WEDSTRIJDREGELS
Aan deze publicatie van de reglementen kunnen geen
rechten worden ontleend. Slechts het exemplaar aanwezig bij het
bondsbureau is bindend.
Dit reglement
werd gewijzigd op de bondsvergadering van 13 juni 1998 op Papendal.
Uitgave: januari 1999
Hiermee vervallen alle vorige uitgaven.
INHOUDSOPGAVE
1.Algemeen
2.Spelmateriaal
sjoelbak
poortenbalk
afmetingen
sjoelschijf
controlestreep
3.Spelregels
Algemeen
Speelwijze
4.Puntentellinging
5.Spelvolgorde
6.Bepalingen
7.Regels bij bondswedstrijden
8.Slotbepaling
1.ALGEMEEN
1.De spelregels zoals in
dit reglement omschreven, moeten bij alle
bondswedstrijden
in acht worden genomen.
2.Bij bekerwedstrijden kan
hierop door de bekercommissie een uitzondering
worden gemaakt.
2.SPELMATERIAAL
1.Het spelmateriaal zoals
in dit reglement omschreven, is in overeenstemming
met een door
de bond goedgekeurde wedstrijdbak
2.SJOELBAK, zie figuur 1.
De sjoelbak
is samengesteld uit de volgende houten onderdelen:
1.afzetbalk
2.bodem
3.zijwanden
4.poortenbalk
5.tussenwanden
6.achterwand
Figuur
1.
3.POORTENBALK, zie figuur
2.
Aan
de
voorzijde
van
de
poortenbalk
zal
boven
elke
opening
een
indicatie zijn
aangebracht. Deze indicatie kan bestaan uit cijfers of andere
middelen doch
dient in ieder geval te bestaan uit een waardering die van links
naar rechts
gezien bestaat uit:
2 - 3 - 4 - 1
Figuur 2.
4.AFMETINGEN, zie figuur
1 en 2.
Waar in de figuur
niet aangegeven gelden de volgende maten:
a.dikte zijwanden: 12 mm
b.dikte tussenwanden: 12 mm
c.dikte achterwand: 14 mm
d.dikte poortenbalk: 14 mm.
5.SJOELSCHIJF
a.materiaal: beukenhout
b.glijvlak: hol
c.gewicht: 20 ± 3 gram
d.diameter: 52 mm
e.dikte: 13 mm.
6.CONTROLESTREEP
Op de bodem
is een streep aangebracht loodrecht onder de achterkant van de
afzetbalk.
7.Niet genoemde onderdelen
of afmetingen worden voor de sjoelsport van
minder belang
geacht.
Opmerking:
alle maten zijn
aangegeven in millimeters.
Tolerantie:
lengtematen
± 0.15%
overige maten
± 0.3%.
3.SPELREGELS
1.ALGEMEEN
Indien in dit
reglement hij, deelnemer, speler, enz. wordt vermeld, dan
worden hiermee
ook de vrouwelijke leden bedoeld, tenzij dit uitdrukkelijk
anders is bepaald.
2.SPEELWIJZE
a.Elk spel begint met 30 schijven.
b.De deelnemer wordt geacht de schijven vóór aanvang van
het spel te
hebben geteld.
c.Een schijf is in het spel zodra deze de streep bij de afzetbalk geheel
voorbij is.
d.Is een schijf eenmaal in het spel dan mag deze door niemand meer
aangeraakt worden. Uitzonderingen hierop zijn:
1.Een schijf die buiten de bak geraakt.
2.Een schijf die over de poortenbalk heen in een vak geraakt.
3.Een schijf die, anders dan door de poortenbalk, uit het vak
geraakt en op welke manier dan ook:
a.terugkomt in hetzelfde vak,
b.terugkomt in één van de overige vakken,
c.op één van de tussenwanden blijft rusten.
In bovenstaande gevallen neemt de jury de schijf direct uit het spel.
4.Een schijf die terugkomend, de streep aan de achterkant van de
afzetbalk geheel is gepasseerd. De speler moet deze schijf na
toestemming van de jury uit de bak nemen en naast de bak aan de
kant van het jurylid leggen, zodanig dat deze gescheiden is van
de overige schijven die nog gespeeld moeten worden.
e.Een schijf is in het vak als deze onder de afzetbalk door, de voorkant
van de poortenbalk geheel is gepasseerd. In twijfelgevallen dient de
jury een recht afsluitlatje tegen de voorkant van de poortenbalk te
schuiven, beweegt hierbij de schijf dan is deze niet in het vak.
f.De jury stapelt de schijven op stapels van 4 voor de eerste 4 in het
vak
zittende schijven. De volgende stapels op 3, zie figuur 3. De onderste
schijf van de eerste stapel in alle 4 vakken wordt los van de
achterwand geplaatst; max. 5 mm.
