiek,
Pim Fortuyn, die in 2002 grote aanhang verwerft, maar vlak voor de verkiezingen wordt vermoord.
Na de moord op de gebroeders De Witt in 1672 is dit de eerste politieke moord in de Nederlandse geschiedenis.
De verhoudingen in Nederland worden harder in de eerste jaren van 21ste eeuw.
Voor de toelating van 'vreemdelingen' gelden nieuwe, strengere regels.
De druk op aanwezige migranten neemt toe om 'in te burgeren'. Verschillende terroristische aanslagen in
de wereld, waaronder die in New York en Washington (11 september 2001), leiden ook in Nederland tot spanningen met de moslimgemeenschap.
Nederland en 'Europa' zijn economisch gezien een vrij groot succes.
Maar deze samenwerking gaat nauwelijks gepaard met een gemeenschappelijke buitenlandse politiek.
Bovendien is Nederland, vooral na het einde van de Koude Oorlog in 1989, beducht voor een kloof tussen
Europa en de Verenigde Staten. Bij elkaar leidt dit tot een zeer ingewikkelde situatie.
Aan burgeroorlogen in voormalig Joegoslavië moeten de Verenigde Staten ten slotte een eind maken.
Buitengewoon pijnlijk is dat Nederland troepen levert voor een vredesmissie in Bosnië,
maar in 1995 niet weet te verhinderen dat Serviërs zevenduizend moslimmannen uit Srebrenica vermoorden.
De Amerikaanse strijd in Irak, vanaf 2003, verdeelt Europa sterk. Engeland en Nederland steunen de aanval,
Frankrijk en Duitsland verklaren zich ertegen.
Het is tekenend voor Nederland én Europa dat de verschillende landen worstelen met de vraag hoeveel
onafhankelijkheid zij willen behouden en hoeveel zijn wensen op te geven.
Hoe dit ook verdergaat, een historische parallel valt wel te trekken: zoals de Lage Landen ooit een gemeenschap
vormden binnen het grote keizerrijk van Karel V, zo ontwikkelt Nederland zich nu steeds verder tot een welvarend
maar klein gewest binnen een steeds grotere Europese Unie.
De rest is toekomst !
Aan deze proeve van een canon zouden we een motto willen meegeven dat aan Willem van Oranje is toegeschreven:
'Hoop is niet vereist om ergens aan te beginnen, succes niet nodig om te volharden.'
Jan Bank en Piet de Rooy
Wij danken Hans en Ans Bühler voor deze bijdrage.