Dag, dames en meneren,
wij dragen vuile kleren,
van modder staan ze stijf,
ze plakken aan ons lijf.
Die vlekken en die vegen,
daar kunnen wij wel tegen,
wij vinden het wel fijn
om vies en goor te zijn.
Wij willen ook niet douchen,
wij doen zoals een poesje,
wij likken ons wel schoon,
wij
likken.
Heel gewoon.
Mijn moeder wast mijn oren,
ze
wast me ook
van voren.
Mijn moeder wast mijn kont.
Dat is toch niet gezond?
Van wassen ga je blinken.
Laat ons maar lekker stinken,
en door de wereld gaan
met vuile kleren aan.
Willem Wilmink,
uit ‘Ik had als kind een huis en haard.’