& Figuur 3.
4.PUNTENTELLING De puntentelling dient als volgt te geschieden:
in elk vak 1 schijf = 20 punten,
in elk vak 2 schijven = 40 punten,
in elk vak 3 schijven = 60 punten, enz.
Bevinden zich buiten deze berekening nog meer
schijven in een vak dan tellen deze
schijven elk voor de punten van dat vak.
Voorbeeld:
In elk vak liggen 5 schijven en een extra
schijf in vak 4.
De telling is dan 100 + 4 = 104 punten.
Maximaal haalbaar is dus 148 punten.
Boven de maximale score van 148 punten kan
nog een bonus van maximaal 8 punten
worden behaald indien de speler de score van
148 punten behaald heeft in maximaal
twee onderbeurten.
Indien 148 in één onderbeurt
is behaald krijgt de speler twee keer één schijf terug.
Is de 148 behaald in twee onderbeurten, dan
krijgt de speler één keer één schijf
terug.
De schijf wordt gespeeld waarna opnieuw wordt
gestapeld. Indien de schijf twee
keer terug moet worden gegeven, wordt diezelfde
schijf nogmaals gespeeld. Alleen
het resultaat van de gespeelde schijf in de
eerste en, indien van toepassing, tweede
keer telt. Het aantal behaalde bonuspunten
wordt berekend volgens bovenstaande
puntentelling, maximaal kan dus twee keer
4 bonuspunten worden behaald. De
uiteindelijke score is de som van de behaalde
punten en bonuspunten.
Voorbeelden.
1.Een speler heeft 148 punten
gescoord in twee onderbeurten. Hij krijgt nu nog
één
schijf terug, welke hij in vak 2 werpt. De speler heeft nu 148 + 2 = 150
punten behaald.
2.Een speler heeft 148 punten
gescoord in één onderbeurt. Hij krijgt nu nog
twee keer één
schijf terug. De eerste keer werpt hij deze in vak 4, de tweede
keer in vak
1. De speler heeft nu 148+4+1=153 punten gescoord.
5.SPELVOLGORDE
Een sjoelbeurt bestaat uit 3 onderbeurten
in de volgende volgorde te spelen:
a.De speler telt de 30 schijven.
b.Na toestemming van de
jury werpt de speler deze 30 schijven en geeft
duidelijk te
kennen dat alle schijven geworpen zijn.
c.De jury bepaalt welke
schijven in de vakken mogen blijven en geeft de
resterende schijven
terug, evenals de schijven die tot de uitzonderingen
behoorden volgens
art. 3.2.d.
d.De jury stapelt vervolgens
de schijven en geeft hierna toestemming met de
resterende schijven
te spelen. Het stapelen geschiedt volgens het
spelreglement.
De speler controleert de terug te ontvangen schijven en start
met de 2e onderbeurt.
e.Na de 2e onderbeurt volgt
de behandeling volgens c. en d.
f.De speler werpt daarna
voor de laatste maal met de dan overgebleven
schijven, de
3e onderbeurt.
g.De jury bepaalt vervolgens
weer welke schijven in de vakken mogen blijven en
gaat dan tot
de puntentelling over. De jury zegt aan de speler de score en na
instemming van
de speler wordt het resultaat genoteerd op de wedstrijdkaart,
welke daarna
desgewenst aan de speler wordt getoond.
h.Als een speler in twee
onderbeurten 148 heeft geworpen, dan krijgt hij één
schijf terug
om te proberen nog maximaal 4 bonuspunten te behalen zoals is
beschreven in
art. 4.
Wordt in één
onderbeurt 148 gescoord, dan krijgt de speler twee keer één
schijf terug
om te proberen nog maximaal 8 bonuspunten te behalen zoals is
beschreven in
art. 4.
i.Zijn na de 1e of 2e onderbeurt
reeds alle schijven in de vakken, maar is er
geen 148 gescoord,
dan gaat de jury over tot de puntentelling.
6.BEPALINGEN
a.Een speler mag naar eigen
keuze zittend of staand sjoelen, maar blijft tijdens
en na het spel
te allen tijde achter de bak.
b.Een speler mag op verzoek
5 schijven op proef spelen.
c.Na aanvang van een beurt,
dus na het werpen van de eventuele 5
proefschijven,
mag niet meer aan de sjoelbak geschoven worden. Iedere
speler draagt
er zorg voor dat de bak in de oorspronkelijke stand terug
geplaatst wordt.
