Wij
allen zijn
reizigers op deze aarde, maar Joost was wel een heel ijverige. Hij had
ook iets
van een vrijbuiter. Hij is voor mij een vriend,
die onlosmakelijk is
verbonden
met de tijd dat mijn gezin en ik op Aruba woonden. Hij en ik hebben van
die
tijd genoten als van geen andere.
Ik
leerde Joost
kennen in december 1970 toen ik op Aruba aankwam als
substituut-officier van
justitie. Joost werkte op Aruba als jurist bij de Lago-raffinaderij in
San
Nicolas. Wat die functie inhield, kon ik wel bevroeden. Zelf sprak hij
er
echter nooit over. Joost sprak niet over zichzelf.
Hij
was ook
rechter-plaatsvervanger in het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats
Aruba
in Oranjestad en in die functie behandelde hij verkeers-
strafzaken. In
het
verkeer op Aruba gebeurde alles wat Onze Lieve Heer verboden heeft en
de
verkeers-strafzaken gaven daarvan een getrouw
beeld. Als jong
substituut-officier van justitie mocht ik op menige zitting het
Openbaar
Ministerie vertegenwoordigen en dat was iedere keer
weer een feest.
Joost gedroeg
zich op de zitting als een echte magistraat. De toga stond hem goed.
Hij zat
ontspannen en een beetje onderuit
gezakt op de rechtersstoel en
straalde gezag,
kalmte en welwillendheid uit. Hij had rotsvaste opvattingen over hoe
men zich
in het verkeer
diende te gedragen en wist die aan de verdachte
duidelijk te
maken. Gevoel voor humor was hem in de vaak bizarre zaken niet vreemd.
Ik kan
mij niet herinneren ooit in hoger beroep te zijn gegaan van een van
zijn
beslissingen.
Joost
en
Monique woonden in de jaren 70 van de vorige eeuw prachtig in Seroe
Colorado.
Zij hadden in hun tuin echt gras en binnen
airconditioning, maar vooral
hadden
zij een prachtig uitzicht op de San Nicolas Bay. Voor Monica, mijn
vrouw, en
mijn toen nog heel
jonge kinderen was het, komend uit het hete
Oranjestad, een
oase daar en wij vonden het heerlijk om bij Joost en Monique te worden
uitgenodigd.
In
dat eerste
jaar op Aruba, 1971, en later van 1974 tot 1978, toen ik terug was als
rechter
op Aruba na 3 jaar op Curacao gewoond te
hebben,hebben Joost en ik
samen veel
opgetrokken. Het is eigenlijk dankzij Joost dat ik in mijn leven
– zij het kort
– ook sportief ben geweest.
Wij
tennisten
samen op de betonnen tennisbanen van de Esso club in Seroe Colorado,
waren geen
uitblinkers, maar de after-tennis was
altijd heel plezierig met veel
koele
drank en vooral veel gepraat, Joost en ik hebben veel met elkaar
gediscussieerd
over de zaken van het
leven. Dat is in beginsel een rustige bezigheid,
waaraan
je je in alle veiligheid kunt wijden. Zo niet altijd met Joost.
Wij
beoefenden
samen nog een andere tak van sport: zeilen. Joost had een Sunfish, een
kleine
zeilboot met 1 zeil, vlakbij zijn huis liggen
op het strand van
Rodger’s Beach
aan San Nicolas Bay. In die baai was het heerlijk rustig zeilen en
onderwijl
kon je diepgravende
beschouwingen houden over politiek, rechtspraak,
het nut
van het roken van sigaren en zo meer, wat we ook deden.
Maar het leven
is vol
gevaren.
De
baai van
Rodger’s Beach wordt min of meer afgesloten door een geheel
onder water liggend
rif. Als je binnen dat rif blijft, is er niets aan
de hand. Ga je er
over heen
dan kom je in de volle Caribbean Sea, vol in alle opzichten, ook met
haaien, en
waar de wind veel steviger is
dan in de baai. Alles bij elkaar niet
zo’n geschikte
plek voor een klein zeilbootje. Het is ons echter meer dan eens
overkomen dat
wij in
het vuur van onze betogen het rif verwaarloosden en in woelig
water
terecht kwamen. Zeker drie keer zijn wij daar omgeslagen en het
was
bepaald
niet eenvoudig het bootje weer recht overeind te krijgen en naar
veiliger water
terug te loodsen. Ik heb daar doodsangsten uitgestaan.
Joost ook, denk
ik, maar
dat merkte je niet zo, want hij gaf in die precaire situaties blijk van
een
grote onverschrokkenheid en wist ons
steeds weer veilig aan wal te
brengen.
De
laatste
heldendaad die Joost en ik hebben gepleegd was tijdens het carnaval in
1978,
toen wij, indachtig de functie van Joost als
verkeersrechter
carnavalesk als
verkeerslichten vermomd, hebben meegelopen in de grote carnavalsoptocht
in
Oranjestad.
Geheel tegen onze aard hebben wij ons urenlang al jumpend
op
steelband-muziek voortbewogen door de straten van Oranjestad.
Geen
geringe
prestatie, die je ook maar 1 keer moet doen.
Nadat
ons gezin
in augustus 1978 naar Nederland was gerepatrieerd, hebben Joost en ik
elkaar
maar sporadisch gezien.
Ik wist ook nooit waar hij was. Misschien in
Costa Rica
of in Den Haag of in Frankrijk of waar dan ook ter wereld bij zijn
kinderen.
Wel hadden wij soms schriftelijk contact. Dan stuurde hij mij
krantenknipsels
over zaken die hem interesseerden.
Of hij belde plotseling op.
Die
telefoongesprekken hadden iets eigenaardigs. Joost zei nooit zijn naam,
niet op
Aruba als hij mij belde, maar ook in latere jaren niet.
Nu gaf dat
niet, omdat
hij een zeer markante stem had, die ik uit duizenden zou herkennen.
Maar het
effect was wel dat het leek alsof hij
gewoon doorging met het vorige
telefoongesprek van een jaar geleden en zo de indruk wekte dat hij er
altijd
was, ergens, en je niet was vergeten.
Ik
ben Joost
ook nooit vergeten en ik ben blij dat Monica en ik enkele maanden
geleden nog
bij hem en Monique in Den Haag op bezoek
zijn geweest. Hij was en is
een
dierbare vriend. Aan zijn reis over de wereld is nu een einde gekomen.
De
dichteres M.
Vasalis zegt het zo:
En
nu nog maar
alleen
het
lichaam los
te laten
de
liefste en
de kinderen te laten gaan
alleen
nog maar
het sterke licht
het
rode,
zuivere van de late zon
te
zien, te
volgen – en de eigen weg te gaan.
Het
werd, het
was, het is gedaan.
Moge Joost in vrede rusten.
Paul Broekhoven
in zijn rede bij de crematie