Bralt Hovenga

 Gesprek met een oprichter van de CHC - Bralt Hovenga

Op 26 februari 2000 hadden wij de gelegenheid de heer Bralt Hovenga (83) te ontmoeten. Bralt is
medeoprichter van onze vereniging en was Vocal in het allereerste bestuur. Samen met Karel Hallebeek,  ook een van de oprichters, bezochten wij hem en mochten wij zijn levensverhaal optekenen.

Van schipperskind tot worstmagnaat

Als oudste van twaalf  schipperskinderen zat het varen de Groninger Bralt in het bloed. Hij wilde niets
liever dan dan carriere op zee maken. Hij zou echter ergens heel anders terechtkomen, letterlijk en
figuurlijk.Hij volgde de gebruikelijke procedure uit die tijd (rond 1935) van eerst een paar jaar praktijk
opdoen op de binnenvaart , dan een jaar grote vaart en dan naar de zeevaartschool voor een opleiding tot  stuurman. Hij voer tussen Duitsland en Polen inclusief op de Rijnvaart. Hij was inmiddels opgeklommen tot 'bestman', (stuurman zonder diploma) toen Duitsland Polen overviel en het afgelopen was met de kustvaart. Bralt wilde toen meteen naar de grote vaart, maar mocht niet van zijn ouders omdat hij nog niet meerderjarig (21 jr) was. Toen hij dat bijna was mocht hij toch weg en monsterde aan als volmatroos bij de Rotterdams Lloyd voor een reis naar Indië. Dat was even wennen voor een Groningse kustvaarder, maar het was meteen een goede leerschool.

De oorlogsjaren

Op de reis terug naar Europa werd het schip op zekere dag naar een bepaald punt in het Kanaal gedirigeerd en daar gingen zij ten anker. De volgende dag, 10 mei 1940, kregen ze opdracht naar de Verenigde Staten te varen en zodoende was Bralt in New York toen de oorlog uitbrak. daar werden alle opvarenden geregistreerd en kregen ze de keus door te blijven varen voor de koopvaardij of dienst te nemen in leger of marine. Bralt koos voor het eerste en ging varen voor een Amerikaanse maatschappij betrokken bij de transport van oorlogsgoederen naar het Verre Oosten.

Haaienvangst

Ook voer hij als kapitein op een haaienvisser aan de westkust van Centraal Amerika.
Het enige wat ze met de gevangen haaien deden was de lever eruit halen. daarna werd de rest weer overboord gezet De haaienlever werd tot pillen verwerkt voor piloten tegen nachtblindheid.
Soms was de gevangen haai groter dan de vissersboot en konden ze die niet eens aan boord krijgen.
Op mijn vraag waarmee ze de haaien vingen kreeg ik te horen dat ze dat met dolfijnenvlees deden(!)
Deze dieren werden geharpoeneerd  en daarna doodgeschoten en des tukken vlees verdeeld over de 20 haken van de 8 vislijnen.
Toen de vissersboot een keer motorpech had kwam hij voor het eerst in aanraking met Costa Rica (Puntarenas), omdat de boot daarheen ging voor reparatie.

Isla de Coco

Een andere anecdote uit de visserstijd is dat hij op verzoek van een Amerikaanse bioloog naar Isla de Coco voer om daar de haaien bevolking in kaart te brengen. Bralt deed dat naardat de bioloog voor een echt kompas had gezorgd. Ze voeren in de namiddag uit richting Isla de Coco en Bralt hield daarbij goed rekening met de zuidgaande stroom. Menige boot was of in Panama of zelfs bij de Galapagos Eilanden terecht gekomen omdat men niet genoeg rekening had gehouden met de stroom.
Maar de volgende middag begon men te twijfelen of men wel de juiste koers had genomen en na veel wikken en wegen besluit Bralt de koers  van west-noordwest te verleggen naar noord.  Na twee uren die andere koers te hebben gevolgd werd weer de oude koers gevaren. En...
ja hoor de volgende morgen om 09.00 uur kwamen  ze uit recht voor  Isla de Coco.
Daar lagen veel haaienvissers en voor de bioloog was het een teleurstelling want er waren daar bijna geen haaien te vinden (logisch). In die tijd (1945) was er geen enkel pad op het eiland , wel  kon men de ruines van een vroegere varkensfokkerij herkennen (?!) Er waren ook nog geen parkwachters , noch een officiële C.R. nederzetting.

Nadat de atoombommen voor het einde van de Tweede Wereldoorlog hadden gezorgd, monsterde hij af in New Orleans en kreeg hij de gelegenheid om permanent te emigreren naar de V.S. Daarvoor moest hij buiten de V.S. een visum aanvragen en aangezien hij de Amerikaanse consul in Costa Rica kende van zijn reizen besloot hij dat visum in San José aan te vragen.
Hij reisde per schip naar Puerto Cabezas (Nic), vloog naar Managua , toen met de bus naar Masaya en per auto naar San Juan del Norte  en kam vlak bij San Juan del Sur de grens over.

Jimmy's worsten

Hij kwam terecht in Hotel Metropoli van Frans Westgeest (later ook een van de  oprichters). Frans wilde eigenlijk wat anders gaan dan dan een hotel runnen en was bezig met een vleesbewerkingsfabriek op te zetten in San Miguel de Desamparados en vroeg aan Bralt hem te helpen. Die had inmiddels een aardig Costaricaans meisje ontmoet , Dula Porras Aguero, waar hij verliefd op was geworden en dus besloot hij zijn Amerikaanse plannen op te geven. Zodoende ging  Bralt werken voor  Frans en hielp hem eerst in het hotel en daarna met de vleesbewerkingsfabriek. Er zat echter niet genoeg schot in en het kon veel beter
volgens Bralt en de technische man uit Holland op het gebied van worstmakerij, Piet van Boxtel.

