Een liedje van Koppelstok van A.J. Schooleman.
Marschmatig.
1. In naam van 0 - ran - je, doet 0 -
pen de poort,
De Wa ter-geus ligt aan den wal;
De vloot-voogd der geu - zen, hij maakt
geen ak-koord,
Hij vor- dert Den Briel
of uw val
Dat is het be - vel van Lu - mey
op mijn eer,
En bur-gers, hier baat nu geen tegenstand meer,
De Wa – ter - geus komt om
Den Briell
De Wa – ter - geus komt om
Den Briell.
2. De vloot is met vijf - dui -
zend kop - pen be-mand,
De man – nen zijn kloek en vol vuur.
Een oo - gen – blik nog en zij
stap - pen aan land,
zij wach-ten be – richt
bin - nen ‘t uur:
Gij moogt dus niet dra- len, doet o - pen de poort !
Dan ne-men de Geu-zen ter-stond
zon-der moord
Be - zit van de ves - ting Den
Briell
Be - zit van de ves - ting Den
Briell.
3. Komt, geeft de ver-zeekring , ‘k moet
spoe-dig te-rug,
De klok beeft het uur reeds ge- meld.
Ik . zeg ‘t u, geeft gij mij de sleu - tels
niet vlug,
dan is reeds uw von - nis ge - veld.
De wak - ke - re Geu- zen staan tandknersend daar,
Zij wet-ten hun zwaarden en ma- ken
zich klaar
En zwe - ren: “,den
dood of Den Briell"
En zwe – ren: “,den
dood of Den Briell”
4. Hier dringt men naar bui-ten, daarschuilt men bij-een
En spreekt o - ver Kop-pel-stoks last: ,
“De stad in hun han -den of an
- ders den dood”.
‘t Be-sluit tot het eer- ste staat vast !
Maar . nauwlijks is hier-mee de
veer-man ge-vleid,
Of Si - mon de Rijk heeft de poort ge-ram-meid,
En zoo kwam de
Geus in Den Briell
En zoo kwam de
Geus in Den Briell.