Een speler mag geen veranderingen aan het spelmateriaal
aanbrengen door
glijmiddelen of tussentijds poetsen.
d.Als tijdens het spelen
een schijf breekt dan moet de gehele beurt opnieuw
gespeeld worden.
e.Als een spel met meer
dan 30 schijven is gespeeld dan vervalt de beurt en
moet opnieuw
gespeeld worden.
f.Is het spel met minder
dan 30 schijven gespeeld dan is geen correctie
mogelijk.
g.Tijdens het sjoelen mag
de jury niet praten en/of andere handelingen
verrichten die
de speler kunnen beïnvloeden. Alleen op verzoek van de speler
mag de jury
aangeven hoeveel schijven in de vakken zijn.
h.Op de afzetbalk mogen
geen schijven geplaatst worden.
7.REGELS BIJ BONDSWEDSTRIJDEN
a.Tijdens het jureren mag
het jurylid zijn eigen wedstrijdkaart niet op de tafel
hebben.
b.Indien de jury fout schrijft,
dient het juiste getal ingevuld en geparafeerd te
worden door
de ringleider voor het baknummer.
c.Bij doorhalingen, welke
dan ook, telt automatisch het laagste, leesbare getal.
d.De jury geeft de wedstrijdkaart
door aan het jurylid van de volgende bak.
e.Na de 10e beurt genoteerd
te hebben moet het jurylid de kopie van de
wedstrijdkaart
aan de speler geven en het origineel aan de ringleider. In geen
geval mag de
complete kaart aan de speler worden gegeven.
f.Indien ter plaatse aangetoond
kan worden dat de speler toch ten voordele van
zichzelf wijzigingen
heeft aangebracht, zal de wedstrijdleider onmiddellijk
strafmaatregelen
nemen. Deze kunnen bestaan uit het aftrekken van een beurt
tot het aftrekken
van de totale 10 beurten.
g.Tijdens het sjoelen en
jureren mag niet gerookt, gedronken of gegeten
worden.
8.SLOTBEPALINGEN
In die gevallen waarin dit reglement niet
voorziet beslist de wedstrijdleiding.
RECHTEN/PLICHTEN SPELERS
1.De speler is verplicht
aan de eerste bak van de wedstrijd de ANS-pas te laten controleren door
het
jurylid.
De speler dient
er zelf op toe te zien dat de paraaf ter controle van de ANS-(dag)pas op
het
scorekaartje
wordt gezet door de jury. Indien na afloop van die serie van 10 bakken
blijkt dat deze
paraaf niet
is gezet, wordt de betreffende speler uitgenodigd zijn/haar ANS-(dag)pas
in de rekenkamer
te tonen. Wordt
hieraan niet voldaan, dan moet er een dagpas worden gekocht à ƒ
5,=.
2.De speler mag zijn onderbeurt
beginnen nadat daarvoor toestemming is gegeven door het jurylid.
3.De speler mag per bak
5 schijven op proef gooien, mits men dit duidelijk voor aanvang van de
eerste
onderbeurt aan
het jurylid kenbaar heeft gemaakt.
4.De speler mag aan het
jurylid vragen hoeveel schijven er in de vakken liggen. De verantwoording
van
juistheid ligt
bij de sjoeler.
5.De speler verplicht zich
om alle schijven die conform het spelreglement art. 3.2.d.4 niet meer in
het
speelvlak aanwezig
zijn na toestemming van de jury uit de bak te nemen en naast de bak aan
de kant van
het jurylid
te leggen, zodanig dat deze gescheiden zijn van de overige schijven die
nog gespeeld moeten
worden.
6.De speler blijft te allen
tijde voor de sjoelbak.
7.De speler heeft het recht
om van het jurylid te eisen dat deze conform het spelreglement stapelt.
8.De speler heeft het recht
bij twijfel of de schijf de voorkant van de poortenbalk geheel is gepasseerd,
het jurylid
met het afsluitlatje dit te laten meten na afloop van de onderbeurt.
9.De speler mag de genoteerde
score van het jurylid op juistheid controleren.
10.Indien de genoteerde score
afwijkt van de werkelijke score wordt direct de hulp van de ringleider
ingeroepen,
die voor de juiste scorenotering zorgt en deze parafeert. Indien verbeteringen
niet zijn
geparafeerd
telt automatisch het laagst leesbare getal.
11.De speler is te allen tijde
zelf verantwoordelijk voor het eindresultaat.
12.De speler stapelt na afloop
van de 3e onderbeurt de schijven in stapels van 5 naast de bak.
13.De speler schuift na het teken
van de ringleider door naar rechts naar de volgende bak.
14.De speler krijgt de wedstrijdkaart
niet in handen, behalve wanneer de vakindeling dit vereist.
15.Na afloop van de 10e beurt
ontvangt de speler uitsluitend het kopie van de wedstrijdkaart.