Het vleesmolentje

Zij besluiten voor zichzelf te beginnen. Op 2 januari 1949 koopt Bralt op de markt een vleesmolentje (zie foto) omdat dan het uitbenen en het verwerken van vlees sneller gaat dan met alleen messen. Later als hij grotere machines koopt, verkoopt hij het vleesmolentje aan een slager. Een jaar of tien later, toen de zaken uitstekend draaiden ging hij terug naar de slager om het vleesmolentje terug te kopen. Dat lag inmiddels afgedankt in de tuin van de slager,maar na enig zoeken vond hij het en nam het meer als herinnering aan het begin van zijn loopbaan als worstfabrikant.
Later in 1949 gaat Piet na aandringen van vrouw terug naar Holland en Bralt neemt de worstfabriek met alle schulden en baten (inclusief recepten) over en gaat alleen door. De zaken gaan goed met de produkten  "Jimmy's".

De naam

Toen Bralt begon te varen voor de Gealllieerden in de oorlog konden de andere opvarenden natuurlijk nooit zijn naam goed uitspreken en in een bar in Nederlands Indië is hij toen omgedoopt tot Jannes , dat later ook te moeilijk bleek voor zijn Amerikaanse medebemanningsleden.  Dus werd hij Jimmy genoemd.
Frans Westgeest verkoopt later Hotel Metropoli aan Gerrit Stekelenburg en gaat door met zijn eigen worstfabriek, die echter  nooit een succes wordt. Hij sterft op 65 jarige leeftijd aan een leveraandoening Gerrit verkoopt later het hotel aan de gebroeders Kop en begint een kippenfarm. (Hij hield veel van eieren en spek)

Bralt werkte hard en moderniseerde zoveel hij kon en importeerde o.a. de darmen uit de V.S. voorzien van zijn logo. De originele worstrecepten die hij van Piet had overgenomen bleken een groot succces. (veel vlees en alle ingrediënten waren natuurprodukten) en hij bleef de zaak maar uitbreiden. Hij huurde een lokaal in Barrio Lujan en nam het ene na het andere aanliggende lokaal  erbij. De eigenaar, die eigenlijk van plan was de lokalen aan Dos Pinos te verkopen, komt er op een gegeven moment achter dat de worstzaken goed lopen en besluit de lokalen aan Bralt te verkopen voor Crc 310.000 , (in die tijd was de koers Crc 6.60 per dollar). Crc 10.000 contact en Crc 50.000 per jaar af te betalen plus een kleine rente.
Bralt breidt de zaken verder uit met zijn familie. Inmiddels zijn er drie zonen en drie dochters geboren uit het huwelijk met Dula. Later overlijdt zij en hij hertrouwt.

In 1989  (hij is dan al 72 ) verkoopt hij het het terrein aan Dos Pinos en de fabriek wordt afgebroken en de meeste machines worden opgeslagen in een loods in Desamparados. De rechten van de naam zijn nog steeds in de familie en één van de zonen maakt nog steeds worsten op bestelling. Bralt geniet nu van zijn oude dag met een staatspensioen (van don Pepe) en bezoekt regelmatig zijn kinderen (en 17 kleinkinderen).
Hij is nog steeds goed ter been en vertelde dat een van de weinige dingen die hij anders zou doen in zijn leven als hij de kans zou hebben , is zijn nederlanderschap niet opgeven. Hij nam in 1955 de Costaricaanse nationaliteit aan omdat hij dacht dat dat noodzakelijk was voor het welzijn van zijn zaak.
Hij geeft ook ruiterlijk toe dat het maken van worsten niet iets was wat hij vroeger als ideaal had gesteld.
Hij heeft nog steeds een zeemanshart en die worstenmakerij, ja daar is hij ingerold.
We hopen hem spoedig bij een van onze aktiviteiten te begroeten.

Waarom een Nederlandse Vereniging ?

Wij vroegen hem natuurlijk naar zijn belevenissen rond de oprichting van de vereniging. Hij vertelde dat Theodore Peuchen  met het idee was gekomen om een club op te richten (in 1952) omdat hij genoeg had van het vechten onder de Nederlanders in die tijd. Al moest het jaren duren, hij was er zeker van dat een vereniging een goede invloed zou hebben op het onderling  gedrag.
De club heeft in de oprichtingsjaren ongeveer 35 leden.
Wij hopen nog een paar fotos  en andere documenten te krijgen uit die tijd).
Wij ontvingen ook nog wat aanvullende informatie over de andere oprichters en hebben die informatie in ons gesprek met Karel Hallebeek verwerkt.
Hier alvast een paar fotos.

het beroemde vleesmolentje in 1960 Klik op foto voor verslag in Revue van 12 november 1960.

met ouders en broer Wiebe     Daar hangen ze dan!     in de fabriek

Bralt in maart 2000  met dochter Analina en familie Met medeoprichter Karel Hallebeek
Bralt Hovenga, met dochter Analina, schoonzoon Tony en 2 kleinkinderen en met Karel en Hanneke Hallebeek
 
 

Cor Teunissen
28 feb 2000
bijgewerkt 3 augustus 2000