16.Na afloop van de 10e beurt
is de speler verplicht te jureren voorzover dit van toepassing is.
TAKEN JURYLEDEN
1.Het jurylid is verplicht
op de eerste bak van de wedstrijd de ANS-pas te controleren, en dit op
de
wedstrijdkaart
aan te geven.
Bij afwijking
van:
ANS-nummer;
naam;
klasse;
pasfoto of
geldigheid
wordt dit gemeld
aan de ringleider of de wedstrijdleider, afhankelijk van het soort afwijking
wordt de
ANS-pas teruggeven
aan de sjoeler.
2.Het jurylid blijft te
allen tijde zitten.
3.Het jurylid geeft de speler
toestemming te starten met de eerste onderbeurt nadat het jurylid hiervoor
toestemming
heeft verkregen van de ringleider.
4.De jury veronderstelt
dat de eerste onderbeurt is begonnen indien de speler niet kenbaar heeft
gemaakt
vijf schijven
proef te gooien.
5.Het jurylid volgt het
spel van de speler en richt zijn aandacht op de bak. Het jurylid praat
tijdens het
spel niet met
de speler of andere personen en geeft geen aanwijzingen. Op verzoek van
de speler deelt
het jurylid
mee hoeveel schijven er zich in de vakken bevinden, de verantwoording ligt
bij de speler.
6.Het jurylid verplicht
de speler alle schijven die conform het spelreglement art. 3.2.d.4 niet
meer tot het
spel behoren
uit de bak te nemen en naast de bak aan de kant van het jurylid te leggen,
zodanig dat
deze gescheiden
zijn van de overige schijven die nog gespeeld moeten worden.
7.Het jurylid controleert
nauwkeurig het aantal onderbeurten.
8.Na iedere onderbeurt stapelt
het jurylid conform het spelreglement.
9.Na iedere onderbeurt bepaalt
het jurylid welke schijven de voorkant van de poortenbalk geheel zijn
gepasseerd,
bij twijfel kan de speler eisen om te meten met het afsluitlatje.
10.Na de 3e onderbeurt bepaalt
het jurylid de score. Het jurylid vermeldt het resultaat aan de speler
en na
diens instemming
schrijft het jurylid de score op de wedstrijdkaart.
11.Op verzoek van de speler laat
het jurylid de genoteerde score zien aan de speler.
12.Het jurylid roept onmiddellijk
de hulp in van de ringleider indien niet de juiste score op de
wedstrijdkaart
is genoteerd.
13.Het jurylid geeft de wedstrijdkaart
niet aan de speler, behalve wanneer de vakindeling dit vereist.
14.Na afloop van de 10e beurt
telt, indien mogelijk, het jurylid de wedstrijdkaart en geeft het kopie
aan
de speler. Het
origineel wordt overhandigd aan de ringleider door het jurylid.
ALGEMENE REGELS VOOR SPELERS EN JURYLEDEN
Bij het ophalen van wegspringende schijven
dienen zowel jurylid als speler er voor te zorgen dat medespelers in
hetzelfde vak of andere vakken niet worden
gestoord in hun onderbeurt.
TAKEN RINGLEIDERS
1.De ringleider moet duidelijk
herkenbaar zijn, zodat hij de mogelijkheid heeft als zodanig op te treden.
2.De ringleider draagt er
zorg voor tijdig aanwezig te zijn in het vak.
3.De ringleider heeft parate
kennis van het spel- en wedstrijdreglement.
4.De ringleider overtuigt
zich ervan dat het vak onder zijn hoede een ordelijk wedstrijdverloop kan
hebben,
waar nodig corrigeert
de ringleider al dan niet in overleg met de wedstrijdleider.
5.De ringleider overtuigt
zich ervan dat bij iedere bak uitsluitend de wedstrijdkaart van de speler
zichtbaar is.
6.De ringleider geeft in
overleg met de wedstrijdleider het startsein.
7.De ringleider begeeft
zich regelmatig door het vak zodanig dat spelers zowel als juryleden niet
gestoord
worden.
8.De ringleider ziet erop
toe dat de wedstrijd conform het spelreglement gespeeld wordt.
9.De ringleider verbetert
en parafeert foutief genoteerde scores.
10.De ringleider laat alle spelers
in het vak gelijktijdig naar rechts doorschuiven.
11.De ringleider lost de vragen
en probleemstellingen op, zodanig dat spelers niet gestoord worden tijdens
hun spel.
12.De ringleider neemt na afloop
van de serie van 10 beurten de originele wedstrijdkaarten in en levert
deze
in bij een daartoe
aangewezen persoon.
13.Na afloop van de serie van
10 beurten laat hij speler en jurylid van taak wisselen en geeft het startsein
voor de nieuwe
ronde.